← België

Arrest 144675 - - 19/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.675 Rolnummer: A. 117332/XIV-8768 Zaak: Arrest 144675 - - 19/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 15:22 Fiche Arrest nr 144.675 van 19 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.675 van 19 mei 2005 in de zaak A. 117.332/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. QUINTELIER, kantoor houdende te 2140 ANTWERPEN, Plantin en Moretuslei 141 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door: de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 26 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 februari 2002 van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot bevestiging van de beslissingen van 29 maart 2001 van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 maart 2005; XIV-8768-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. LAMOOT, die loco advocaat R. QUINTELIER verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 oktober 2000 en zich op 10 oktober 2000 vluchteling verklaart; dat op 29 maart 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 12 februari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “Volgens uw verklaringen (cf. verhoor in dringend beroep door het Commissariaat- generaal, dd. 12 september 2001) woonde u sinds 1993 bij uw ouders in Kano State. Uw vader had er in 1986 een christelijke kerk gesticht, de ‘Celestian Church of Christ’. Uw moeder was in 1995 overleden door een auto-ongeval en u woonde met uw vader en uw zuster in een huisje achter het kerkgebouw. Sinds een tien- of vijftiental jaar is in Kano State de islamitische Sharia-wet in voege, die erg onderdrukkend is voor de christenen. In 1999 schreef u in de krant ‘Concord’ een artikel dat het moslimgeweld aankloeg nadat in 1998 in een naburige staat ongeveer tweehonderd christenen door moslims waren gedood. Als gevolg hiervan kreeg u dreigbrieven. U sloot in 1999 ook aan bij een christelijke vereniging die het geloof ging prediken. Op 10 januari 2000 vielen tijdens de avondmis in de kerk van uw vader moslims de aanwezige christenen aan. U en uw zuster, die in uw vaders huis waren gebleven, klommen over de omheining achter de kerk om aan het geweld te ontsnappen, maar uw zuster kwam ongelukkig ten val en bleef liggen. U nam de bus naar Lagos waar u een zakenman die met uw vader bevriend was, een zekere Segun, opzocht. Die regelde uw vertrek naar Rusland, waar u begin februari 2000 aankwam. In Moskou ontmoette u uw huidige vriendin (CG/00140633). Maar haar ouders wilden er niet van weten dat zij met u een relatie had en de politie pakte u om dezelfde reden gedurende vijf dagen op. Bovendien werd ze zwanger van u en wilde haar familie dat zij een abortus liet uitvoeren, wat zij op doktersadvies weigerde. Op 2 oktober 2000 nam uw vriendin u met de hulp van haar oom Sasja mee naar Wit-Rusland, van waaruit u op 8 oktober 2000 samen naar België vertrok. Daar kwam u op 10 oktober 2000 aan. Tot zover uw verklaringen. Dezelfde dag vroeg u in België asiel aan. Uit uw verklaringen blijkt niet dat u vervolging te vrezen zou kunnen hebben volgens één van de criteria vervat in de Geneefse Vluchtelingenconventie van
  3. U werd niet persoonlijk geviseerd, maar ging op de vlucht voor het geweld tussen moslims en christenen in Kano State. Dit geweld trof op 10 januari 2000 de kerk van uw vader, maar dit was geen alleenstaand geval aangezien volgens uw verklaringen evenzeer andere christenen en christelijke kerken getroffen werden. Het gaat hier bovendien om een lokaal gegeven, gesitueerd in de noordelijke staten van Nigeria waar de moslims in de meerderheid zijn. Wat het artikel betreft dat u in een dagblad geschreven had om het moslimgeweld aan te klagen, uit uw verklaringen blijkt niet dat er enig verband bestaat tussen dit eenmalige feit en het geweld waaraan u op 10 januari 2001 ternauwernood ontsnapte. Het moet ook worden opgemerkt dat u van dit artikel pas in uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep (dd. 2 april 2001) gewag maakte en er ten aanzien van de dienst Vreemdelingenzaken over zweeg. XIV-8768-2/5 Onjuiste en tegenstrijdige verklaringen ondermijnen bovendien de geloofwaardigheid van uw relaas. Zo stelde u dat de Sharia (islamitische wet) al een tiental jaar in Kano in voege is, terwijl uit de informatie waar het commissariaat-generaal over beschikt blijkt dat de Sharia pas op 26 november 2000 in Kano van kracht werd. Tijdens het verhoor door de dienst Vreemdelingenzaken (dd. 10 oktober 2000) verklaarde u dat u begin september 2000 door de vader van uw vriendin werd afgetroefd en daarna hulp zocht en vond bij haar oom Sasja; en dat in dezelfde maand september u en uw vriendin met haar zwangerschap geconfronteerd werden en daarmee verveeld zaten. Ten aanzien van het commissariaat- generaal stelde u echter dat u door haar vader en een vriend van hem werd geslagen en uit het huis gezet waar u tot dan toe verbleef en dat hem toebehoorde, en daarna door Sasja werd opgevangen, en dat u daarvóór, toen u nog in zijn huis woonde, met de zwangerschap geconfronteerd werd en een abortus overwoog maar er op doktersadvies van afzag (p. 2). Uw vriendin (CG/00140633) verklaarde dan weer (verhoor door de dienst Vreemdelingenzaken dd. 29 maart 2001) dat zij en u in september bij haar oom lvanov Alexander gingen wonen, en stelde bovendien dat u regelmatig door haar vader werd geslagen, wat niet met uw verklaringen te rijmen valt. Tijdens het verhoor in dringend beroep verklaarde u dat haar oom Sasja de reis van u en uw vriendin naar Wit-Rusland en van daaruit naar België regelde (p. 3), terwijl u ten aanzien van de Dienst Vreemdelingenzaken stelde dat 'Iemand die (uw) verloofde kende, de reis (had) geregeld’. Uw aanvraag is dus niet ontvankelijk. Wel vestig ik de aandacht van de minister op het feit dat uw verloofde. Ivanova Svetlana (5.024.963, CG100140633), een Russische, met wie u een kind heeft, samen met u naar België is gekomen en eveneens in België een asielaanvraag heeft ingediend. Het komt de Minister toe daarmee rekening te houden.”; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat de dienst Vreemdelingenzaken via en op grond van de bevindingen van het commissariaat-generaal een bevel om het grondgebied te verlaten heeft betekend aan de verzoekende partij, zonder voorafgaandelijk persoonlijk contact met deze laatste, dat de dienst Vreemdelingenzaken de bestreden beslissing in het Nederlands heeft laten betekenen terwijl de verzoekende partij deze taal onmachtig is en dat de dienst Vreemdelingenzaken noch de commissaris-generaal in beroep de verzoekende partij voldoende de gelegenheid hebben geboden om haar situatie toe te lichten; 2.1.
  5. Overwegende dat noch uit het administratief dossier noch uit de door de verzoekende partij bijgebrachte gegevens blijkt dat een bevel om het grondgebied te verlaten is genomen of betekend door de dienst Vreemdelingenzaken na de bestreden beslissing; dat de bestreden beslissing enkel een bevestiging is van de eerder door de minister van Binnenlandse Zaken genomen beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat het middel in die mate feitelijke grondslag mist; Overwegende, wat de taal van de beslissing van de commissaris- generaal betreft, dat de verzoekende partij ten tijde van haar asielaanvraag een verklaring heeft ondertekend waarin zij erkent erover geïnformeerd te zijn dat de taal waarin haar asielaanvraag onderzocht zou worden het Nederlands is; dat de verzoekende partij geen belang heeft om zulks nu aan te vechten; dat het middel in die mate niet- ontvankelijk is; XIV-8768-3/5 Overwegende dat uit het administratieve dossier blijkt dat de verzoekende partij wel degelijk werd gehoord door de commissaris-generaal; dat uit het verhoorverslag blijkt dat zij bij de voorlezing ervan geen opmerkingen heeft geformuleerd zodat zij dit nu niet meer dienstig kan doen; dat hetzelfde geldt voor de opmerking dat zij bij de dienst Vreemdelingenzaken “niet voldoende” de kans zou hebben gehad om haar situatie toe te lichten, buiten het feit dat de verzoekende partij zich niet op ontvankelijke wijze tegen de in eerste aanleg genomen beslissing tot weigering van verblijf kan richten; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en aanvoert dat de beslissing van de commissaris-generaal het voorbeeld is van een stereotiepe, geijkte en standaardmotivering waarbij een individuele benadering van het specifieke geval van de verzoekende partij in elk geval ontbreekt; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij zich zelf beperkt tot een stereotiepe, geijkte of standaardomschrijving van het middel, dat helemaal niet in concreto op de bestreden beslissing wordt betrokken; dat zij voorbijgaat aan de diverse concrete elementen die in de bestreden beslissing zijn weergegeven en die toelaten de motieven te kennen waarop die beslissing is gesteund; dat het tweede middel ongegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. XIV-8768-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8768-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.675 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.