id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.538 Rolnummer: A. 60261/X-9286 Zaak: Arrest 144538 - - 18/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:07 Fiche Arrest nr 144.538 van 18 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.538 van 18 mei 2005 in de zaak A. 60.261/X-
- In zake : Geert MICHIELS, die woonplaats kiest bij Advocaat J. HOUTHUYS, kantoor houdende te 1500 HALLE, Suikerkaai 7 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Geert MICHIELS op 10 oktober 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 augustus 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 16 december 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning gelegen te Halle, Elbeekdries, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 1101; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 22 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; X-9286-1/6 Gelet op de beschikking van 1 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. HOUTHUYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat op 24 maart 1993 verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Halle een aanvraag indient voor het bouwen van een woning te Halle, Elbeekdries, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 1101; dat volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, het perceel is gelegen in agrarisch gebied; dat na beroep, het thans bestreden besluit de vergunning weigert; Overwegende dat het perceel dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is gelegen in "agrarisch gebied"; dat artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt : "Art. 11.4.
- De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden."; X-9286-2/6 dat dit bestemmingsvoorschrift niet toelaat dat voor het betrokken perceel een vergunning voor het oprichten van een woning wordt verleend; dat voorts geen enkele wettelijke bepaling toeliet en thans nog steeds niet toelaat voor het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning met een voorwerp als het voorliggende, van dit bestemmingsvoorschrift af te wijken; dat verzoeker, gelet op de planologische bestemming van het betrokken perceel, zelfs in geval van vernietiging van het bestreden besluit, hoe dan ook de gevraagde stedenbouwkundige vergunning niet kan verkrijgen; dat, ambtshalve, dient te worden vastgesteld dat hij om deze reden niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging; Overwegende evenwel dat verzoeker in het tweede middel aanvoert dat het bestreden besluit steunt op een onregelmatig en dus niet-verbindend bestemmingsvoorschrift; dat de hiervoor ambtshalve opgeworpen exceptie bijgevolg verbonden is met het tweede middel; dat dit middel derhalve voorafgaand dient te worden onderzocht; Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 13 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : stedenbouw- wet), doordat de bestreden beslissing steunt op het gewestplan Halle-Vilvoorde- Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, dat op onregelmatige wijze werd bekendgemaakt en dus niet-verbindend is en dat de minister derhalve niet gehouden was door de bepalingen van dit gewestplan; dat hij doet gelden wat volgt : "Het GP Halle-Vilvoorde-Asse werd in geen enkele gemeente van dat gewest regelmatig bekendgemaakt, aangezien de orthofotoplannen die de bestaande feitelijke toestand in het gewest Halle-Vilvoorde-Asse weergeven, en die luidens art. 1 van het K.B. 7/3/1977 deel uitmaken van dit GP, niet gevoegd waren bij het dossier van dat plan, dat de Gouverneur van de Provincie Brabant op 29/4/1977 aan elke gemeente van het gewest heeft gezonden met het oog op het ter inzage leggen ervan voor het publiek, (...). Dit arrest vervolgt dat het feit dat de orthofotoplannen ter inzage van het publiek hebben gelegen tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-gewestplan, niet ontslaat van de in art. 10 van de Stedebouwwet opgelegde verplichting het GP in zijn geheel, d.i. met inbegrip van de weliswaar ongewijzigd gebleven orthofotoplannen, in elke gemeente van het gewest voor eenieder ter inzage te leggen; dat de bekendma- king van een GP slechts volledig is, wanneer het gehele GP in elke gemeente van het gewest ter inzage ligt; dat uit geen enkel gegeven van de zaak blijkt of kan worden afgeleid dat meer dan 60 dagen vóór de indiening van het verzoekschrift het gehele bestreden GP, met inbegrip van de orthofotoplannen, voor eenieder ter inzage werd neergelegd in het gemeentehuis van elk van de betrokken gemeenten; (...) dat de gebrekkige bekendmaking van het GP meebrengt dat het niet verbindend is."; X-9286-3/6 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat "uit de overgelegde stukken naar genoegen van recht en feit blijkt dat het gewestplan werd bekendgemaakt zoals dient te geschieden overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State"; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de nieuwe artikelen 13 en 13bis van de stedenbouwwet in een nieuwe regeling voorzien vanaf 1 januari 1994 voor de opmaak van de nieuwe gewestplan- nen, dat het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse echter dateert van 7 maart 1977; dat verzoeker voorts opwerpt dat de verwerende partij niet duidelijk maakt "of de normatieve delen van het definitief vastgesteld GP indertijd ter inzage werden gelegd van het publiek in het gemeentehuis", dat het evenmin duidelijk is of dit op heden reeds is gebeurd, dat aangezien het tegendeel niet wordt aangetoond, er moet van worden uitgegaan dat dit tot op heden nog niet is gebeurd; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie opwerpt dat het arrest 86/95 van 21 december 1995 van het Arbitragehof stelt dat "decreetsbepa- lingen die voor de toekomst de verplichtingen van het bestuur op het gebied van de ter inzagelegging van gewestplannen verzachten, wel onmiddellijke, maar geen retro- actieve werking hebben en dat zij er niet toe strekken het beslechten van op het ogenblik van de inwerkingtreding hangende rechtsgedingen te beïnvloeden", dat dit tevens geldt voor de artikelen 1 en 2 van het besluit van 23 februari 1994 van de Vlaamse regering houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan, dat immers "ook deze artt. 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23/2/94 onmiskenbaar (zijn) en evenzeer bepalingen (bevatten) die de verplichtingen van het bestuur op het gebied van de ter inzagelegging van gewestplannen voor de toekomst verzachten, zodat ook wat deze laatstgenoemde bepalingen betreft, het voornoemde arrest van het arbitragehof toepassing krijgt en zij er derhalve niet toe vermogen te strekken het beslechten van op het ogenblik van de inwerkingtreding hangende rechtsgedingen te beïnvloeden"; Overwegende dat de artikelen 100 en 108 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 de artikelen 13bis en 75, § 3, van de stedenbouwwet hebben gewijzigd in dier voege dat alleen de normatieve delen van de gewestplannen die zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994 ter inzage van de bevolking worden gelegd in elk betrokken gemeentehuis en de niet-normatieve delen ter inzage zijn op het hoofdbestuur en de provinciale X-9286-4/6 buitendiensten van de Administratie Ruimtelijke Ordening; dat in zijn arrest 86/95 van 21 december 1995 het Arbitragehof heeft overwogen dat artikel 75, § 3, van de stedenbouwwet, krachtens hetwelk de bepalingen van artikel 13bis van die wet, vervangen door artikel 100 van het decreet van 22 december 1993, van toepassing zijn op de gewestplannen die definitief zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994 wel onmiddellijke, doch geen retroactieve werking heeft; Overwegende dat de artikelen 1 en 2 van het besluit van 23 februari 1994 van de Vlaamse regering houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan luiden als volgt : "Artikel
- De normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan in de zin van artikel 13bis, derde en vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zijn de stukken die betrekking hebben op de gegevens bedoeld in artikel 12, eerste lid, 2/ en 3/, en tweede lid, van dezelfde wet. Artikel
- De niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewest- plan, in de zin van artikel 13bis, vierde lid, van dezelfde wet, zijn de stukken die betrekking hebben op de gegevens bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1/, van dezelfde wet"; dat artikel 12, eerste en tweede lid, van de stedenbouwwet, luidt als volgt : "Het gewestplan bevat : 1/ de aanduiding van de bestaande toestand; 2/ de maatregelen van aanleg, vereist om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest; 3/ de maatregelen ter verbetering van het net der voornaamste verkeerswe- gen. Het kan eveneens bevatten : 1/ algemene voorschriften van esthetische aard; 2/ geheel of ten dele de zaken die in een gemeentelijk algemeen plan zijn opgenomen overeenkomstig de navolgende opsomming"; Overwegende dat blijkens de bewoordingen van artikel 12 de in het eerste lid, 1/, ervan bedoelde bestaande toestand een feitelijk gegeven is en alle overige onderdelen van het gewestplan "voorschriften" zijn; dat artikel 2 enkel aan de voorschriften verordenende kracht verleent; dat de bedoelde voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse uitsluitend uit normatieve bepalingen bestaan en dus geen niet-normatieve bepalingen bevatten; dat de door verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde argumentatie dat de verwerende partij niet duidelijk maakt "of de normatieve delen van het definitief vastgestelde GP indertijd ter inzage werden gelegd van het publiek in het gemeentehuis" en dat het evenmin duidelijk is of dit op heden reeds is gebeurd, aangezien het tegendeel niet X-9286-5/6 wordt aangetoond, neerkomt op het formuleren van een nieuw middel waarvan niet blijkt dat het niet in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon worden aangevoerd; dat het evenmin de openbare orde raakt; dat het niet ontvankelijk is; dat derhalve het middel niet tot vernietiging kan leiden; Overwegende dat de verwerping van het tweede middel tot gevolg heeft dat de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid dient te worden gehandhaafd; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9286-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.538 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.