id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.741 Rolnummer: A. 83570/X-8882 Zaak: Arrest 144741 - - 20/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 15:27 Fiche Arrest nr 144.741 van 20 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.741van 20 mei 2005 in de zaak A. 83.570/X-
- In zake : de n.v. REAL ESTATE INTERNATIONAL COMPANY, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 BRUGGE SINT-ANDRIES, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. REAL ESTATE INTERNA- TIONAL COMPANY op 16 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van enerzijds het besluit van 19 december 1997 van de Vlaamse regering "houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan Roeslare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene", "zoals aangeduid op delen van de kaartbladen 26/1 en 29/1", en anderzijds van het besluit van 15 december 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari 1999, "voor het deel van het kaartblad 21/6 en 21/9"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; X-8882-1/9 Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 25 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. BRONDEEL die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekende partij eigenaar is van een aantal percelen gelegen te Wielsbeke, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 184/W2, 188, 226, 227, é, 234, 237, 238, 239, 241/A, 242/A, 243A, 184A4, 187Z, 251L, 235, 256A, 257C, 261L, 255A, 236 en 245E; dat deze percelen volgens de bestemmingsvoor- schriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare-Tielt zijn gelegen in woonuitbreidingsgebied; dat de Vlaamse regering bij het eerste bestreden besluit van 19 december 1997 heeft beslist tot de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van onder meer de gemeente Wielsbeke; dat de bestemming van voormelde percelen wordt gewijzigd in "agrarisch gebied"; dat de Regionale Commissie van Advies op 25 september 1998 advies heeft uitgebracht; dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 10 december 1998 een advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse regering bij het tweede bestreden besluit van 15 december 1998 heeft beslist tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene; dat voormeld besluit werd bekendgemaakt in het X-8882-2/9 Belgisch Staatsblad van 18 februari 1999; dat de kwestieuze percelen de bestemming "agrarisch gebied" voorzien in het ontwerpgewestplan behouden; Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift tot nietigverklaring uiteenzet dat ze eigenaar is van een "aaneengesloten blok gronden van 14 ha gelegen te Wielsbeke", kadastraal bekend Sectie A, nrs. 184/W2, 188, 226, 227, é, 234, 237, 238, 239, 241/A, 242/A, 243A, 184A4, 187Z, 251L, 235, 256A, 257C, 261L, 255A, 236 en 245E, dat deze percelen deel uitmaken van een woonuitbreidingsgebied gelegen ten westen van de woonkern van Wielsbeke en dat hun bestemming door het bestreden besluit wordt gewijzigd naar agrarisch gebied; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat verzoekende partij slechts belang kan laten gelden bij de nietigverklaring voor zover het percelen betreft waarvan de stedenbouwkundige bestemming wordt gewijzigd en waarvan zij eigenaar is en dat de vordering voor het overige dient te worden verworpen als onontvankelijk bij gebrek aan belang; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niets toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet in het verzoekschrift; Overwegende dat het beroep slechts ontvankelijk is in de mate dat het de percelen betreft waarvan verzoekende partij eigenaar is, zijnde de percelen gelegen te Wielsbeke, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 184/W2, 188, 226, 227, é, 234, 237, 238, 239, 241/A, 242/A, 243A, 184A4, 187Z, 251L, 235, 256A, 257C, 261L, 255A, 236 en 245E; Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel de schending aanvoert van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doordat uit de formulering van de aanhef van het bestreden besluit niet valt af te leiden of het hier ook de redengeving betreft die aan de afdeling wetgeving van de Raad van State is voorgelegd ter ondersteuning van de urgente adviesaanvraag, dat uit het adressaat van het besluit met zekerheid moet kunnen worden opgemaakt welk urgentiemotief aan de afdeling wetgeving werd voorgelegd, dat zelfs als de in de aanhef opgenomen redengeving deze mocht zijn die aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd, zij niet voor deugdelijk en pertinent kan worden gehouden, dat de overheid zich nooit kan beroepen op een X-8882-3/9 urgentiestoestand die enkel door haar eigen nalatigheid en/of gebrek aan organisatie is tot stand gekomen; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt dat de motivering van de hoogdringendheid zoals opgenomen in de aanhef van het bestreden besluit deze is die aan de afdeling wetgeving werd voorgelegd, dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de adviesaanvraag ontvankelijk heeft geacht, dat het advies van de regionale commissie werd uitgebracht op 25 september 1998, dat het ontwerpge- westplan hierna opnieuw diende beoordeeld en onderzocht te worden in het licht van de uitgebrachte bezwaren en adviezen, dat de termijn tussen het uitbrengen van dit laatste advies en het nemen van de bestreden beslissing dan ook niet onredelijk lang is; Overwegende dat de verzoekende partij dupliceert dat de urgentiemotieven blijkens artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, moeten blijken uit het bestreden besluit en niet uit de samenlezing van het advies en het besluit, dat de omstandigheid dat de afdeling wetgeving de urgentiemotivering niet heeft bekritiseerd niet pertinent is, dat de afdeling wetgeving gevat door zulke spoedaanvraag enkel vermag een advies uit te brengen omtrent de rechtsgrond, de bevoegdheid en de voorgeschreven vormen, dat de verwerende partij bij de aanvang van de herziening weet dat zij door bepaalde termijnen is gebonden, dat zij ook weet dat zij in bepaalde omstandigheden het advies van de afdeling wetgeving zal moeten inwinnen, dat zij zichzelf derhalve foutief in een urgentiesitua- tie brengt wanneer zij dit tijdskader niet dermate uiteenzet dat het mogelijk is ook de Raad van State op volwaardige wijze zijn rol te laten vervullen; Overwegende dat artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; Overwegende dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad X-8882-4/9 van State betrekking heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de Grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een vormvereiste is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatig- heidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat X-8882-5/9 zij de afdeling wetgeving onvolledig of verkeerd heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 9 december 1998 door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over "een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert : "door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen. De vergadering van de Vlaamse regering voor het desbetreffende besluit van Antwerpen is voorzien op dinsdag 15 december 1998, nl. tegelijk met de vervaldag van het gewestplanprocedureperiode van 240 dagen."; dat de afdeling wetgeving op 10 december 1998 advies heeft uitgebracht; dat het advies vermeldt : "Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan'"; dat het advies tevens vermeldt in de "Opmerkingen bij de tekst" in voetnoot 1 onder punt 1 : "
(1)Bij de overname van de hierboven aangehaalde motivering dient deze te worden verbeterd. Wellicht werd daarin immers, inzake een ontwerp dat het gewestplan Roeselare-Tielt betreft, niet bedoeld te verwijzen naar 'besluiten van Antwerpen'"; X-8882-6/9 Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op de artikelen 94, 95, 96 en 97 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, aangezien deze artikelen behoren tot het hoofdstuk XVI - Welzijn; dat voorts geen van de opgegeven artikelen 98, 100, 101, 102, 103, 104 en 105 ter zake relevant is; dat enkel artikel 99 met de aangelegenheid uitstaans kan hebben en dan nog de bedoelde bepaling overigens sedert 22 oktober 1996 is opgenomen in het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, met name artikel 11, § 7; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek, en zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend 240 dagen - met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op de dagorde van de Vlaamse regering op 15 december 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen en het feit dat over het besluit op 15 december 1998 zou worden beslist; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht ter zake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten -ter zake in de adviesaanvraag niet eens correct geciteerd- of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat het de Vlaamse regering -de allereerste beoordelaar van de spoed- toekwam in haar adviesaanvraag mededeling te doen van X-8882-7/9 die mogelijkheid tot verlenging alsmede de met het spoedeisend karakter van het bestreden besluit verband houdende redenen uiteen te zetten waarom geen gebruik werd, of kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervalter- mijn; dat in de adviesaanvraag op dat stuk de redengeving helemaal niets vermeldt; dat het derde middel gegrond is; Overwegende dat de vernietiging van het tweede bestreden besluit tot gevolg heeft dat het eraan voorafgaand besluit van 19 december 1997 van de Vlaamse regering houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt is vervallen met toepassing van artikel 11, § 8, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördi- neerd op 22 oktober 1996, dat het beroep in zoverre zonder voorwerp wordt, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 15 december 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene, in zoverre het betrekking heeft op de percelen gelegen te Wielsbeke, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 184/W2, 188, 226, 227, é, 234, 237, 238, 239, 241/A, 242/A, 243A, 184A4, 187Z, 251L, 235, 256A, 257C, 261L, 255A, 236 en 245E. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-8882-8/9 Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8882-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.741 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div