← België

Arrêt / Arrest 144616 - / - 19/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.616 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 144616 - / - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-07-02 16:28 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 144.616 van 19 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.616 van 19 mei 2005 A. 74.432/V-1498 A. 78.390/V-1530 A. 105.470/V-1621 In zake : STEPPE Edwig, die woonplaats kiest bij Mr. Erik VANDEN BRANDE, advocaat, Sint-Michielslaan 55, bus 10 1040 Brussel, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, die woonplaats kiest bij Mr. Patrick PEETERS, advocaat, Brederodestraat

  1. 1000 Brussel. Tussenkomende partijen :
  2. DEVROEDE Nadia,
  3. MOLLE Geneviève, die woonplaats kiezen bij Mr. Philippe LEVERT, advocaat, Louizalaan 149/22 1050 Brussel,
  4. PENSIS Chantal, die woonplaats kiest bij Mr. Philippe COENRAETS, advocaat, Terkamerenlaan 27 1000 Brussel. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien een eerste verzoekschrift dat Edwig STEPPE, substituut-procu- reur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 22 mei 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de koninklijke besluiten van 13 maart 1997 waarbij Philippe VAN HECKE, Chantal PENSIS, Erella TOLEDO, V - 1498 - 1/9 Nadia DEVROEDE en Geneviève MOLLE, allen eveneens substituut-procureur des Konings bij dezelfde rechtbank, tot eerste substituut-procureur des Konings worden aangewezen met ingang van 1 mei 1995 en waarbij de koninklijke besluiten van 5 april 1995 houdende aanwijzing van dezelfde personen tot die functie worden ingetrokken (zaak A.74.432/V-1498); Gelet op het arrest nr. 69.470 van 5 november 1997 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen en de kosten worden bepaald; Gezien het op 4 en 13 maart 1998 ingediende verzoekschriften waarbij Chantal PENSIS, Geneviève MOLLE en Nadia DEVROEDE vragen om als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 5 juni 1998 die de tussenkomende partijen tot de debatten toelaat; Gelet op het arrest nr. 94.342 van 27 maart 2001 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de Auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast wordt de ontvankelijkheid van het beroep te onderzoeken; Gelet op het arrest nr. 111.802 van 23 oktober 2002 waarbij het beroep wordt verworpen in de mate dat het gericht is tegen het koninklijk besluit van 13 maart 1997 waarbij Geneviève MOLLE voor een termijn van drie jaar wordt aangesteld tot eerste substituut-procureur des Konings met ingang van 1 mei 1995, en waarbij de debatten worden heropend, een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Arbitragehof en het door de Auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat gelast wordt met het verder onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Arbitragehof; Gezien het arrest nr. 127/2003 van 1 oktober 2003 van het Arbitragehof; Gezien een tweede verzoekschrift dat Edwig STEPPE voornoemd op 24 april 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de koninklijke besluiten van 26 januari 1998 waarbij de aanwijzing van Philippe VAN HECKE, Chantal PENSIS, Erella TOLEDO, Nadia DEVROEDE en Geneviève MOLLE tot eerste substituut-procureur des Konings wordt verlengd voor een termijn van drie jaar met ingang van 1 mei 1998 ( zaak A.78.390/V-1530); V - 1498 - 2/9 Gezien het op 27 augustus en 23 september 1998 ingediende verzoekschriften waarbij Nadia DEVROEDE en Geneviève MOLLE vragen om als tussenkomende partijen te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 13 oktober 1998 die de tussenkomende partijen tot de debatten toelaat; Gezien een derde verzoekschrift dat Edwig STEPPE voornoemd op 1 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de koninklijke besluiten van 4 maart 2001 waarbij de aanwijzing van Philippe VAN HECKE, Chantal PENSIS, Erella TOLEDO en Nadia DEVROEDE tot eerste substituut- procureur des Konings een tweede maal wordt verlengd voor een termijn van drie jaar met ingang van 1 mei 2001 (zaak A.105.470/V-1621); Gezien het op 21 september 2001 ingediende verzoekschrift waarbij Chantal PENSIS vraagt om als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 8 november 2001 die de tussenkomende partij tot de debatten toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memories van de tussenkomende partijen; Gezien het verslag opgesteld door de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, op grond van artikelen 12 en 13 van het algemeen procedurereglement; Gelet op de beschikkingen van 16 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verwerende partij; Gelet op de beschikkingen van 27 december 2004, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2005 om 14.30 uur; V - 1498 - 3/9 Gehoord het verslag van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter; Gehoord de opmerkingen van Mr. Erik VANDEN BRANDE, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, van Mr. Francis VAN NUFFEL, loco Mr. Patrick PEETERS, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt, en van Mr. Aurélien VANDEBURIE, loco Mrs. Philippe COENRAETS en Pierre LEGROS, advocaat, die voor de derde tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. Overwegende dat de drie beroepen gericht zijn tegen evident verknochte rechtshandelingen: een eerste reeks gelijktijdig en als resultaat van gelijklopende procedures verrichte aanstellingen met beperkte duur, gevolgd door weer telkens gelijktijdig en als resultaat van gelijklopende procedures verlengingen van die aanstellingen; dat de drie zaken zich procedureel bevinden in dezelfde fase en alle toegewezen zijn aan de Vde kamer; dat er dan ook geen reden meer is om niet in te gaan op het verzoek van de verwerende partij om ze in het belang van een goede rechtspleging samen te voegen; 2.1.
  6. Overwegende dat in de zaak A.105.470/V-1621 de tussenkomende partij Chantal PENSIS opwerpt dat er geen voldoende samenhang bestaat tussen de verschillende bestreden besluiten opdat zij op ontvankelijke wijze zouden kunnen worden bestreden in één enkel verzoekschrift; dat volgens haar de vier bestreden aanwijzingen niet dermate verbonden zijn met elkaar dat men de wettigheid van elk van hen niet zou kunnen onderzoeken los van de anderen en dat weliswaar de verzoeker dezelfde middelen aanvoert tegen elk van die besluiten, doch blijft dat de motieven voor de aanwijzing voor elke substituut verschillend zijn en dat daarenboven de koninklijke besluiten van 4 maart 2001, buiten de bestreden aanwijzingen, de aanwijzing bevatten van een jeugdrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Verviers en de aanwijzing van een eerste substituut bij het parket te Luik; V - 1498 - 4/9 2.1.
  7. Overwegende dat een zelfde exceptie reeds werd beslecht in het hiervoor vermelde arrest nr. 111.802, dat weliswaar enkel betrekking had op de zaak A.74.432/V-1498; dat daar namelijk is gewezen dat de nietigverklaring van meerdere gelijkaardige benoemingen in één verzoekschrift kan worden gevorderd, wanneer die benoemingen op grond van eenzelfde benoemingsprocedure zijn gebeurd, of ingevolge procedures die volledig gelijktijdig zijn verlopen en die geen afzonderlijke behandeling of debatten vereisen, dat te dezen blijkt dat de aanstellingen tot eerste substituut-procureur des Konings op hetzelfde ogenblik zijn gebeurd, dat zij het resultaat zijn van gelijklopende procedures, waarbij telkens de kandidatuur van verzoeker mede onderzocht werd en dat verzoeker dezelfde middelen aanvoert tegen de vijf aanstellingen; dat die redenen eveneens gelden ten aanzien van de verlenging van de aanstellingen; dat de opmerking van de voornoemde tussenkomende partij aangaande het feit dat ter zelfder tijd ook andere aanwijzingen verricht werden dan de hier bestredene, niet ter zake dienend is aangezien verzoeker niet beweert dat ze met die laatste verknocht zijn en hij ze ook niet bestrijdt; 2.2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij in de zaken A.78.390/V- 1530 en A.105.470/V-1621 opwerpt dat die beroepen niet ontvankelijk zijn omdat het verzoekschrift tot nietigverklaring geen uiteenzetting van de middelen bevat; 2.2.
  9. Overwegende dat het kan volstaan als middel aan te voeren dat een andere handeling waaraan de bestreden handeling haar noodzakelijke rechtsgrond aan ontleent onregelmatig is, indien die andere handeling zelf regelmatig is bestreden; dat de exceptie niet opgaat; 2.3.
  10. Overwegende dat blijkens het voormelde arrest nr. 111.802, van 23 oktober 2002, het belang van verzoeker, die inmiddels zelf bij koninklijk besluit van 24 oktober 2001 voor een periode van drie jaar tot eerste substituut-procureur des Konings is aangesteld, is teloorgegaan in de mate dat zijn eerste beroep was gericht tegen de aanstelling van Geneviève MOLLE voor een termijn van drie jaar tot eerste substituut-procureur des Konings met ingang van 1 mei 1995; dat de in dat arrest gevolgde redenering luidde dat hoe dan ook Geneviève MOLLE door haar benoeming tot substituut-procureur-generaal niet meer in de rangorde van de aanspraken voorafgaat aan verzoeker met het oog op een nieuwe tijdelijke aanstelling of eventuele vaste aanstelling tot eerste substituut-procureur des Konings, en dat een eventuele nietigverklaring van de aanstelling van Geneviève MOLLE tot eerste substituut-procureur des Konings niet de noodzakelijke grondslag zou ontnemen aan haar benoeming tot substituut-procureur-generaal; dat die redenering eveneens geldt voor de daaropvolgende verlenging van drie jaar welke verzoeker in zijn tweede V - 1498 - 5/9 beroep bestrijdt, in zoverre ze betrekking heeft op de voornoemde tussenkomende partij; 2.3.
  11. Overwegende dat die zelfde redenering thans ook toegepast dient te worden op de opeenvolgende aanstellingen tot eerste substituut-procureur des Konings van Nadia DEVROEDE, die bij koninklijk besluit van 6 februari 2003 tot substituut-procureur-generaal is benoemd; dat verzoekers beroepen dan ook niet langer meer ontvankelijk zijn in zoverre zij de aanstellingen van die tussenkomende partij betreffen; 2.3.
  12. Overwegende dat Philippe VAN HECKE bij koninklijk besluit van 8 januari 2004 benoemd is tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brussel; dat Erella TOLEDO bij koninklijk besluit van 10 februari 2004 benoemd is tot toegevoegd rechter voor het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel; dat daardoor ook de voornoemde personen niet meer in de rangorde van de aanspraken voorafgaan aan verzoeker; dat het titularis zijn van het ambt van eerste substituut- procureur des Konings geen vereiste is om tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg benoemd te worden; dat een eventuele vernietiging van de bestreden aanstellingen van de voornoemden tot eerste substituut-procureur des Konings dan ook niet de noodzakelijke grondslag zou ontnemen aan hun benoeming tot rechter; dat de beroepen niet meer ontvankelijk zijn in zoverre zij betrekking hebben op Philippe VAN HECKE en Erella TOLEDO; 2.
  13. Overwegende, ten slotte, wat de opeenvolgende aanstellingen van eerste-substituut-procureur des Konings van Chantal PENSIS betreft, de enige welke verzoeker nog ontvankelijk bestrijdt, dat het voormelde arrest nr. 111.802 ook heeft vastgesteld dat het eerste beroep enkel nog ontvankelijk is in zoverre het ertoe strekt om de voorsprong met het oog op de vaste benoeming tot eerste substituut- procureur des Konings van degenen wier aanstelling voor drie jaar verzoeker bestrijdt waaronder Chantal PENSIS, ongedaan te zien maken; dat de daarvoor gevolgde redenering ook geldt ten aanzien van de twee daaropvolgende verlengingen van die aanstelling welke verzoeker bestrijdt met zijn tweede en derde beroep; dat, in tegenstelling met wat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt, een aldus beperkte nietigverklaring niet meebrengt dat de voornoemde tussenkomende partij haar gehele anciënniteit als eerste substituut verliest en zal moeten wachten op een nieuwe vacature; dat haar anciënniteitsverlies beperkt wordt tot de voorsprong die zij heeft ten opzichte van verzoeker; dat dit gevolg helemaal niet "pervers" is en afbreuk doet aan de gerechtvaardigde belangen van de tussenkomende partijen, zoals verwerende partij beweert, maar het normale gevolg is van de vaststelling, in V - 1498 - 6/9 voorkomend geval, dat verzoekers kandidaatstelling op onregelmatige wijze werd afgewezen, zodat wellicht hij en niet, inzonderheid, Chantal PENSIS, op 1 mei 1995 voor een eerste termijn van drie jaar tot eerste substituut-procureur des Konings diende te worden aangewezen; dat daarbij kan worden gepreciseerd dat een nietigverklaring beperkt tot het verschil in anciënniteit nog niet betekent dat verzoeker de anciënniteit verwerft van de tussenkomende partijen en vice-versa, enkel dat zij wat dat betreft gelijk worden geplaatst; 3.
  14. Overwegende dat verzoeker in zijn vijfde middel de schending van de hoorplicht en van de rechten van verdediging aanvoert; dat hij daaromtrent doet gelden dat hij nooit de kans heeft gehad om zich te verweren, dat hem een verhoopt voordeel werd geweigerd, dat hij niet op exacte wijze werd geïnformeerd over de motieven daarvan, dat het gaat om een verdoken tuchtsanctie, dat wanneer een overheid iemands ambtelijke situatie wijzigt zij verplicht is de betrokken persoon in de gelegenheid te stellen om op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen en dat na het arrest nr. 40.003, van 10 juli 1992, en na het advies van de procureur des Konings, het duidelijk was dat verzoeker in aanmerking kwam voor aanwijzing; dat hij in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat dat de in artikel 151 van het Gerechtelijk Wetboek vermelde procedure voor de aanstelling van eerste substituten er niet in voorziet dat de kandidaten kennis krijgen van het advies en dat zij gehoord kunnen worden, terwijl dit wel het geval is in de procedure die is uitgewerkt in artikel 259ter, §1, van het Gerechtelijk Wetboek; 3.
  15. Overwegende dat op de prejudiciële vraag welke de Raad van State bij het meer vermelde tussenarrest nr. 111.802 heeft gesteld, het Arbitragehof in zijn arrest 127/2003, van 1 oktober 2003, geantwoord heeft dat artikel 151 van het Gerechtelijk Wetboek het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt doordat het de betrokkene niet de mogelijkheid verleent om inzage te krijgen van het advies van de procureur des Konings en van de voordracht door de procureur-generaal, noch om te worden gehoord; dat deze uitspraak krachtens artikel 28 van de bijzondere wet op het Arbitragehof bindend is voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld; dat dienvolgens het vijfde middel gegrond moet worden verklaard; dat het dient te leiden tot de nietigverklaring van de bij de bestreden koninklijke besluiten van 13 maart 1997 gedane aanstellingen tot eerste substituut-procureur des Konings, binnen de hiervoor aangegeven perken; 3.
  16. Overwegende dat uit artikel 151, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het van toepassing was ten tijde van de verlengingen bij de V - 1498 - 7/9 koninklijke besluiten van 26 januari 1998 en 4 maart 2001 van de oorspronkelijke aanstellingen, volgt dat de hernieuwing van de eerste aanwijzing in rechte steunt op deze eerste aanwijzing, welke dus de rechtens onontbeerlijke grondslag vormt voor de daaropvolgende verlenging; dat het wegnemen van de wettige grondslag aan de eerste aanwijzing dan ook die rechtens onontbeerlijke grondslag ontneemt aan de verlenging van die aanwijzing; dat zulks desnoods ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; dat uit de nietigheid van de bij koninklijke besluiten van 13 maart 1997 verrichte aanstellingen derhalve volgt dat ook de bij het tweede en derde beroep bestreden besluiten binnen dezelfde perken als de eerste aanstellingen, nietig moeten worden verklaard, BESLUIT: Artikel
  17. De zaken A.74.432/V-1498, A. 78.390/V-1530 en A.105.470/V-1621 worden gevoegd. Artikel
  18. Vernietigd worden, in de mate dat daardoor de periode van negen jaar ambtsvervulling bedoeld in het toenmalige artikel 151 van het Gerechtelijk Wetboek die vereist is voor de vaste benoeming tot eerste substituut-procureur des Konings, een aanvang neemt vóór de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 24 oktober 2001 waardoor verzoeker voor een eerste termijn van drie jaar aangesteld wordt tot eerste substituut-procureur des Konings:
  19. het koninklijk besluit van 13 maart 1997 waarbij Chantal PENSIS tot eerste substituut-procureur des Konings wordt aangewezen met ingang van 1 mei 1995;
  20. het koninklijk besluit van 26 januari 1998 waarbij de aanwijzing van Chantal PENSIS tot eerste substituut wordt verlengd voor een termijn van drie jaar met ingang van 1 mei 1998;
  21. het koninklijk besluit van 4 maart 2001 waarbij de aanwijzing van Chantal PENSIS tot eerste substituut een tweede maal wordt verlengd voor een termijn van drie jaar met ingang van 1 mei
  22. Artikel
  23. V - 1498 - 8/9 De beroepen worden voor het overige verworpen. Artikel
  24. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde koninklijke besluiten. Artikel
  25. De kosten van de beroepen, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 743,7 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ten belope van elk 247,90 euro. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van e de V kamer, op negentien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. J. DE BRABANDERE. V - 1498 - 9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.616 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.