id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.669 Rolnummer: A. 111906/XIV-7036 Zaak: Arrest 144669 - - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 15:22 Fiche Arrest nr 144.669 van 19 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.669 van 19 mei 2005 in de zaak A. 111.906/XIV-7.036 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, kantoor houdende te 4621 FLÉRONS, rue Bureau 87 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 17 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 september 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 18 september 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 23 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2005; XIV-7.036-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. SPELEERS, die loco advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 27 september 2000 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 2 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 18 september 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense origine, verklaart in september 2000 samen met uw echtgenoot R. G. en uw twee minderjarige kinderen Ingoesjetië verlaten te hebben richting België. Op 27 september 2000 verklaart u in België te zijn aangekomen waar u dezelfde dag het statuut van vluchteling aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U was niet in het bezit van een geldig identiteitsdocument. Op 16 februari 2001 bent u in België bevallen van uw derde kind. Volgens uw verklaringen op het commissariaat-generaal ( dd. 22 maart 2001) bent u in Tsjetsjenië geboren en heeft u daar heel uw leven gewoond. U heeft Tsjetsjenië uiteindelijk moeten verlaten omwille van de oorlogssituatie. In Grozny werd uw man een keer geslagen en bedreigd door Tsjetsjeense strijders maar u weet niet meer wanneer. Kort voor de tweede oorlog hebben Russische militairen naar uw man geïnformeerd. Bij het begin van de oorlog ( september 1999) bent u samen met uw gezin naar Ingoesjetië gegaan. In de herfst werd uw man een keer meegenomen van bij u thuis door Russische soldaten en werd hij gedurende zes á zeven dagen vastgehouden. U heeft 4.000 dollar moeten betalen voor zijn vrijlating. In september 2000 heeft u samen met uw echtgenoot en uw kinderen Ingoesjetië verlaten en bent u naar België gekomen. Er dient te worden opgemerkt dat enerzijds uw opeenvolgende verklaringen (verhoor DVZ dd. 27 september 2000, interview commissariaat-generaal dd. 22 maart 2001) niet overeenstemmen en dat anderzijds uw verklaringen niet overeenstemmen met deze van uw echtgenoot. Zo verklaarde u op het commissariaat-generaal dat uw echtgenoot in Grozny een keer bedreigd en geslagen werd door Tsjetsjeense strijders (zie CGVS p.3). Uw echtgenoot maakte geen melding van dit incident. Zo verklaarden u en uw echtgenoot op het commissariaat-generaal dat jullie een jaar (van september 1999 tot september 2000) in Ingoesjetië hebben gewoond alvorens jullie naar België kwamen (CGVS p.2; CGVS man p.2-5). Op de dienst Vreemdelingenzaken maakten jullie echter geen melding van dit verblijf van één jaar in Ingoesjetië. Integendeel uw echtgenoot verklaarde daar expliciet dat hij met zijn gezin in september 2000 vanuit Tsjetsjenië naar België vertrok ( DVZ vraag 41-42). Vervolgens verklaarde u op het commissariaat-generaal dat uw echtgenoot in Ingoesjetië in uw woning door Russische militairen meegenomen werd (zie CGVS p.3). Uw echtgenoot verklaarde op het Commissariaat-generaal echter dat hij in Ingoesjetië op straat door Russische militairen meegenomen werd (zie CGVS man p.5-6). Op de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde hij dat dit incident met de Russische militairen in Tsjetsjenië plaatsvond (DVZ vraag 42). Op het commissariaat-generaal verklaarde u ( alsook XIV-7.036-2/5 uw echtgenoot) dat u 4.000 dollar heeft moeten betalen voor de vrijlating van uw echtgenoot (CGVS p.3; CGVS man p.6). Op de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde uw echtgenoot echter dat u 2.000 dollar heeft moeten betalen (DVZ vraag 42). Gelet op deze tegenstrijdigheden kan er geen geloof gehecht worden aan uw asielrelaas. Gezien het bovenstaande kan er in hoofde van u geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie vastgesteld worden. Ook in het kader van de asielprocedure van uw echtgenoot Ruslan Gartchanov (o.v. 5.020.003) werd een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 1, (A) 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat zij aanvoert dat zij de omstandigheden waarin zij haar land is moeten ontvluchten duidelijk heeft aangegeven, dat haar echtgenoot werd vastgehouden door Russische militairen die hem vrijlieten na het betalen van losgeld, dat de autoriteiten van haar land van herkomst weigerden om hulp te bieden, dat de situatie in Tsjetsjenië uiterst ernstig is, dat zij terecht kan vrezen voor haar leven indien zij naar haar vaderland dient terug te keren, dat internationale rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch de willekeurige aanhoudingen, vervolgingen en folteringen van Tsjetsjenen door de Russische militairen bevestigen en dat de commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid kennelijk heeft overschreden door haar verblijf op het grondgebied te weigeren na te hebben vastgesteld dat haar asielaanvraag bedrieglijk is; dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoert dat de bevoegde autoriteiten slechts bij uitzondering bevoegd zijn om asielaanvragen onontvankelijk te verklaren, namelijk indien de asielaanvraag kennelijk is gesteund op redenen vreemd aan het statuut van de asielaanvrager, dat deze tekst een uitzondering vormt op de algemene bevoegdheid van de gedelegeerde ambtenaar en bijgevolg restrictief dient te worden geïnterpreteerd, dat de verwerende partijen geenszins het bewijs leveren dat haar asielaanvraag bedrieglijk is aangezien er geen ernstige tegenstrijdigheden ontwaard kunnen worden in haar asielrelaas, dat de aanhoudingen, mishandelingen en afpersingen bevestigd worden door rapporten van NGO’s, dat de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft gesteld dat de tegenstrijdigheden en incoherenties zodanig zwaarwichtig dienen te zijn dat zij geen redelijke verklaring kunnen hebben en de geloofwaardigheid van het asielrelaas aantasten en dat de bestreden beslissing niet vermeldt dat de vermeende tegenstrijdigheden zodanig zwaarwichtig zijn dat de geloofwaardigheid van haar asielrelaas wordt aangetast; 2.
- Overwegende dat de commissaris-generaal, wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten wordt in die hoedanigheid in het rijk te verblijven wanneer de aanvraag bedrieglijk is; dat XIV-7.036-3/5 de commissaris-generaal kan besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag wanneer de verklaringen van de kandidaat-vluchteling tegenstrijdigheden vertonen omtrent essentiële punten van het vluchtmotief; dat de verzoekende partij geen enkele poging onderneemt om de vastgestelde tegenstrijdigheden te weerleggen; dat zij verwijst naar internationale rapporten en rechtspraak van de Raad van State, zonder deze evenwel op haar eigen concrete toestand te betrekken; dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot de herhaling van haar vluchtmotief; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris-generaal is gegeven; dat de beide middelen ongegrond zijn;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-7.036-4/5 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-7.036-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.669 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div