id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.619 Rolnummer: A. 111763/V-1628 Zaak: Arrêt / Arrest 144619 - / - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-08 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-07-02 16:31 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 144.619 van 19 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.619 van 19 mei 2005 A.111.763/V-1628 In zake : SOETEMANS Diederik, die woonplaats kiest bij Mr. Willy VAN DER GUCHT en Mr. Frank DIEU, advocaten, Sint-Denijslaan 201 9000 Gent, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie. Tussenkomende partij : BONHEURE Michèle, die woonplaats kiest bij Mr. Philippe GERARD, advocaat bij het Hof van Cassatie, Louisalaan 523 1050 Brussel. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Diederik SOETEMANS op 19 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 waarbij Michèle BONHEURE wordt benoemd tot advocaat- generaal bij het Arbeidshof te Brussel alsmede van het daaraan voorafgaand advies en van de voordracht gedaan op18 mei 2001 door de korpschef; Gezien het op 26 december 2001 ingediende verzoekschrift waarbij Michèle BONHEURE vraagt om als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 26 maart 2002, die de tussenkomende partij tot de debatten toelaat; V - 1628 - 1/11 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende parij; Gezien het verslag opgesteld door de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, op grond van artikel 12 van het algemeen procedurereglment; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004, die de neerlegging ter griffie van het verslag en het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 december 2004, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2005 om 14.30 uur; Gehoord het verslag van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter; Gehoord de opmerkingen van Mr. F. DIEU, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, van Mr. P. BOGAERTS, loco Mr. J. UYTTERSPROT, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt, en van Mr. D. de JONGHE, advocaat, loco Mr. Ph. GERARD, advocaat bij het Hof van Cassatie, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Ingevolge de nietigverklaring door de Raad van State, bij arrest nr. 81.872 van 16 juli 1999, op verzoek van de huidige tussenkomende partij, van V - 1628 - 2/11 verzoekers benoeming tot advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel, wordt in het Belgisch Staatsblad van 15 september 1999 de vacature van een betrekking van advocaat-generaal bij het voornoemde Arbeidshof bekendgemaakt. Ingevolge de benoeming van één van de advocaten-generaal tot lid van het Hof van Cassatie, komt er een tweede betrekking van advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel vacant. Deze vacature wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 juni
- Zowel verzoeker als de tussenkomende partij stellen zich kandidaat voor de beide betrekkingen. Het adviescomité brengt op 22 december 1999 respectievelijk op 23 augustus 2000, over verzoeker unaniem een zeer gunstig en in identieke bewoordingen gesteld advies uit. Het luidt als volgt: " De h. D. SOETEMANS genoot een uitstekende universitaire en postuniversitaire vorming o.a. in het Europees recht. Vooraleer magistraat te worden vervolledigde hij zijn juridische kennis als wetenschappelijk medewerker, assistent en juridisch adviseur in het sociaal recht. Als substituut-procureur des Konings te Brussel kon hij zich jarenlang intensief voorbereiden op een functie bij het arbeidshof, gezien hem verantwoordelijkheden werden opgedragen in het domein van de sociale wetgeving. De h. SOETEMANS is een harde werker die bezorgd is om de evenwichtige werking van de gerechtelijke instelling. Sinds 1994 is hij als substituut-generaal een voortreffelijk medewerker van zijn korpsoverste. Gelet op zijn rijke ervaring in alle sectoren van het sociaal recht en zijn buitengewone inzet in de periode dat andere magistraten afwezig waren, komt de h. SOETEMANS bij uitstek in aanmerking voor een benoeming in dit vacante ambt. Ook door zijn anciënniteit verdient hij een bevordering tot advocaat-generaal. Het advies is zeer gunstig." Over Michèle BONHEURE brengt het adviescomité, eveneens op 17 november 1999 respectievelijk op 23 augustus 2000, een identiek geformuleerd zeer gunstig advies uit voor de beide betrekkingen. Het luidt als volgt: " Après une carrière au barreau, Mme BONHEURE a été nommée substitut de l'auditeur du travail à Bruxelles, avant d'accéder à l'auditorat général près la cour du travail en
- Dotée d'une vive intelligence, régulière au travail et motivée, la candidate assume ses responsabilités avec esprit de décision et discernement. Développant par ailleurs, le goût de la recherche, Mme BONHEURE a toujours doublé ses fonctions au ministère public d'une intense activité scientifique et d'enseignement. La candidate peut être considérée comme une excellente spécialiste des matières relevant des juridictions du travail. La fonction d'avocat général conviendrait sans nul doute à sa personnalité et à sa conception de l' institution judiciaire en tant que service public. L' avis est très favorable." V - 1628 - 3/11 1.
- Ingevolge de inwerkingtreding, op 2 augustus 2000, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, moet de procedure tot invulling van deze vacatures in toepassing van artikel 20 van de wet van 13 maart 2001 herbegonnen worden, nu overeenkomstig de intussen gewijzigde bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, daar op 1 februari 2001 geen van beide betrekkingen al opnieuw bezet was. Krachtens artikel 259quinquies van het Gerechtelijk Wetboek worden de advocaten-generaal bij het Arbeidshof voortaan aangewezen door de Koning op gemotiveerde voordracht van twee kandidaten door de korpschef. In uitvoering daarvan worden de twee vacatures geannuleerd in het Belgisch Staatsblad van 31 maart
- 1.
- Op 18 mei 2001 doet de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel een voordracht van twee kandidaten voor elk van beide adjunct-mandaten. Er zijn slechts twee kandidaten namelijk verzoeker en de tussenkomende partij. Over beiden wordt een zeer gunstig advies gegeven, respectievelijk als volgt: " De h. SOETEMANS genoot een uitstekende universitaire en post-universitaire vorming, o.a. in het europees recht. Vooraleer magistraat te worden, vervolledigde hij zijn juridische kennis als wetenschappelijk medewerker, assistent en juridisch adviseur in het sociaal recht. Als substituut-procureur des Konings te Brussel, kon hij zich jarenlang intensief voorbereiden op een functie bij het arbeidshof, gezien hem verantwoordelijkheden werden opgedragen in het domein van de sociale wetgeving. De h. SOETEMANS is een harde werker die bezorgd is om de evenwichtige werking van de gerechtelijke instelling. Sinds 1994 is hij als substituut-generaal een voortreffelijk medewerker van zijn korpsoverste. Gelet op zijn ervaring in alle sectoren van het sociaal recht en zijn inzet, verdient de h. SOETEMANS een benoeming tot advocaat-generaal. Het advies is zeer gunstig." Over de tussenkomende partij geeft hij het volgende advies: " Après une carrière au barreau, Mme BONHEURE a été nommée substitut de l'auditeur du travail à Bruxelles, avant d'accéder à l'auditorat général près la cour du travail en
- Dotée d'une vive intelligence, régulière au travail et motivée, la candidate assume ses responsabilités avec esprit de décision et discernement. V - 1628 - 4/11 Développant par ailleurs le goût de la recherche, Mme BONHEURE a toujours doublé ses fonctions au ministère public d'une intense activité scientifique et d'enseignement. La candidate est une excellente spécialiste des matières relevant des juridictions du travail et la fonction d'avocat général lui revient. Cette fonction correspond d'ailleurs à sa personnalité et à sa conception de l’institution judiciaire en tant que service public. L 'avis est très favorable." Op basis daarvan doet de procureur-generaal de volgende voordrachten: voor de eerste plaats: - eerste kandidaat: mevrouw Michèle BONHEURE - tweede kandidaat: de heer Diederik SOETEMANS voor de tweede plaats: - eerste kandidaat: de heer Diederik SOETEMANS - tweede kandidaat: mevrouw Michèle BONHEURE Deze voordrachten motiveert hij als volgt: " Op het vlak van de beroepshoedanigheden zijn beide kandidaten in feite gelijkwaardig. Op het vlak van de anciënniteit beschikt de heer SOETEMANS over een minieme voorrang als substituut-generaal ten opzichte van mevrouw BONHEURE, maar deze laatste is magistraat sedert 1981 (de heer SOETEMANS sedert 1985) en ontwikkelde haar ganse loopbaan binnen de arbeidsgerechten. Men kan mijns inziens een lichte voorkeur geven aan mevrouw BONHEURE voor wat de eerste vacante plaats betreft." 1.
- Bij het bestreden koninklijk besluit van 20 juli 2001 wordt Michèle BONHEURE aangewezen tot advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel voor een periode van drie jaar. Bij koninklijk besluit van 10 augustus 2001 wordt verzoeker eveneens aangewezen tot advocaat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel voor een periode van drie jaar. Beide besluiten bepalen dat ze pas in werking treden met de eedaflegging. Verzoeker en de tussenkomende partij leggen beide de eed af op 4 september
- 1.
- Bij koninklijke besluiten van 6 juli respectievelijk 14 juli 2004 worden de aanstelling van de tussenkomende partij respectievelijk van de verzoeker in het adjunct-mandaat van advocaat-generaal hernieuwd voor een termijn van 3 jaar, beide met ingang van 4 september
- Overwegende dat aangezien verzoeker minder dan een maand na Michèle BONHEURE zelf tot advocaat-generaal is aangesteld, zijn belang beperkt is V - 1628 - 5/11 tot het teniet doen van de voorsprong in de rangorde welke laatsgenoemde door haar eerdere aanstelling heeft verworven; dat de vordering alleen in die mate ontvankelijk is; 3.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de formele en de materiële motiveringsplicht; dat hij laat gelden dat noch in de voordracht noch in het bestreden besluit wordt gemotiveerd waarom zijn vaststaande grotere graadanciënniteit moest wijken voor een anciënniteit begrepen uit het aantal jaren dienst binnen de rechterlijke macht, met name niet verantwoord wordt waarom een ervaring binnen de arbeidsgerechten belangrijker en nuttiger zou zijn dan een ervaring als assistent en adviseur in het sociaal recht buiten de arbeidsgerechten; dat volgens hem men in het advies en de voordracht ofwel de regel van de grootste graadanciënniteit hanteert zoals voorheen, ofwel als criterium de totale ervaring die de kandidaten hebben opgebouwd in de mate dat deze waardevol is voor het te begeven ambt, doch dan niet alleen rekening gehouden moet worden met zulke ervaring die één kandidaat heeft opgedaan binnen de arbeidsgerechten, maar ook met de soortgelijke gelijkwaardige ervaring die de andere kandidaat heeft opgedaan buiten de arbeidsgerechten; dat verzoeker voorts stelt dat het advies dat over hem werd uitgebracht tegenstrijdig is met eerdere adviezen van recente datum (december 1999 en augustus 2000) die over hem werden uitgebracht in verband met dezelfde betrekking: het advies dat nu over hem werd uitgebracht blijkt gebaseerd te zijn op de vorige adviezen, doch alle bewoordingen die een voorkeur voor verzoeker zouden rechtvaardigen werden geschrapt; dat zulks volgens verzoeker niet ernstig is en geen ernstige vergelijking van titels en verdiensten vormt; dat de redenen van de belangrijke verschillen tussen de beide adviezen kenbaar zouden moeten zijn, maar zulks niet het geval is; dat het verschil ook niet kan worden verantwoord, aangezien tussen de twee adviezen geen nieuwe gegevens opgedoken zijn; 3.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat hij zich niet alleen beroept op de schending van de motiveringsplicht, maar duidelijk ook aanvoert dat er geen ernstige vergelijking van titels en verdiensten is gemaakt, dat hij wel degelijk de juistheid en de pertinentie betwist van de motieven die ter verantwoording van de bestreden benoeming werden aangevoerd, hij nergens beweerd heeft dat er voor de benoeming tot advocaat-generaal uitsluitend rekening zou mogen gehouden worden met de graadanciënniteit, wel dat voor zover in het verleden een determinerend belang werd gehecht aan het criterium anciënniteit, daarmee steeds de graadanciënniteit werd bedoeld, dat wanneer het niet tot het wezen van de motiveringsverplichting behoort te motiveren waarom de andere V - 1628 - 6/11 kandidaten niet werden benoemd, dan toch de niet benoemden uit de bestreden beslissing moeten kunnen afleiden waarom aan de benoemde de voorkeur werd gegeven; dat hij het tenslotte opvallend vindt dat de verwerende partij geen poging doet om te verklaren waarom het advies t.a.v. verzoeker op minder dan een jaar tijd drastisch in zijn nadeel gewijzigd wordt, terwijl het ook niet kan worden toegeschreven aan de gewijzigde reglementering, daar het vroegere adviescomité werd voorgezeten door de korpsoverste die nu zelf het advies uitbracht, dat adviescomité toentertijd met unanimiteit en dus met instemming van de korpsoverste zijn advies had uitgebracht en het nieuwe advies in feite gelijkluidend is met het vorige maar met schrapping van alle voor verzoeker gunstige passages; 3.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie doet gelden dat het niet volstaat vast te stellen dat de eerste adviezen uitgingen van een comité, terwijl de voordracht thans uitgaat van de procureur-generaal zelf, die alleen optreedt, om te besluiten dat de lichte voorkeur die thans aan de tussenkomende partij werd gegeven niet als niet in redelijkheid te verantwoorden tegenstrijdig met het vorige advies kan worden beschouwd, doch dat het veel essentiëler is dat de betrokken adviezen op een relatief korte tijdspanne werden uitgebracht met betrekking tot dezelfde functie en dezelfde twee kandidaten en dat aldus niet in redelijkheid te begrijpen valt waarom de verzoekende partij in de eerste twee adviezen een duidelijke voorkeur kreeg op de tussenkomende partij, terwijl thans met betrekking tot dezelfde functie een lichte voorkeur aan de tussenkomende partij werd gegeven, dus is in feite een bocht van 180 graden genomen wordt, waarvoor geen enkele verklaring te vinden is in de voordracht of in het benoemingsbesluit; dat verzoeker er daarbij op wijst dat de formele motivering vooral bestaat ten behoeve van de afgewezen kandidaat en niet zozeer om de benoemde in te lichten; dat hij dezelfde ondeugdelijkheid vindt in de gewijzigde inhoud, die in de voordracht plots gegeven werd aan het begrip anciënniteit ten aanzien van de twee vorige adviezen, telkens met betrekking tot dezelfde functie en dezelfde twee kandidaten; dat hij weliswaar kan aanvaarden dat de benoemende overheid in principe over een grote discretionaire bevoegdheid beschikt en zowel een doorslaggevend belang kan hechten ofwel aan het begrip graadanciënniteit als ofwel aan de ganse waardevolle ervaring die de kandidaten hebben opgebouwd, doch in dezen ten aanzien van dezelfde functie en bij de vergelijking van dezelfde kandidaten in de eerste twee adviezen een doorslaggevend belang werd gehecht aan de graadanciënniteit, terwijl amper negen maanden later bij de voordracht ineens een doorslaggevend belang werd gehecht aan de totale anciënniteit als magistraat binnen de arbeidsgerechten zonder dat er V - 1628 - 7/11 dienaangaande noch in de voordracht, noch in het bestreden besluit enige motivering te vinden is; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker in essentie aanvoert, in eerste orde, dat er geen behoorlijke vergelijking van de kandidaten is geweest omdat niet wordt aangegeven en niet kan worden begrepen waarom de vaststaande grotere graadanciënniteit van verzoeker diende te wijken voor een anciënniteit begrepen uit het aantal jaren dienst binnen de rechterlijke macht en niet wordt verantwoord waarom een ervaring binnen de arbeidsgerechten belangrijker en nuttiger zou zijn dan een ervaring als assistent en adviseur in het sociaal recht buiten de arbeidsgerechten; dat verzoeker in tweede orde aanvoert dat de gewijzigde opvatting in de advisering niet wordt verantwoord waarom ten aanzien van dezelfde benoeming eerst een doorslaggevend belang wordt gehecht aan de graadanciënniteit en daarna aan de totale anciënniteit binnen de rechterlijke macht; 3.1.2.
- Overwegende, wat het argument in eerste orde betreft, dat wanneer de beide kandidaten even geschikt zijn en hun graadanciënniteit weinig verschilt, op zich zowel de ene als de andere motivering - voorkeur voor de kandidaat met de grootste graadanciënniteit dan wel voorkeur voor de kandidaat met de langste ervaring in de betrokken rechtsmaterie - volstaat zonder dat deze nog nader moet worden gepreciseerd; dat wat het verschil in motivering betreft tussen de twee opeenvolgende benoemingen, een adviserend orgaan in de regel niet gebonden is door de beoordeling die het bij een vorige bevorderingsprocedure over de kandidaten heeft uitgebracht; dat een gewijzigde beoordeling wel redelijk moet zijn; dat in dezen de twee adviezen die verzoeker vergelijkt niet zijn uitgebracht door hetzelfde orgaan: het eerste advies gaat uit van een comité dat is samengesteld uit meerdere personen en dat wordt voorgezeten door de procureur-generaal, het tweede advies gaat uit van de procureur-generaal zelf; dat voorts het adviescomité geen rangschikking opstelde: de beide kandidaten kregen een "zeer gunstig" advies voor de beide vacante betrekkingen, ook al moet worden geconstateerd dat in het geval van verzoeker de motieven ervan iets meer lovend waren; dat het besluitvormingsproces in een college anders verloopt en zulks niet uitsluit dat dit ook tot een ander resultaat leidt; dat hierbij ook dient te worden aangestipt dat het advies van de procureur-generaal, nu hij alleen optreedt, nog steeds een zeer gunstig advies uitbrengt voor verzoeker maar een lichte voorkeur geeft aan een door hem evenwaardig bevonden kandidate, terwijl het ook gaat om twee gelijktijdig te begeven ambten, waarbij verzoeker als eerste kandidaat in het tweede wordt V - 1628 - 8/11 voorgedragen; dat zoiets niet als een niet in redelijkheid te verantwoorden tegenstrijdigheid met het vorige advies kan worden beschouwd; 3.1.2.
- Overwegende dat in zoverre verzoeker aanvoert dat er geen deugdelijke afweging van de titels en verdiensten is gebeurd, er op gewezen dient te worden dat de benoemende overheid een discretionaire bevoegdheid heeft bij in aanmerking nemen van de gegevens waarop zij bij de vergelijking van de titels en verdiensten wil steunen; dat de Raad van State die keuze slechts dan onwettig kan bevinden indien zij kennelijk onredelijk zou zijn; dat te dezen het niet onredelijk kan worden geacht dat de verwerende partij geen doorslaggevend belang heeft gehecht aan de grotere graadanciënniteit; dat indien zij niet de regel van de grootste graadanciënniteit hanteert, het niet kennelijk onredelijk is voor een betrekking bij het parket van de arbeidsgerechten alleen de ervaring opgedaan als magistraat in de arbeidsgerechten in aanmerking te nemen, zoals de procureur-generaal heeft gedaan, vermits deze meer concreet en in meer aspecten betrekking heeft op het te begeven ambt dan een ervaring in het arbeidsrecht die werd opgedaan buiten de arbeidsgerechten; dat wat die laatste ervaring overigens slechts gedeeltelijk bleek te zijn: juridisch adviseur arbeidsrecht en sociale zekerheid bij de werkgeversorganisatie Caritas van 1981 tot 1985 en als substituut-procureur des Konings gedurende vijf jaar verantwoordelijk voor de sectie Ecosoc, waar inbreuken inzake arbeidsrecht en sociaal recht behandeld werden; dat ook al zou het vast gebruik zijn geweest dat in het verleden steeds de voorkeur werd gegeven aan de kandidaat met de hoogste graadanciënniteit, geen regel de adviserende en de benoemende overheid verplicht om dat strikt te blijven toepassen, inzonderheid wanneer zoals te dezen het verschil in graadanciënniteit beperkt is tot drie maanden; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel aanvoert bestaande uit twee onderdelen; dat hij in een eerste onderdeel uiteenzet dat door nu plots zonder enige motivering afstand te nemen van het criterium van de graadanciënniteit om de keuze te maken tussen twee gelijkwaardige kandidaten het gelijkheidsbeginsel werd geschonden; dat hij in een tweede onderdeel betoogt dat het een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel dat het benoemingsbesluit van Michèle BONHEURE op minder dan 14 dagen door de Minister van Arbeid en Tewerkstelling werd ondertekend en teruggezonden naar de Minister van Justitie teneinde het ter ondertekening voor te leggen aan de Koning, terwijl zijn eigen benoemingsbesluit, hoewel het op dezelfde datum was ondertekend door de Minister van Justitie, pas vijf weken later ter ondertekening aan de Koning kon worden voorgelegd; V - 1628 - 9/11 3.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord inzake het tweede onderdeel nog stelt dat enkel door het feit dat zijn besluit later werd ondertekend dan dat van de tussenkomende partij, hij zijn grotere anciënniteit binnen het Auditoraat-generaal heeft verloren; dat hij herhaalt dat er geen enkele verklaring te vinden is voor het feit dat zijn besluit pas drie weken na dat van de tussenkomende partij ter ondertekening aan de Koning ter ondertekening werd aangeboden; 3.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanstipt dat de Eerste Auditeur-verslaggever weliswaar opmerkt op dat hij slechts in de tweede vacante betrekking werd benoemd, zodat het feit dat zijn besluit van latere datum is dan dat van de tussenkomende partij zonder belang zou geweest zijn om de voorrang van de tussenkomende partij op hem te bepalen maar dat, zoals het auditoraatsverslag terecht aangeeft, de rangorde tussen de magistraten bepaald wordt door de datum van de eedaflegging, en dus niet door het feit of men in een eerste of een tweede vacante betrekking is benoemd, en dat de volgorde van de eedaflegging bepaald wordt door de datum van het benoemingsbesluit en de volgorde van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad; 3.2.2.
- Overwegende dat wat het eerste onderdeel betreft kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; 3.2.2.
- Overwegende wat het tweede onderdeel betreft, dat de tussenkomende partij als eerste kandidaat was voorgedragen voor de eerste vacante betrekking zodat, zelfs al zouden de benoemingsbesluiten gelijktijdig ondertekend zijn geweest, verzoeker toch pas in de tweede vacante betrekking zou zijn benoemd; dat het feit dat het besluit waarbij verzoeker benoemd werd van latere datum is dan dat van de tussenkomende partij, dan zonder belang is geweest om de voorrang van de tussenkomende partij op hem te bepalen; dat ook het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. V - 1628 - 10/11 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van e de V kamer, op negentien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. J. DE BRABANDERE. V - 1628 - 11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div