← België

Arrest 144738 - - 20/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.738 Rolnummer: A. 83567/X-8887 Zaak: Arrest 144738 - - 20/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 15:26 Fiche Arrest nr 144.738 van 20 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.738 van 20 mei 2005 in de zaak A. 83.567/X-

  1. In zake :
  2. Luc BONTE,
  3. Julia VAN KERCKHOVE, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 22 tegen : het Vlaamse gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc BONTE en Julia VAN KERCKHOVE op 16 april 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 december 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari 1999, "waarbij hun eigendom van industriegebied wordt herbestemd tot lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter"; Gelet op het arrest nr. 86.004 van 15 maart 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 17 mei 2000 ingediend door verzoekende partij; X-8887-1/8 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 25 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A.-M. SWINNEN die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat L. BRONDEEL die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekende partijen eigenaar zijn van percelen, gelegen te Ledegem, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 728, 729, 730/b en 732; dat de percelen volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare-Tielt zijn gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen; dat de Vlaamse regering bij besluit van 19 december 1997 heeft beslist tot de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van onder meer de gemeente Ledegem; dat de bestemming van voormelde percelen wordt gewijzigd in "lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter"; dat de regionale commissie op 25 september 1998 advies heeft uitgebracht; dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 10 december 1998 een advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse regering bij het thans bestreden besluit van X-8887-2/8 15 december 1998 heeft beslist tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene; dat voormeld besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari 1999; dat de kwestieuze percelen de bestemming "lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter" voorzien in het ontwerpgewestplan behouden; Overwegende dat de verzoekende partijen de nietigverklaring vorderen van het bestreden besluit "waarbij hun eigendom van industriegebied wordt herbestemd tot lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter"; dat zij uiteenzetten eigenaar te zijn van percelen gelegen te Ledegem, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 728, 729, 730/b en 732; dat deze percelen door het bestreden besluit worden herbestemd van "gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen" tot "lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter"; Overwegende dat het beroep ontvankelijk is in de mate dat het de percelen betreft waarvan de verzoekende partijen eigenaar zijn; dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie wat betreft percelen waarvan de verzoekende partijen geen eigenaar zijn, niet ter zake is aangezien de vordering beperkt blijkt tot de eigendommen van deze laatsten; Overwegende dat de verzoekende partijen in het tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 3 en 84, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat zij stellen dat het bestreden besluit als verantwoor- ding voor de adviesaanvraag aan de Raad van State, afdeling wetgeving, inroept dat er termijnen dienen gerespecteerd te worden voor het definitief vaststellen van het gewestplan, dat het advies van de regionale commissie werd uitgebracht op 25 september 1998, dat het advies van de Raad van State ten zeerste nodig was gelet op vroegere adviezen waaruit blijkt dat bij het voorschrift "lokaal bedrijventerrein met openbaar karakter" vraagtekens worden gesteld, dat zo de regering in tijdsnood kwam het enkel te wijten is aan de eigen onvoldoende haast, dat de motivering niet adequaat en niet afdoende is; X-8887-3/8 Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de adviesaanvraag ontvankelijk heeft geacht, dat het advies van de regionale commissie werd uitgebracht op 25 september 1998, dat het ontwerpgewestplan hierna opnieuw diende beoordeeld en onderzocht te worden in het licht van de uitgebrachte bezwaren en adviezen, dat de termijn tussen het uitbrengen van dit laatste advies en het nemen van de bestreden beslissing dan ook niet onredelijk lang is, dat de Raad van State niet verplicht is zich bij een spoedadvies te beperken tot het onderzoeken van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller en van de vormvereisten, Overwegende dat de verzoekende partijen dupliceren dat de minister met toepassing van artikel 11, § 7, van het decreet betreffende ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een verlenging had kunnen vragen om te komen tot de definitieve vaststelling, dat hij verzuimd heeft dit te doen, dat de verwerende partij niet uiteenzet wat de oorzaak is geweest van het feit dat de bevoegde overheden uitzonderlijk veel tijd hebben nodig gehad om het definitief gewestplan klaar te stomen om aan de Raad van State voor te leggen; Overwegende dat artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; Overwegende dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad van State betrekking heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de Grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een vormvereiste is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om X-8887-4/8 een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatig- heidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig of verkeerd heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 9 december 1998 door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over "een ontwerp van besluit van de X-8887-5/8 Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert : "door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen. De vergadering van de Vlaamse regering voor het desbetreffende besluit van Antwerpen is voorzien op dinsdag 15 december 1998, nl. tegelijk met de vervaldag van het gewestplanprocedureperiode van 240 dagen."; dat de afdeling wetgeving op 10 december 1998 advies heeft uitgebracht; dat het advies vermeldt : "Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan'"; dat het advies tevens vermeldt in de "Opmerkingen bij de tekst" in voetnoot 1 onder punt 1 : "

(1)Bij de overname van de hierboven aangehaalde motivering dient deze te worden verbeterd. Wellicht werd daarin immers, inzake een ontwerp dat het gewestplan Roeselare-Tielt betreft, niet bedoeld te verwijzen naar 'besluiten van Antwerpen'"; Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op de artikelen 94, 95, 96 en 97 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, aangezien deze artikelen behoren tot het hoofdstuk XVI - Welzijn; dat voorts geen van de opgegeven artikelen 98, 100, 101, 102, 103, 104 en 105 ter zake relevant is; dat enkel artikel 99 met de aangelegenheid uitstaans kan hebben en dan nog de bedoelde bepaling overigens sedert 22 oktober 1996 is opgenomen in het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, met name artikel 11, § 7; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan X-8887-6/8 moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek, en zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend 240 dagen - met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op de dagorde van de Vlaamse regering op 15 december 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen en het feit dat over het besluit op 15 december 1998 zou worden beslist; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht ter zake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten -ter zake in de adviesaanvraag niet eens correct geciteerd- of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat het de Vlaamse regering -de allereerste beoordelaar van de spoed- toekwam in haar adviesaanvraag mededeling te doen van die mogelijkheid tot verlenging alsmede de met het spoedeisend karakter van het bestreden besluit verband houdende redenen uiteen te zetten waarom geen gebruik werd, of kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervalter- mijn; dat in de adviesaanvraag op dat stuk de redengeving helemaal niets vermeldt; dat het tweede middel gegrond is, X-8887-7/8 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 15 december 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene, in zoverre het betrekking heeft op de percelen gelegen te Ledegem, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 728, 729, 730/b en 732. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8887-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.738 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.