id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.590 Rolnummer: A. 77386/VII-16389 Zaak: Arrest 144590 - - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 15:12 Fiche Arrest nr 144.590 van 19 mei 2005 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.590 van 19 mei 2005 in de zaak A. 77.386/VII-16.
- In zake : de n.v. L'AIR LIQUIDE BELGE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. L'AIR LIQUIDE BELGE op 4 februari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 19 december 1997 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 mei 1997 houdende het verlenen van de vergunning aan de verzoekende partij om een inrichting voor het produceren van gassen gelegen te 2627 Schelle, Tolhuisstraat 46-48, verder te exploiteren en te veranderen, gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 74.257 van 11 juni 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-16.389-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 5 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 17 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. CUYPERS die, loco Advocaat M. VAN PASSEL, verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat B. KUSTERS die, loco Advocaat M. BALLON, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak de volgende zijn : 1.
- De verzoekende partij stelt dat zij sinds 1932 in Schelle gevestigd is. De huidige basisvergunning dateert van 4 augustus 1976, werd afgeleverd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, en heeft betrekking op een inrichting voor de productie en verdeling van gassen voor een termijn verstrijkend op 13 januari
- Er werden meerdere uitbreidingsvergunningen verleend, telkens voor een termijn verstrijkend op 13 januari
- VII-16.389-2/6 1.
- Nadat hiertoe op 22 januari 1997 een aanvraag was ingediend verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 15 mei 1997 aan de verzoekende partij een vergunning om de inrichting verder in bedrijf te houden en te veranderen zodat ze thans zou omvatten : "- het lozen van huishoudelijk afvalwater met een debiet van 330 m³/jaar (3.2.) - het lozen van koelwater met een debiet van 10 m³/uur - 80 m³/dag - 15.000 m³/jaar (3.5.2.) - het stallen van 24 voertuigen, andere dan personenwagens (15.1.1.) - een distillatiekolom voor het zuiveren van koolmonoxide en stikstof met een debiet van 20 m³/uur (16.
- en 17.2.1.1.) - een airconditioningsinstallatie met een vermogen van 6 kW voor het laboratorium (16.3.1.1.) - lucht- en gascompressoren, vacuüm- en cryogenepompen met een totaal vermogen van 356,56 kW (16.3.2.3.) - een inrichting voor het industrieel vullen van verplaatsbare recipiënten (16.4.
- en 16.4.2.) - de opslag van 2.500 l gasolie in een bovengrondse tank (17.3.6.1.b.) - een labo voor kwaliteitsanalyse van gassen (24.4.) - opslagplaatsen voor gassen in verplaatsbare recipiënten (lege en volle flessen) met een totale waterinhoud van 903.800 l, zijnde 236.000 l groep 1, 10.800 l groep 2, 97.000 l groep 3 en 560.000 l groep 4 (16.7.3.) - opslagplaatsen voor gassen in vaste reservoirs met een totale waterinhoud van 88.500 l (16.8.3.) De opslag van bepaalde gassen wordt ook ingedeeld bij de gevaarlijke stoffen, zodat ook volgende rubrieken van toepassing zijn : * de opslag van 43,5 ton zeer giftige en giftige stoffen (17.3.2.3.) * de opslag van 60 ton oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen (17.3.3.3.) * de opslag van 6.000 l zeer licht en licht ontvlambare stoffen (17.3.4.2.) * de opslag van 1.500 l ontvlambare stoffen (17.3.5.1.)". Die vergunning wordt verleend voor een termijn die eindigt op 15 mei
- 1.
- Met een aangetekend schrijven van 23 juli 1997 tekent een omwonende beroep aan tegen deze beslissing. 1.
- Na eerder een gunstig advies te hebben verleend brengt de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL op 16 oktober 1997 een ongunstig advies uit , dat luidt als volgt : "Overwegende dat inzake het veiligheidsrisico voor de omgeving weliswaar de aanvraag niet onder de verplichting tot het opstellen van een veiligheidsrap- port valt; dat evenwel blijkt uit de bijlage gevoegd bij het aanvraagdossier dat belangrijke hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen opgeslagen en verhandeld worden; dat in bijlage 14 van het aanvraagdossier een zeer summiere opgave van de veiligheidsmaatregelen die zullen genomen worden aangegeven wordt; Overwegende dat gelet op de aard en de hoeveelheden van de betrokken gevaarlijke stoffen en de ligging van de inrichting omsloten door woongebied en VII-16.389-3/6 woonuitbreidingsgebied een veiligheidsstudie noodzakelijk geacht wordt om het externe risico te kunnen beoordelen; Overwegende dat de exploitant nog beschikt over een geldige vergunning tot 13 januari 2002; dat de inrichting volledig vernieuwd wordt zowel wat installaties als gebouwen betreft; dat de inrichting gelegen is op een industrieter- rein dat zeer beperkt is in oppervlakte en ingesloten door woongebied; dat eerst de resultaten van de veiligheidsstudie dienen afgewacht te worden vooraleer een definitieve vergunning zou kunnen verleend worden; dat echter vooraf al kan gesteld worden dat een dergelijke activiteit vanuit oogpunt van veiligheid beter in een aangepaste industriezone zou ingeplant worden". 1.
- Op 19 december 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen, die de vergunning weigert op grond van volgende motivering : "(...) Overwegende dat inzake het risico voor de omgeving weliswaar de aanvraag niet onder de verplichting tot het opstellen van een veiligheidsrapport valt; dat evenwel blijkt uit de bijlage gevoegd bij het aanvraagdossier dat niet onbelangrij- ke hoeveelheden aan gevaarlijke stoffen opgeslagen en verhandeld worden; dat bijvoorbeeld 100 ton (zeer) licht ontvlambare gassen kunnen aanwezig zijn, samen met diverse giftige gassen; dat niet wordt aangetoond welke de mogelijke gevolgen (domino-effecten) bij een brand of explosie kunnen zijn; dat niet onomstotelijk vast staat dat deze inrichting een aanvaardbaar risico vormt voor de woningen in de omgeving; Overwegende dat in bijlage 14 van het aanvraagdossier slechts een zeer summiere opgave van de veiligheidsmaatregelen die zullen genomen worden aangegeven wordt; Overwegende dat gelet op de aard en de hoeveelheden van de betrokken gevaarlijke stoffen en de ligging van de inrichting omsloten door woongebied en woonuitbreidingsgebied een veiligheidsstudie noodzakelijk geacht wordt om het externe risico te kunnen beoordelen; Overwegende dat de exploitant nog beschikt over een geldige vergunning tot 13 januari 2002; dat eerst de resultaten van de veiligheidsstudie dienen afgewacht te worden vooraleer een definitieve vergunning zou kunnen verleend worden";
- Beoordeling Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending inroept van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 7 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet), artikel 7, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), en de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbegin- sel; dat zij stelt dat artikel 7 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 7, §3, van Vlarem I bepalen onder welke voorwaarden en in welke gevallen een veiligheidsrap- port dient te worden opgemaakt, dat in zijn gunstig advies van 2 oktober 1997 het VII-16.389-4/6 bestuur Milieuvergunningen van AMINAL terecht stelt dat er geen veiligheidsrapport dient te worden opgemaakt om reden dat de betrokken hoeveelheden van de gevaarlijke stoffen die opgeslagen worden ver onder de minimumgrens tot verplichting van een veiligheidsrapport vallen, dat het ongunstig advies van 16 oktober 1997 van hetzelfde bestuur niet verwijst naar het gunstig advies van 2 oktober 1997 noch verduidelijkt waarom van dit gunstig advies wordt afgeweken, dat die redenen tot afwijking ook niet zijn terug te vinden in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie of in de bestreden beslissing, dat het advies zelf van 16 oktober 1997 eveneens gebrekkig is gemotiveerd, vermits enerzijds uitdrukkelijk wordt overwogen dat er geen veiligheidsrapport vereist is, doch anderzijds geadviseerd wordt de vergunning toch te weigeren daar er eerst een veiligheidsstudie moet worden uitgevoerd; Overwegende dat de verwerende partij in wezen betoogt dat de minister een afdoende gemotiveerde beslissing nam op basis van de uitgebrachte adviezen en de voorhanden zijnde elementen uit de vergunningsaanvraag, en gelet op zijn discretionaire beslissingsbevoegdheid, dat hij zo onder meer kennis nam van het tijdig en ongunstig advies van 16 oktober 1997 van de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL en oordeelde dat gelet op de belangrijkheid en de hoeveelheden van de gevaarlijke stoffen die opgeslagen en verhandeld worden, en de zeer summiere opgave van de veiligheidsmaatregelen gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag, het absoluut noodzakelijk is dat een veiligheidsstudie dient opgemaakt te worden, mede gelet op het feit dat de ligging van de inrichting omsloten wordt door woongebied en woonuitbreidingsgebied die het eerste slachtoffer kunnen zijn in geval van brand of ontploffing; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord benadrukt dat het opleggen van de verplichting tot het opmaken van een veiligheidsrapport zonder dat zij onder de daartoe gestelde voorwaarden valt, in strijd is met de voorgeschreven wettelijke regels; Overwegende dat de verwerende partij naar aanleiding van de vergunningsaanvraag de verzoekende partij heeft verplicht een studie voor te leggen omtrent de mogelijke gevolgen bij brand of explosie, opdat zou kunnen worden beoordeeld of de inrichting een aanvaardbaar risico vormt voor de woningen in de omgeving; dat dergelijke studie niet kan worden gelijkgesteld met het door artikel 7, § 4, van het milieuvergunningsdecreet en artikel 8, § 1, 2/, van Vlarem I bedoelde veiligheidsrapport; dat in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom die VII-16.389-5/6 studie wordt aangevraagd; dat, in acht genomen het niet betwiste gegeven dat de inrichting omsloten is door woongebied in woonuitbreidingsgebied en dat de vergunningsaanvraag slaat op de opslag van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen, zoals licht ontvlambare gassen, de vraag tot het indienen van een veiligheidsstudie niet kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat het auditoraatsverslag werd beperkt tot het onderzoek van het tweede middel; dat er derhalve grond is om een aanvullend onderzoek van de zaak te bevelen, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.389-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.590 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.74.257 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.