id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.633 Rolnummer: A. 110194/XIV-6547 Zaak: Arrest 144633 - - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 15:21 Fiche Arrest nr 144.633 van 19 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.633 van 19 mei 2005 in de zaak A. 110.194/XIV-6.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. SCHÜTT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Van Noortstraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oekraïense nationaliteit, op 10 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; XIV-6547-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SCHÜTT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 2 maart 2000 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 27 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 8 augustus 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "Betrokkene werd verhoord op 5 december 2000 en op 1 februari 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaten, Mr. Schütt Stijn en Wernaers Stephanie, in loco voor Mr. Schütt. Betrokkene, een Oekraïens staatsburger van joodse origine, zou op 28 februari 2000 zijn land zijn ontvlucht en zou op 2 maart 2000 in België zijn aangekomen. Betrokkene heeft op 2 maart 2000 het statuut van vluchteling aangevraagd. Betrokkene is in het bezit van een geboorteakte en een vervangend identiteitsbewijs als identificatiedocumenten. Volgens betrokkenes verklaringen van 5 december 2000 en 1 februari 2001 voor het commissariaat-generaal voor vluchtelingen en staatlozen zou hij samen met zijn echtgenote M. L. en hun schoondochter O. E. Oekraïne zijn ontvlucht na agressie en moord door onbekenden, agressie en onwil vanwege de politie, telkens omwille van de joodse origine van betrokkenes gezin. Betrokkene zou reeds vanaf 1994 door onbekenden aangemaand zijn geworden om zijn economisch aantrekkelijk appartement in Kiev op te geven. Men zou aanvankelijk regelmatig bij hem zijn langsgegaan met voorstellen van die strekking. Uiteindelijk zou betrokkene anonieme dreigtelefoons hebben ontvangen met dezelfde aanmaning. Er zou vandalisme zijn gepleegd aan betrokkenes appartement en er zouden antisemitische beledigingen zijn aangebracht op de muren van betrokkenes woonst. Betrokkene zou hierover een klacht hebben ingediend bij de politie. De wijkagent zou echter hebben gezegd dat hij onmogelijk bewaking van betrokkenes appartement kon bieden. Betrokkene zou tot twee maal toe zijn telefoonnummer hebben laten veranderen, zou ook zijn telefoongegevens hebben laten schrappen op de telefooncentrale. De dreigtelefoons zouden echter jaren hebben blijven aanhouden. Betrokkenes schoondochter zou van de spanning vroeger zijn bevallen. In maart 1998 zouden betrokkene en zijn echtgenote zijn geslagen door drie onbekende mannen. De mannen zouden antisemitische slogans hebben geuit en zouden betrokkene met de dood hebben bedreigd. Betrokkene zou hiervan klacht hebben ingediend bij de politie. Op 28 augustus 1998 zou betrokkene door drie mannen zijn opgewacht in de buurt van zijn appartement. Ze zouden hem van de trap hebben geduwd. Betrokkene zou hierbij een voet hebben gebroken. Ze zouden ook antisemitische slogans hebben geuit. Betrokkene zou hiervan klacht hebben ingediend bij de politie. Betrokkene zou voor zijn verwondingen zijn gehospitaliseerd. Hij zou gedurende een maand arbeidsongeschikt zijn geweest. Op 4 februari 1999 zouden betrokkenes zoon M. M. en diens echtgenote O. E. in Cherson zijn aangevallen door onbekenden in uniform. Betrokkenes zoon zou hierbij zodanig zijn verwond dat hij eerst een maand in een ziekenhuis had gelegen, vervolgens door zijn ouders XIV-6547-2/8 naar Kiev was teruggebracht waar hij in de ouderlijke woning nog zes maanden verzorging zou hebben gekregen. Betrokkenes schoondochter O. E. zou een klachtenbrief hebben gericht tot het districtsparket in verband met het gebrekkige politieonderzoek naar deze agressie, dit zonder verder gevolg. Op 14 maart 1999 zouden betrokkene en zijn echtgenote in hun appartement zijn mishandeld door drie mannen waarvan één een politie-uniform droeg. Betrokkene en zijn echtgenote zouden zijn vastgebonden en geslagen. Betrokkene zou ook hiervan een klacht hebben ingediend bij de politie. Op 30 november 1999 zou betrokkene van de politie hebben vernomen dat zijn zoon was vermoord. Betrokkene zou door de onderzoeksrechter zijn uitgenodigd voor een gesprek in verband met het lopende onderzoek. De onderzoeksrechter zou hebben geweigerd om deze misdaad te beschouwen vanuit het kader van de eerder door betrokkene en zijn gezin geleden feiten van schijnbaar antisemitische agressie. Op 4 januari 2000, terwijl betrokkene met zijn echtgenote en schoondochter logeerde bij vrienden, zou hun appartement zijn uitgebrand. Betrokkene zou van dit feit geen klacht meer hebben ingediend. Hij zou zijn gezin gedurende twee weken hebben ondergebracht bij vrienden in Kiev. Hierna zou het gezin zijn verhuisd naar het dorp Tsarivka. Van daaruit zou betrokkene vervangende documenten voor de paspoorten, die in de brand waren vernietigd, hebben aangevraagd en de vlucht naar België hebben georganiseerd. Betrokkene vermeldt ook nog dat een politiefunctionaris hem ooit heeft gesproken van een stilzwijgend akkoord binnen het Oekraïense overheidsapparaat om problemen van antisemitisme dood te zwijgen. Hij weet echter niet meer wanneer of door welke functionaris hem dit is gezegd. Er dient te worden vastgesteld dat de elementen die betrokkene aanbrengt wijzen op vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Er moet worden opgemerkt dat betrokkene met name niet kan aannemelijk maken dat hij overal in Oekraïne vergelijkbare problemen zou meemaken. Het geheel van de door betrokkene geleden problemen was zijns inziens gemotiveerd vanuit antisemitisme en minstens ten dele vanuit de wil om betrokkenes aantrekkelijke appartement in handen te krijgen. Betrokkene vermeldt in dit kader betrokkenheid van privé- personen enerzijds, namelijk onbekenden, vermoedelijk leden van nationalistische partijen, anderzijds het overheidsapparaat. Omtrent het motief van betrokkenes appartement dient erop te worden gewezen dat dit feit op zich een gemeenrechtelijk gegeven is en bijgevolg niet onder de Vluchtelingenconventie valt. Bovendien moet worden opgemerkt dat betrokkene de mogelijkheid had om afstand te doen van zijn appartement en aldus aan deze problemen te ontkomen. In verband met het motief van antisemitisme vermeldt betrokkene betrokkenheid van onbekende individuen alsook van de overheid. Betreffende de agressie die door betrokkene werd geleden, spreekt betrokkene van leden van firma's die hem hadden voorgesteld om zijn appartement te verlaten, onbekende agressors, met één maal de deelname van een politie-agent. Als motieven van de agressors vermeldt betrokkene antisemitisme en de wil om betrokkenes appartement te verkrijgen. Buiten deze motieven geeft betrokkene geen aanwijzing van enige systematische doelgerichtheid in de door betrokkene geleden agressie. Betrokkene legt geen intentioneel verband met de door zijn zoon geleden agressie in Cherson. Aangezien de door betrokkene geleden agressie eerder lokaal gebonden dient te worden genoemd, kan uit zijn verklaringen niet worden afgeleid dat zijn vrees voor vervolging het lokale niveau overstijgt. Uit bronnen waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt bovendien dat er in Oekraïne belangrijke locaties zijn waar de plaatselijke joodse gemeenschap zonder problemen van antisemitisme kan bestaan (Ukraine: Update to UKR23909.E of 24 june 1996 on the situation of the Jewish community in Ukraine; their population in Odessa and Kiev; their treatment in both cities; the Jewish mayor of Odessa, and Jewish revresentation in the Supreme Council. Research Directorate of the Immigration and Refugee Board, Ottawa, 19.01.1000;vraag CEDOCA aan joodse organisatie 'Michpaha.' in Vinitsa, februari 1999.). Voorts blijkt dat mensen van joodse origine delen in de politieke macht op lokaal en op nationaal niveau (Ukraine: Update to UKR23909.E of 24 june 1996... ; Ukraine : la situation des Juifs, Direction des recherches. Commission de I'imnügration et du statut de réfugié, Ottawa, pag.13). Bijgevolg dient te worden besloten dat betrokkene een reëel binnenlands vluchtalternatief heeft en dat hij niet op deze grond aanspraak kan maken op een bescherming onder internationaal statuut. Daarenboven moet er worden gewezen op discrepanties tussen betrokkenes verklaringen enerzijds, en anderzijds die van zijn echtgenote en zijn schoondochter. Zo maakt betrokkene geen enkele referentie naar een concrete nationalistische partij wanneer hij over de daders van de door hem geleden agressie spreekt. Hij spreekt enkel van agressie door onbekenden of door firma's (CGVS 1 p.5-9). De personen die hem hadden voorgesteld om het appartement te verlaten, zagen er uit als goedvoorkomende serieuze mensen (CGVS I p. 8). Eén maal vermeld betrokkene expliciet dat zijn schoondochter hem had verteld dat de agressors in Cherson leken op politie-agenten in de zin dat ze militair gekleed waren (CGVS I p.7). Elders stelt betrokkene XIV-6547-3/8 in het algemeen dat de door hem geleden agressie uitging van nationalistische partijen zonder dat hij hieraan verdere specifiëring kan geven (CGVS II p.12-13). Uit betrokkenes verklaringen blijkt nergens enige systematiek in de vervolging tenzij om betrokkenes gezin uit Kiev te verjagen. Betrokkenes echtgenote stelt echter expliciet dat alle daden van agressie gesteld waren door leden van de nationalistische partij UNA-UNSO (CM echtgenote p 4). Bij de eerste twee aanvallen die zouden zijn gepleegd, droegen de agressors uniformen van UNA-UNSO (CGVS echtgenote p.7,10). De personen die de dreigtelefoons pleegden, zouden zich hebben voorgesteld als leden van UNA-UNSO (CGVS echtgenote p.5). Leden van UNA-UNSO zouden betrokkenes zoon zijn achtervolgd tot in Cherson en zouden hem daar hebben aangevallen. Aangaande de betrokkenheid van de Oekraïense overheid stelt betrokkene dat deze vooral zou hebben nagelaten bescherming te bieden aan betrokkenes familie omwille van een stilzwijgend akkoord binnen het overheidsapparaat om elk probleem van antisemitisme te verzwijgen. Dat zulks een algemene praktijk zou zijn in het Oekraïense overheidsapparaat wordt tegengesproken door bronnen, waarover het commissariaat-generaal beschikt, waaruit blijkt dat, ofschoon er enerzijds in de maatschappij en anderzijds, vanwege individuele functionarissen binnen het overheidsapparaat, voorvallen van antisemitisme zijn, er toch moet worden besloten dat er in Oekraïne geen door het overheidsapparaat gesteund antisemitisme is (Report on the fact-finding mission to Ukraine. Examinations of conditions for the Jewish minoritv, Danish Immigration Service, september 2000, pag.22-23; Ukraine Country Assessment. Country Information and Policy Unit UK, October 2000, §5.17; Ukraine: Update to UKR23909.E of 24 June 1996 on the situation of the Jewish communitv in Ukraine: their population in Odessa and Kiev; their treatment in both cities; the Jewish mayor of Odessa; and Jewish revresentation in the Suipreme Council. Research Directorate of the Inunigration and Refugee Board, Ottawa, 19.01.2000).De overheid zou integendeel significante initiatieven hebben ontplooid om de rechtspositie van minderheden te beschermen. Weliswaar is er sprake van corruptie en nalatigheid in het Oekraïense overheidsapparaat, maar elk Oekraïens burger loopt op gelijke wijze het risico om van deze praktijken het slachtoffer te worden (Positie van de joodse bevolkingsgroep in Oekraïne. Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst, 07.12.1999,pag.3,14,23).Er zijn geen aanwijzingen dat joden extra geviseerd worden, hetgeen betekent dat op basis van dit bronnenmateriaal niet gesteld kan worden dat betrokkene vervolgd wordt door de overheid omwille van een van de criteria zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie. Er dient te worden gewezen op de verscheidenheid van oorsprong van de geraadpleegde informatie (immigratiediensten van verschillende landen uit Europa en Noord-Amerika, een joods advokatenbureau in New York, informatie van ambassades in Oekraïne, informatie van joodse organisaties en prominenten binnen en buiten Oekraïne) die rechtvaardigt dat betrokkenes uitspraak over het hierboven vermeld stilzwijgend akkoord moet worden tegengesproken. Tenslotte verwijst betrokkene naar de medeplichtigheid van een politie-agent in de aanval van 14 maart 1999 jegens betrokkene en zijn echtgenote. In overweging nemend dat dit één maal zou zijn gebeurd, en uitgaande van de hierboven vermelde informatie uit bronnen over de houding van de Oekraïense overheid tegenover ethnische minderheden, kan er uit de eenmalige betrokkenheid van een agent in een misdaad met antisemitische inslag niet worden afgeleid dat het gehele politie-apparaat een vervolging van betrokkene of van joden in het algemeen intendeert. Aangezien betrokkene enkel vervolging heeft geleden vanwege privé-personen, aangezien uit betrokkenes verklaringen niet kan worden afgeleid dat er wat hemzelf en zijn familie betreft een systematische vervoling werd ontwikkeld die het lokale niveau overstijgt, aangezien uit bronnen blijkt dat mensen van joodse origine in meerdere regio's van Oekraïne zonder problemen van antisemitisme kunnen bestaan, aangezien betrokkene geen vervolging heeft geleden vanwege de overheid, dient er te worden besloten dat er in hoofde van betrokkene geen sprake kan zijn van een gegronde vrees voor vervolging die het lokale niveau overstijgt. Bijgevolg moet worden gesteld dat betrokkene een reële mogelijkheid van een binnenlands vluchtalternatief ter beschikking staat, zodanig dat hij geen aanspraak kan maken op een bescherming onder internationaal statuut. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene neergelegde documenten (geboortebewijs, vervangend identiteitsbewijs, overlijdensakte van betrokkenes zoon, brief van opening van onderzoek inzake de moord op betrokkenes zoon, brief inzake seponering onderzoek agressie tegen de zoon, uittreksel uit medisch dossier van de zoon, rijbewijs betrokkene, medisch bewijs vervroegde bevalling schoondochter, huwelijksakte, brandweerattest) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn XIV-6547-4/8 appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 27 juni
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren."; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in antwoord op het auditoraatsverslag op 22 december 2004 een "pleitnota" heeft ingediend waarin zij aanvoert dat het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de vreemdelingen de rechten van de verdediging zou schenden in de mate dat het aan de verzoekende partij geen middel meer verleent ter beïnvloeding van de magistraat voor de sluiting der debatten; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de kwestieuze voorschriften disproportioneel zijn met het nagestreefde doel en, meer bepaald, de rechten van de verdediging op onevenredige wijze beknotten door geen mogelijkheid van een laatste memorie te voorzien wanneer de auditeur in zijn verslag besluit tot de toepassing van artikel 26 van het K.B. van 9 juli 2000; dat uit het verslag aan de Koning van dat K.B. blijkt dat de ervaring heeft geleerd dat de laatste memories in vreemdelingengeschillen summier zijn en vaak louter voor de vorm worden ingediend; dat hoe dan ook de betrokkene de eventuele toelichting die hij na het auditoraatsverslag nog wil geven, ter terechtzitting kan geven; dat de Raad alsdan kan beslissen dat geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 26 en dat de procedure integendeel moet worden verdergezet overeenkomstig de artikelen 21 e.v. van het K.B. van 9 juli 2000; dat de versnelling van de procedure ook voordelen biedt voor de rechtzoekende, die immers vlugger uitsluitsel verkrijgt over zijn juridische situatie; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 6.1 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat haar "pleitnota" van 22 december 2004 uit de debatten moet worden geweerd, a fortiori nu deze geen gegevens bevat die de verzoekende partij niet reeds in haar verzoekschrift had kunnen vermelden; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat de commissaris-generaal verwijst naar een aantal documenten waarvan zij geen kennis kan nemen, dat de genoemde documenten niet XIV-6547-5/8 allemaal tot het "openbaar domein" behoren, dat nergens de vindplaats van deze documenten wordt aangegeven, dat de bronnen niet worden geciteerd, dat de verzoekende partij dus niet kan nagaan of de conclusies die de commissaris-generaal uit de geciteerde bronnen trekt, overeenstemmen met de inhoud van die documenten, dat de bestreden beslissing geen enkel inzicht verschaft in mogelijke nuanceringen van de aangehaalde bronnen, dat de verzoekende partij zich afvraagt waarom zoveel rapporten over dit onderwerp zijn geschreven als er geen enkel noemenswaardig probleem zou zijn, dat het loutere bestaan van die rapporten aangeeft dat de situatie van de Joden in Oekraïne problematisch is, dat deze documenten bovendien geen betrekking hebben op haar persoonlijke situatie, dat de commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met twee stukken die de verzoekende partij heeft overgelegd, met name een artikel uit een Oekraïens tijdschrift en een video-opname van een televisie-uitzending, dat beide stukken een heel ander geluid laten horen over de positie van de Joden in Oekraïne en dat de commissaris- generaal verplicht is om het resultaat van de overgelegde stukken in de bestreden beslissing te bespreken; 3.1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het betoog van de verzoekende partij met betrekking tot de informatie van de commissaris-generaal over de toestand van de Joden in Oekraïne niet kan worden bijgetreden aangezien de bronnen nauwkeurig worden vermeld en die stukken zich in het administratief dossier bevinden; dat de verzoekende partij, door op algemene wijze te beweren dat de bestreden beslissing geen inzicht verschaft in mogelijke nuanceringen van de aangehaalde bronnen en dat het loutere bestaan van de rapporten waarnaar de bestreden beslissing verwijst aangeeft dat de situatie van de Joden in Oekraïne problematisch is, de juistheid van de informatie van de commissaris-generaal, waarnaar in XIV-6547-6/8 de bestreden beslissing wordt verwezen, niet weerlegt; dat de verzoekende partij niet ingaat op de vaststellingen van de commissaris-generaal betreffende het bestaan van een binnenlands vluchtalternatief, de eenmalige betrokkenheid van de agent en de discrepantie tussen haar verklaringen en die van haar echtgenote en haar schoondochter; dat, eens de commissaris-generaal afdoende heeft vastgesteld dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is, hij niet gehouden is nader in te gaan op alle ter ondersteuning ervan ingeroepen elementen; dat de verzoekende partij op algemene wijze verwijst naar een artikel uit een Oekraïens tijdschrift en een video-opname, zonder deze evenwel op haar eigen concrete toestand te betrekken; dat zij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel machtsoverschrijding opwerpt en de schending van de artikelen 52, §1, 7/, en 63/3, §1, van de Vreemdelingenwet en van het gelijkheidsbeginsel; dat zij aanvoert dat de commissaris- generaal in eerste instantie dient te beslissen over de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal is overgegaan tot een volledige controle van de gegrondheid van haar asielaanvraag, dat de commissaris-generaal zich heeft uitgeput in een zeer uitvoerig interview en in een meer dan omstandige bronnenstudie, dat de commissaris-generaal abstractie maakt van haar individuele asielaanvraag, dat hij toepassing maakt van een lijst van als veilig beschouwde landen om haar asielaanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen, dat hij handelt in strijd met het principe van de individuele beoordeling van een asielaanvraag en dat het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel op die manier geschonden wordt; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in het middel slechts betogen dat de commissaris-generaal zich uitspreekt over de grond van de zaak; dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten wordt in die hoedanigheid in het rijk te verblijven wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, (A) 2, van de Vluchtelingenconventie; dat de commissaris-generaal in het kader hiervan een beperkt onderzoek naar de grond van de asielaanvraag kan doen; dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanhaalt ter staving van haar bewering dat de commissaris-generaal gebruik maakt van een lijst van als veilig beschouwde landen om haar asielaanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal in casu de grenzen van de hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto artikel 52 van de XIV-6547-7/8 Vreemdelingenwet toegekende ruime appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6547-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.