← België

Arrest 144591 - - 19/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.591 Rolnummer: A. 147545/VII-31638 Zaak: Arrest 144591 - - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:12 Fiche Arrest nr 144.591 van 19 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.591 van 19 mei 2005 in de zaak A. 147.545/VII-31.

  1. In zake : Stan NELEN, die woonplaats kiest bij Advocaat L. LEYSEN, kantoor houdende te WUUSTWEZEL, Kalmthoutsesteenweg 40 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stan NELEN op 12 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "het Besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 17 december 2003 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 5 juni 2003 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan de heer Stan NELEN, om een rundveebe- drijf, gelegen te 2910 Essen, Papenmoerstraat 8, te veranderen en uit te breiden, (...)"; Gelet op het arrest nr. 131.559 van 18 mei 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, ingediend door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-31.638-1/9 Gelet op de beschikking van 7 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 14 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. LEYSEN, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat N. SCHEEPMANS die, loco Advocaat G. MARTYN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.
  4. Verzoeker baat te Essen een rundveeteeltbedrijf uit. Hij beschikt over vergunningen voor 413 dieren. 1.
  5. Op 5 februari 2003 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in om zijn rundveebedrijf te veranderen door het verplaatsen van 413 stuks rundvee en een aantal uitbreidingen die betrekking hebben op de opslag van stro en groenvoeders en op een bijkomende grondwaterwinning. 1.
  6. Tijdens de procedure in eerste aanleg brengt ook de Vlaamse Landmaatschappij een advies uit waarin in essentie wordt voorgesteld een verplaat- sing voor slechts 271 runderen toe te staan. Uit dit advies blijkt dat verzoeker een VII-31.638-2/9 aanzienlijk deel van het rundvee al had verplaatst. De Vlaamse Landmaatschappij stelt in essentie dat voor een gedeelte van de veestapel de vergunning vervallen is en meent dan ook dat er een stijging is van de mestproductie indien de vergunningsaan- vraag volledig zou worden ingewilligd. De Provinciale Milieuvergunningscommissie stelt echter in haar advies dat de vergunning voor de dieren in de rubriek 9.4.3.c.2 nog volledig geldig is, omdat het niet voorafgaand aanvragen van een verplaatsing geen aanleiding is tot het verval van de milieuvergunning indien er geen onderbreking was in de exploitatie van de dieren en de betrokken stallen beschikken over een stedenbouwkundige vergunning of regulariseerbaar zijn. 1.
  7. Op 5 juni 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen de vergunning voor de verplaatsing van 413 stuks rundvee, met daarnaast nog uitbreidingen voor de opslag van stro en groenvoeder en een bijkomende grondwaterwinning. 1.
  8. De Vlaamse Landmaatschappij tekent beroep aan tegen dit besluit. In de loop van de administratieve beroepsprocedure geeft zij het hiernavolgende advies: "Op datum van 16 april 2003 is op deze inrichting een plaatsbezoek doorgevoerd om na te gaan hoeveel standplaatsen er aanwezig zijn. Over de verschillende stallen op de inrichting zijn standplaatsen aanwezig voor 90 runderen jonger dan 1 jaar, 90 runderen tussen 1 en 2 jaar, 197 melkkoeien en 54 andere runderen (in totaliteit 431 plaatsen voor grote zoogdieren). De inrichting werd vergund voor 305 grote zoogdieren via een aktename '90 op datum van 3 december 1990 welke verdeeld waren over drie stallen. De melkveestal werd vergund voor 189 standplaatsen, terwijl momenteel nog slechts 75 standplaatsen aanwezig zijn. Derhalve moet gesteld worden dat 114 standplaatsen overeenkomstig artikel 46 van Vlarem I van rechtswege vervallen zijn. De grote jongveestal (gelegen naast de machineloods) werd vergund voor 96 standplaatsen, terwijl er momenteel 154 standplaatsen zijn voorzien. Een derde stal werd vergund voor 20 standplaatsen, deze stalling werd echter bij een vergunningsaanvraag in 1999 al niet meer weergegeven als stalling. Derhalve is dit gedeelte van de vergunning reeds meer dan 2 jaar niet meer in gebruik en moet gesteld worden dat deze 20 standplaatsen overeenkomstig artikel 46 van Vlarem I van rechtswege vervallen zijn. Van de 305 standplaatsen vergund bij aktename '90 zijn er derhalve nog slechts 171 vergund overeenkomstig artikel 46 van Vlarem I. Op datum van 1 september 1993 werd er een uitbreiding van de vergunning bekomen voor 108 grote zoogdieren. Uitgaande van het bijhorende plan blijkt dat deze stal anders is geconstrueerd en bijgevolg zijn er slechts 100 vergunde standplaatsen voor melkkoeien aanwezig in deze stal. Uitgaande van de gekende vergunningsbeslissingen en plaatsbezoek kan gesteld worden dat er krachtens artikel 46 van VLAREM I slechts 271 vergunde standplaatsen voor runderen aanwezig zijn. Derhalve is er slechts een vergunning meer voor het houden van in totaal 271 grote zoogdieren en dat VII-31.638-3/9 voor een vergunningstermijn eindigend op 1 september 2011 voor 171 grote zoogdieren en tot 3 december 2010 voor de uitbreiding met 100 grote zoogdieren". De afdeling Milieuvergunningen van Aminal en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie sluiten zich daarbij aan. 1.
  9. Op 17 december 2003 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze is, onder meer, als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het veranderen en uitbreiden van een rundveebedrijf; Overwegende dat het beroep enkel betrekking heeft op het aantal vergunde dierplaatsen; Overwegende dat uit plaatsbezoek van ambtenaren van de Vlaamse Landmaatschappij gebleken is dat op het bedrijf 431 dierplaatsen aanwezig zijn; dat in het bestreden besluit 413 dierplaatsen vergund worden; dat echter niet duidelijk en ondubbelzinnig in het besluit gesteld wordt dat de 18 ligboxen die op het plan aangeduid zijn als zijnde buiten gebruik ook definitief buiten gebruik moeten gesteld worden en niet gebruikt mogen worden; Overwegende dat uit vergelijking van de oude en nieuwe stalplannen inderdaad blijkt dat er een aantal wijzigingen in de stallen gebeurd zijn, zonder dat de vergunningen aangepast zijn; dat dit resulteert in 271 vergunde plaatsen in plaats van 413; dat het bestreden besluit dus inderdaad resulteert in een stijging van de vergunde mestproductie; Overwegende dat de bovenste rundveestal op het plan vergund was voor 96 runderen en nu 148 runderen zou bevatten; dat deze uitbreiding met 52 runderen niet aangegeven is en dus als niet-vergund dient te worden be- schouwd; dat er 96 vergunde plaatsen overblijven; Overwegende dat de 6 iglo's voor runderen Overwegende dat de middelste rundveestal vroeger 189 vergunde plaatsen bevatte; dat door het onderbrengen van de melkstal, het melkhuis en de melktank hier ruimte weggevallen is; dat in deze stal nog 75 vergunde plaatsen overblijven; Overwegende dat de onderste stal uitgebreid is met 80 ligboxen, zodat hier 80 niet-vergunde plaatsen zijn aangebouwd; dat er 100 vergunde plaatsen overblijven; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt, behoudens wat het volgende oordeel van de aanvraag betreft ; - stallen voor 142 runderen; - het veranderen door uitbreiding van de grondwaterwinning op een diepte van 127 tot 132 m met een opgepompt debiet boven 5.140 m³/ jaar tot 7.300 m³/jaar; - het veranderen van de inrichting door uitbreiding met de lozing van bedrijfsafvalwater; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen"; VII-31.638-4/9
  10. Beoordeling 2.
  11. Overwegende dat het tweede middel wordt genomen uit de "schending van artikel 46 VLAREM I en artikelen 27 en 28 Decreet 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, beiden gecombineerd met de schending van de Omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan"; dat verzoeker in essentie betoogt dat hij zich niet bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 46 van Vlarem I en artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet -bepalingen die aangeven wanneer een milieuvergun- ning vervalt-, zodat zijn milieuvergunningen niet gedeeltelijk vervallen kunnen zijn, dat hij zich ook nooit bevond in één van de gevallen bedoeld bij artikel 27 van het milieuvergunningsdecreet, dat betrekking heeft op de verandering van een vergunde inrichting, zodat nooit een nieuwe milieuvergunning moest worden aangevraagd en dat in verschillende adviezen die in eerste aanleg werden uitgebracht werd aangeno- men dat er geen verval was van de vergunning en dus ook geen stijging van de mestproductie; dat het volgens verzoeker vast staat dat er nooit een onderbreking geweest is in de exploitatie van de dieren en dat de stallen stedenbouwkundig vergund werden; dat hij laat opmerken dat in het advies dat de Vlaamse Landmaat- schappij in het kader van de beroepsprocedure uitbracht wordt erkend dat er oorspronkelijk een vergunning was voor 413 runderen, doch dat zij verkeerde besluiten trekt uit de verplaatsing van de runderen ten opzichte van de oorspronkelij- ke standplaatsen; dat verzoeker stelt dat artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet blijkens de omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, derwijze moet toegepast worden dat een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaci- teit geen verval en ook geen inperking van de milieuvergunning tot gevolg heeft, en dat wanneer bepaalde stallen of bepaalde onderdelen van een inrichting sedert meer dan twee jaar niet meer bestaan, de milieuvergunning van rechtswege vervallen is zodat te dezen uit die omzendbrief volgt dat er geen inperking of verval is geweest van de bestaande milieuvergunningen voor het houden van 413 runderen; 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat er geen sprake is van een schending van de bepalingen en de omzendbrief die verzoeker aanhaalt; dat de verwerende partij wijst op het "stand-still-principe" dat in het meststoffendecreet vervat zit en doet gelden dat, uitgaande van de gekende milieuvergunningsbesluiten en het door de Vlaamse Landmaatschappij uitgevoerde plaatsbezoek op de inrichting van verzoeker, er slechts 271 vergunde standplaatsen VII-31.638-5/9 voor runderen op de exploitatie aanwezig zijn; dat zij in dat verband citeert uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij dat in het kader van de beroepsprocedure werd uitgebracht; dat zij beklemtoont dat, gelet op de vergunde mestproductie (271 grote zoogdieren), verzoekers aanvraag dient te worden beschouwd als een aanvraag tot verandering van de vergunning met een stijging van de vergunde mestproductie voor gevolg, hetgeen in strijd is met artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet; dat zij tenslotte stelt dat ook de schending van artikel 27 van het milieuvergunnings- decreet niet opgaat, vermits verzoeker zich wel bevond in een van de in dat artikel opgesomde gevallen; 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie aanstipt dat de stallen naar dewelke de dieren werden verplaatst niet stedenbouwkun- dig vergund zouden zijn; dat zij ook doet gelden dat haar redenering zo dient te worden begrepen dat de oorspronkelijke milieuvergunning van rechtswege vervallen was omdat bepaalde onderdelen van de inrichting niet meer in gebruik werden genomen of niet meer werden geëxploiteerd; 2.
  14. Overwegende dat artikel 27 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) bepaalt wat volgt: "§ 1 Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort. § 2 In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, § 1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing. Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. § 3 De Vlaamse regering bepaalt nadere regelen in verband met de verande- ring van de vergunde inrichting"; dat luidens artikel 2, 4/, van hetzelfde decreet onder "toevoegen" moet worden verstaan : "het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen, waarop de geldende vergunning geen betrekking heeft"; dat hetzelfde artikel onder "wijzigen" verstaat "het verplaatsen binnen de vergunde inrichting, of het aanwenden van een andere fabricagemethode"; dat de verwerende partij, om de inkrimping tot 271 stuks te rechtvaardigen, verwijst naar artikel 28 van het VII-31.638-6/9 milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I); dat deze bepalingen respectievelijk als volgt luiden : "Art. 28 milieuvergunningsdecreet: § 1 De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: 1/ die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn; 2/ die vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd; 4/ die door de exploitant op vrijwillige basis volledig en definitief is stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en regels met betrekking tot de inkennisstelling van de stopzetting en het verval van de vergunning vaststellen. § 2 Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte." "Art. 46 Vlarem I: De in artikel 5 bedoelde milieuvergunning vervalt van rechtswege voor de inrichting die of voor het gedeelte van de inrichting dat : 1/ niet is in gebruik genomen binnen de overeenkomstig artikel 30 vastgestel- de termijn van in gebruikname; 2/ vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3/ gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. 4/ niet verder wordt geëxploiteerd overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en zijn uitvoeringsbesluiten"; Overwegende dat niet wordt betwist dat verzoeker steeds ongeveer het aantal dieren heeft gehouden waarvoor hij een vergunning kreeg; dat hij een gedeelte van die dieren weliswaar gedurende een zekere tijd niet heeft gehouden in de stallen waarop de oorspronkelijke vergunningen sloegen, maar heeft verplaatst, wat hij met voorliggende vergunningsaanvraag wil regulariseren; dat de verwerende partij niet voorhoudt dat te dezen de verplaatsing van de dieren een indeling van de inrichting in een hogere klasse of een toevoeging tot gevolg heeft; dat verzoeker bijgevolg enkel een melding van de verplaatsing had moeten doen; dat het nalaten daarvan niet tot gevolg heeft dat de vergunning, wat de niet-meegedeelde veranderingen betreft, vervallen is in de zin van artikel 28 van het milieuvergunnings- decreet en van artikel 46 van Vlarem I, welke bepalingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd; dat er te dezen geen verhoging is van de vergunde mestproductie omdat het aantal dieren waarvoor verzoeker oorspronkelijk een vergunning kreeg VII-31.638-7/9 immers niet toeneemt, vermits de dieren alleen maar worden verplaatst; dat de beoordeling van de eventuele stijging van de mestproductie gebeurt aan de hand van de milieuvergunning, niet van de stedenbouwkundige vergunning; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  15. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 17 december 2003 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan Stan NELEN, om een rundveebe- drijf, gelegen te 2910 Essen, Papenmoerstraat 8, te veranderen en uit te breiden. Artikel
  16. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  17. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse gewest. VII-31.638-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-31.638-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.591 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.