← België

Arrest 144744 - - 20/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.744 Rolnummer: A. 140174/XIV-16288 Zaak: Arrest 144744 - - 20/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 15:28 Fiche Arrest nr 144.744 van 20 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.744 van 20 mei 2005 in de zaak A. 140.174/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN BRUSSEL, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Franklin Rooseveltplaats 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 8 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.228-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. VAN BRUSSEL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, is op 2 januari 2001 in België binnengekomen waar hij zich op 8 januari 2001 een eerste maal vluchteling heeft verklaard. Deze eerste asielaanvraag wordt afgesloten met een weigering tot erkenning als vluchteling door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Het hiertegen ingesteld annulatieberoep bij de Raad van State wordt bij arrest nummer 114.377 van 13 januari 2003 verworpen. 1.
  4. Verzoeker verklaart zich een tweede maal vluchteling op 17 maart
  5. Op 27 maart 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 11 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing: “(...) A. Vluchtrelaas U, die verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Bandar- Anzali. U zou in december 2000 uw land van herkomst hebben verlaten omwille van problemen met de Iraanse autoriteiten, die op de hoogte zouden zijn geweest van het feit dat u vertrouwelijke informatie verspreidde. U diende een eerste asielaanvraag in op 8 januari 2001 waarin het Commissariaat-generaal op 25 juli 2001 een beslissing van weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling nam gezien de bedrieglijkheid van uw asielrelaas. Deze beslissing werd bevestigd door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen op 3 december
  7. Op 17 maart 2003 diende u een tweede asielaanvraag in waarbij u verklaarde dat u niet naar uw land van herkomst bent teruggekeerd. De elementen op basis waarvan u een tweede asielaanvraag indiende zijn verklaringen van een kennis (die stelde dat de geheime dienst recentelijk uw moeder sloeg, uw vader voor een week arresteerde en uw broer eveneens meenam), uw identiteitskaart en een fax van een gerechtelijk document (dat XIV-16.228-2/11 naar eigen zeggen niets te maken heeft met de problemen waarvoor u Iran diende te verlaten maar dat nog betrekking zou hebben op een probleem van 1996, namelijk een illegale seksuele betrekking met een meisje waarvoor u twee dagen werd opgesloten en 120 zweepslagen kreeg). B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat de nieuwe elementen waarop u uw tweede asielaanvraag steunt niet in staat zijn uw beweerde vrees voor vervolging te ondersteunen, noch om de appreciatie in het kader van uw eerste asielaanvraag in positieve zin om te buigen. Wat de verklaringen van een kennis van u betreft dient te worden opgemerkt dat deze allerminst de reeds vastgestelde bedrieglijkheid van uw asielaanvraag kunnen weerleggen. Het betreffen hier enkel en alleen mondelinge verklaringen van een betrokken partij – een vriend van u – die geen enkel begin van bewijs kunnen uitmaken. Wat het gerechtelijk document betreft dient ten eerste te worden opgemerkt dat deze zaak dateert van 1996 en dit geen enkel verband houdt met de reden waarom u uiteindelijk Iran beweert te hebben verlaten. Verder dient te worden gewezen op het feit dat er enkele niet onbelangrijke omissies voorkomen in de verklaringen die u heeft afgelegd tijdens de interviews in het kader van uw eerste en tweede asielaanvraag. Zo verklaarde u tijdens uw laatste gehoor op het Commissariaat- generaal (8 juli 2003) dat na uw vlucht uit Iran een document van de Revolutionaire Rechtbank bij u thuis is toegekomen. U voegde er tevens aan toe dat dit document lang geleden door uw moeder werd verstuurd maar u het nooit heeft ontvangen (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). Het is echter zeer bevreemdend dat u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van uw tweede asielaanvraag (27 maart 2003) niets heeft gezegd over dit document. Nochtans beweerde u tijdens uw laatste gehoor op het CGVS (8 juli 2003) dat u toen reeds op de hoogte was van de uitvaardiging van dit document en u toen reeds wist dat uw moeder dit document voor u naar België had verstuurd (zie gehoorverslag CGVS, p. 6 en p. 8). Bovengaande anomalie brengt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang. In dit verband dient daarenboven te worden opgemerkt dat u niets blijkt te weten over de inhoud van het document en niet precies weet waarom dit document voor u zou afgeleverd zijn (zie gehoorverslag CGVS, p. 7). Daarnaast dient te worden vermeld dat u tijdens uw voorgaande gehoren in het kader van uw eerste en tweede asielaanvraag met geen woord repte over uw problemen die u kende met de Iraanse autoriteiten omwille van uw seksuele relatie met een meisje. Tijdens uw laatste gehoor op het CGVS vermeldde u nochtans dat u hiervoor in 1375

(1996)twee dagen in de gevangenis werd opgesloten en veroordeeld werd tot 120 stokslagen (zie gehoorverslag CGVS, p. 5). Het niet vermelden van dit niet onbelangrijk element in uw asielrelaas zet de geloofwaardigheid van uw verklaringen wederom op de helling, temeer daar u bovendien geen afdoende verklaring kon geven waarom u desbetreffende problemen met de Iraanse autoriteiten niet zou hebben moeten vermelden tijdens voorgaande interviews (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Gezien aan bovenstaand element in uw asielrelaas geen geloof kan worden gehecht kan bijgevolg aan het door u neergelegde stuk terzake, namelijk een fax van een gerechtelijk stuk van de Algemene Rechtbank waarin staat dat u beschuldigd werd, geen doorslaggevende bewijskracht gegeven worden. Wat het overige door u neergelegde document in het kader van uw tweede asielaanvraag betreft, met name uw identiteitskaart, kan tot slot nog worden vermeld dat deze geen afbreuk doet aan bovenstaande vaststellingen aangezien het enkel uw identiteit bevestigt, dewelke hier niet ter discussie staat. Op grond van bovenstaande vaststellingen kan aldus geen geloof worden gehecht aan de bewering dat u in Iran een gegronde vrees voor vervolging zou hebben. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). XIV-16.228-3/11 (...)”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “! Schending van de motiveringsplicht / beginsel van behoorlijk bestuur
  1. a)algemene principes Art. 62 van de wet van 15 december 1980 bepaalt enerzijds dat de administratieve beslissingen met redenen omkleed moeten worden. Anderzijds bepaalt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen in artikel 2 dat elke bestuurshandeling moet gemotiveerd worden. Volgens deze wet moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Daarenboven moet deze motivering afdoende zijn (artikel 3) De uitdrukkelijke motiveringswet voert met andere woorden een substantieel vormvoorschrift in; de overheid moet, op straffe van onwettigheid van de beslissing, in de akte die de beslissing zelf bevat, eveneens de motivering opnemen. Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Geijkte of standaardiseerde, onvolledige, onprecieze of niet-adequate motiveringen maken evenwel geen afdoende motivering uit. (zie VANHEULE, D., "De motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet", T.R.V., 1993, 2, p. 69, zie ook VAN ORSHOVEN, P., R.W., 1991-92, p. 491.)
  2. b)Toepassing Louter formeel is de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen gemotiveerd. De administratie heeft in casu echter de materiële motiveringsplicht geschonden. Het schenden van de materiële motiveringsplicht is een inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur. b.1. Aangezien de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen als motivering voor de beslissing tot weigering van verblijf de volgende motivering meedeelde: “... wat de verklaringen van een kennis van u betreft .... mondelinge verklaringen van een betrokken partij - een vriend van u - die geen enkel begin van bewijs uitmaken...” Het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen meent dat mondelinge verklaringen geen enkel bewijs uitmaken. Verzoeker wijst erop dat hij de informatie via 2 onafhankelijke bronnen heeft mogen vernemen, via een winkelier telefonisch ter plaatse, en via een Iranese familie die uit zijn streek afkomstig was en die hij in Antwerpen tegenkwam. Deze Iranese familie is geenszins bevriend met verzoeker. Bovendien wordt zeer veel informatie over vervolging enkel mondeling medegedeeld. Het Commissariaat Generaal zet door de stelling dat mondelinge informatie van bekenden geen enkel begin van bewijs uitmaken het hele vluchtelingenconventie onder druk. Immers, vele informatie die schriftelijk kan bewezen worden is enkel afkomstig van de overheid waartegen net de vluchteling bescherming tegen wenst in te roepen. Als deze overheid dan geen brieven, teksten, beslissingen, vonnissen en dergelijke meer publiceert, of als deze door de zwakte of primitieve bestuur van de overheid niet aanwezig zouden zijn, is er in dat land geen vervolging en schending van de mensenrechten meer, want dit kan enkel mondeling bewezen worden, vaak door bekenden en mondeling bewijs van bekenden is volgens het Commissariaat Generaal geen enkel begin van bewijs ..... Bovendien wijst verzoeker er nogmaals op dat de informatie door onbekende familie bevestigd werd. De beslissing van het Commissariaat Generaal dd/ 11.07.2003 dient dan ook vernietigd te worden. XIV-16.228-4/11 b.2. Verder motiveert het Commissariaat Generaal dat het relaas van verzoeker met betrekking tot zijn vrees voor vervolging door de Revolutionaire Rechtbank niet kan geloofd worden. Het Commissariaat Generaal steunt zich hiervoor op het feit dat er enkele omissies voorkomen in het relaas van verzoeker met betrekking tot zijn eerste asielaanvraag. Toch legt verzoeker een schrijven voor van de Revolutionaire Rechtbank. De geldigheid van dit schrijven wordt nergens betwist. Het Commissariaat Generaal stelt enkel dat: “het door u neergelegde stuk terzake, namelijk een fax van een gerechtelijk stuk van de Algemene Rechtbank waarin staat dat u beschuldigd werd, geen doorslaggevend bewijskracht gegeven wordt” De reden hiervoor is dat er omissies zouden zijn tussen het eerste en het tweede asielaanvraag en het feit dat hij niet repte over deze feiten tijdens zijn eerste asielaanvraag. Verzoeker vermeldde deze feiten niet tijdens zijn eerste asielaanvraag omdat hij stelt dat hier nooit naar gevraagd werd en hij van de overtuiging was dat deze feiten niet relevant waren voor zijn asielaanvraag. Het stellen dat er aan het stuk van verzoeker geen bewijskracht gegeven wordt schendt de beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker legt een objectief bewijsstuk voor. Of er voordien door verzoeker onjuistheden werden vermeld in een eerder asielaanvraag en of hij over deze feiten destijds niets vermeldde doet geen enkele afbreuk aan de objectieve geldigheid van het door verzoeker neergelegde document. De beslissing dient dan ook vernietigd te worden.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.l. In een eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en een schending van artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991. - Vooreerst stelt verweerder dat de specifieke motiveringsverplichting, vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, alsook de algemene motiveringsverplichting overeenkomstig de Wet van 29 juli 1991 tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. - Verzoeker geeft aan dat de informatie die hij verkreeg uit Iran niet afkomstig is van een vriend, doch wel van twee onafhankelijke bronnen, met name een winkelier ter plaatse en een Iranese familie uit zijn streek die hij in Antwerpen tegenkwam. Verweerder stelt vast dat verzoeker tijdens zijn gehoor op het Commissariaat-generaal expliciet verklaarde dat hij alle gebeurtenissen die plaatsvonden na zijn vertrek uit Iran vernam via Karim, een winkelier uit Iran die af en toe tijdens zijn verblijf in Turkije telefonisch contact opnam met verzoeker (gehoorverslag CGVS blz. 2, 3 en 9). Verweerder is van mening dat aan deze mondelinge verklaringen terecht geen enkele bewijskracht kan worden toegekend. - Verzoeker geeft aan dat de geldigheid van het door hem neergelegde stuk van de Revolutionaire Rechtbank nergens wordt betwist en dat in de beslissing enkel wordt gesteld dat er geen doorslaggevende bewijskracht aan kan worden gegeven. Verder geeft verzoeker aan dat hij bepaalde zaken tijdens zijn eerste asielaanvraag niet vermeldde gezien hij er niet werd over ondervraagd. Vooreerst wenst verweerder op te merken dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht er rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met diverse onderdelen van de motivering op zich. Eén onderdeel op zich kan misschien de beslissing niet dragen, maar kan in samenlezing met andere onderdelen voldoende draagkrachtig zijn. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag. Verder stelt verweerder vast dat in de bestreden beslissing omstandig wordt gemotiveerd waarom aan het door verzoeker neergelegde gerechtelijke document geen XIV-16.228-5/11 bewijskracht wordt toegekend. Zo dateert deze zaak van 1996 en houdt ze geen enkel verband met de redenen waarom verzoeker Iran verliet, maar met een illegale seksuele betrekking waarvoor verzoeker twee dagen werd opgesloten en 120 zweepslagen kreeg. Verder maakte verzoeker van het gerechtelijk document geen enkele melding op de Dienst Vreemdelingenzaken, terwijl verzoeker tijdens zijn gehoor op het Commissariaat-generaal verklaarde toen reeds op de hoogte te zijn van het bestaan van dit document. Bovendien kent verzoeker niets over de inhoud van het document en de reden waarom dit document werd afgeleverd. Tot slot maakte hij op zijn eerdere verhoren nergens melding van problemen wegens een illegale seksuele relatie. Verder is verweerder van oordeel dat er redelijkerwijze mag aangenomen worden dat verzoeker, die beweert te vrezen voor zijn vrijheid en leven en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, van bij de aanvang van de asielprocedure in België, alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding van zijn vertrek of vlucht uit zijn land van herkomst vormden. Verweerder merkt ook op dat uit voorliggend verzoekschrift blijkt dat verzoeker geen geloofwaardig antwoord kan geven op de vraag waarom hij bepaalde zaken niet naar voren heeft gebracht bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Verweerder ziet voor verzoeker geen aanvaardbare reden om dit niet te doen en meent daarom dat de Commissaris-generaal op redelijke wijze de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas in twijfel trok. De bestreden beslissing is op correcte wijze genomen en afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen werden kenbaar gemaakt. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker repliceert: “Verzoeker volhardt in zijn stelling dat aan een mondelinge verklaring wel degelijk bewijskracht kan worden gegeven. In casu handelt het om een verklaring van 2 onafhankelijke bronnen, een winkelier ter plaatse en een Iranese familie die in Antwerpen verblijft. Het commissariaat geeft geen duidelijke repliek waarom deze 2 onafhankelijke bronnen geen geldige bewijskracht kunnen leveren. Nergens stelt het commissariaat generaal dat deze bronnen onbetrouwbaar zouden zijn. Verder meent verzoeker dat de versie van het commissariaat generaal dat er rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich misschien wel correct is, maar in casu dient vastgesteld te worden dat de motivering van het commissariaat generaal zich voornamelijk toespitst op 1 motief, het document van de Revolutionaire Rechtbank. Verzoeker stelt nogmaals vast dat nergens de bewijswaarde van dit document wordt betwist.... Verzoeker meent verder dat het wel degelijk een geloofwaardig antwoord verstrekt met betrekking tot het feit dat hij bepaalde aspecten van zijn asielrelaas niet reeds bij de dienst Vreemdelingenzaken heeft verteld. Er werd eenvoudigweg niet naar gevraagd, het interview spitste zich toe tot de feiten die zich afspeelden vlak voor zijn vertrek uit Iran.”; 2.1.4.1. Overwegende dat met betrekking tot de overweging “Wat de verklaringen van de kennis van u betreft dient te worden opgemerkt dat deze allerminst de reeds vastgestelde bedrieglijkheid van uw asielaanvraag kunnen weerleggen. Het betreffen hier enkel en alleen mondelingen verklaringen van een betrokken partij -een vriend van u- die geen enkel begin van bewijs kunne uitmaken.”, verzoeker stelt dat de informatie niet afkomstig is van een vriend, maar van 2 onafhankelijke bronnen, namelijk van een winkelier ter plaatse en van een Iraanse familie die hij in Antwerpen is tegengekomen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker alle gebeurtenissen vernam van een winkelier uit XIV-16.228-6/11 de stad van zijn familie; dat dient benadrukt dat de waarde van de voorgelegde documenten door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt beoordeeld binnen zijn appreciatiebevoegdheid; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geoordeeld dat de verklaringen van zijn kennis, een winkelier, de bedrieglijkheid van zijn verklaringen niet kunnen weerleggen; dat het enkel mondelinge verklaringen betreft van een vriend die geen enkel begin van bewijs uitmaken; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn appreciatiebevoegdheid terzake heeft overschreden; 2.1.4.2. Overwegende dat, met betrekking tot het gerechtelijk document, verzoeker vaststelt dat de geldigheid van dit document niet wordt betwist en dat enkel in de bestreden beslissing wordt gesteld dat er geen bewijskracht aan kan worden gegeven omdat er omissies zouden zijn met betrekking tot zijn eerste asielaanvraag en omdat hij over deze feiten met geen woord repte tijdens zijn eerste asielaanvraag; dat hij stelt deze feiten niet te hebben vermeld aangezien er hem nooit naar werd gevraagd; dat in de bestreden beslissing omstandig wordt gemotiveerd waarom aan het gerechtelijk document geen doorslaggevende bewijskracht wordt gegeven: zo dateert deze zaak van 1996 en houdt zij geen enkel verband met de reden waarom verzoeker uiteindelijk Iran verlaten heeft, maar met een illegale seksuele relatie; dat verzoeker tijdens zijn eerste asielaanvraag geen enkele melding van dit document maakte, terwijl hij op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde toen reeds op de hoogte te zijn van het bestaan ervan; dat bovendien verzoeker niet de inhoud van dit document kent en de reden waarom dit document werd afgeleverd; dat ten slotte verzoeker ook nooit melding maakte van problemen wegens een illegale seksuele relatie; dat, wat zijn verklaring betreft voor het niet vermelden van deze feiten, dient aangestipt dat van een kandidaat-vluchteling, die beweert te vrezen voor zijn leven en vrijheid en daarom de bescherming van de Belgische autoriteiten vraagt, mag verwacht worden hij alle elementen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag op correcte wijze en zo accuraat mogelijk aanbrengt, zeker de elementen die de directe aanleiding van zijn vertrek of vlucht uit zijn land van herkomst zouden zijn geweest; dat het feit dat er hem niet naar werd gevraagd geen afdoende verklaring biedt; dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing rechtens en feitens niet afdoende is gemotiveerd; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “! Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheidsprincipe Het commissariaat Generaal heeft zich er niet van vergewist dat het over alle elementen beschikte die nodig waren om een beslissing te nemen met kennis van zaken. Het Commissariaat stelt enkel dat mondelinge verklaringen van een "betrokken" partij geen enkel bewijs uitmaken, en stelt in dezelfde beslissing dat aan schriftelijke bewijzen geen doorslaggevende bewijskracht kan gegeven worden. Het Commissariaat heeft geen enkel onderzoek verricht om na te gaan of de verklaringen van verzoeker met de realiteit overeenstemmen, het heeft zich enkel XIV-16.228-7/11 beperkt om een waardeoordeel te vellen over de bewijswaarde van de verklaringen en bewijzen die verzoeker aflegde en voorbracht. Verzoeker meent dat de overheid niet zorgvuldig een beslissing heeft genomen en dat de bestreden beslissing op deze grond dan ook vernietigd dient te worden.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.2. In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel Vooreerst benadrukt verweerder dat het zorgvuldigheidsbeginsel hem oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en deze te stoelen op een correcte feitenvinding. Verweerder heeft zich voor het nemen van de bestreden beslissing gesteund op alle gegevens van het administratief dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoeker en op alle dienstige stukken. Dat de bestreden beslissing zou voortvloeien uit incorrecte feitenvinding of onzorgvuldig zou zijn voorbereid is niet correct. Uit het administratief dossier blijkt verder dat verzoeker door verweerder werd verhoord. Tijdens het interview kreeg hij de mogelijkheid zijn asielmotieven uiteen te zetten, zijn argumenten kracht bij te zetten, kon hij nieuwe en/of aanvullende stukken neerleggen en kon hij zich laten bijstaan door een advocaat of door een andere persoon van zijn keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Perzisch-Farsi taal machtig is. Dat niet zorgvuldig is tewerk gegaan kan niet worden weerhouden. Aangaande verzoekers opmerking dat de Commissaris-generaal zich in de bestreden beslissing heeft beperkt tot het uitspreken van een waardeoordeel over de bewijswaarde van verklaringen en bewijsstukken, verwijst verzoeker naar zijn repliek zoals uiteengezet onder het eerste middel. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker meent dat door te stellen dat de mondelinge verklaringen geen enkel bewijs uitmaken en dat aan schriftelijke bewijzen geen doorslaggevende kracht kan gegeven worden en door geen enkel onderzoek te verrichten om na te gaan of de verklaringen overeenstemmen met de realiteit, het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden; dat kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat hieruit dient te worden afgeleid dat geenszins blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van de beslissing onzorgvuldig heeft gehandeld; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “! Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur: het fair-play principe Uit de lezing van de beslissing van het Commissariaat Generaal dient verzoeker vast te stellen dat er een loopje wordt genomen met het fair-play principe. Aan de ene kant stelt het Commissariaat Generaal dat aan mondelinge verklaringen van betrokken partijen geen enkele bewijskracht wordt geleverd, en aan de andere kant, in dezelfde beslissing nota bene, stelt het commissariaat generaal dat het voorgelegde schriftelijke bewijs van vervolging geen doorslaggevende bewijskracht heeft ..... Eerst stelt het Commissariaat dat verzoeker zijn relaas moet aantonen met schriftelijke bewijzen vermits aan de door verzoeker voorgebrachte mondelinge relaas geen bewijswaarde wordt gegeven, als verzoeker dan een schriftelijk stuk voorbrengt, waarvan de geldigheid niet betwist wordt (!) , stelt het Commissariaat dat aan het schriftelijk stuk geen doorslaggevende bewijskracht kan gegeven worden. Verzoeker had er mogen op vertrouwen dat de overheid een en dezelfde mening is toegedaan. XIV-16.228-8/11 Verzoeker meent dat het Commissariaat generaal zich niet houdt aan het fair-play principe en de beslissing om deze reden dient vernietigd te worden.”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.3. Een derde middel puurt verzoeker uit een schending van het fair-play beginsel Wat betreft de ingeroepen schending van het fair-play beginsel antwoordt verweerder dat dit beginsel slechts speelt als er sprake is van een moedwilligheid in hoofde van het bestuur (bvb. achterhouden van gegevens, handelen met overdreven spoed ... ). In voorliggende zaak kan hiervan geen sprake zijn. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.3. Overwegende dat verzoeker zich in een derde middel beroept op de schending van het fair-play principe daar de Commissairs-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt aan mondelinge verklaringen geen bewijswaarde te geven en als er dan een schriftelijk stuk wordt voorgelegd te stellen dat er geen doorslaggevende bewijskracht kan worden aan gegeven; dat verzoeker meent dat hij er op had mogen vertrouwen dat de overheid steeds van dezelfde mening is toegedaan; dat met de verwerende partij dient te worden aangenomen dat van een schending van het fair-play beginsel slechts sprake kan zijn als er sprake is van moedwilligheid; dat verzoeker geenszins aantoont dat in casu dit het geval is; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat verzoeker als vierde middel aanvoert: “! Artikel 1 van de Conventie van Genève, artikel 52 van de Vreemdelingenwet De bestreden beslissing schendt artikel 1 van de conventie van Genève, en art. 52 van de Vreemdelingenwet; er is immers wel degelijk een gegronde reden om te vrezen voor vervolging zoals bepaald door deze conventie. Verzoeker legt immers een stuk voor van de Revolutionaire Rechtbank waaruit blijkt dat hij in beschuldiging wordt gesteld. De echtheid van dit document wordt door het Commissariaat Generaal niet betwist. Toch meent het Commissariaat Generaal dat dit document geen bewijswaarde heeft, omdat verzoeker tijdens zijn eerste asielaanvraag niet repte over de problemen die betrekking hadden met deze vervolging. Verzoeker was van de overtuiging dat deze feiten geen relevantie kende met zijn asielaanvraag. Het niet vermelden tijdens een eerdere asielaanvraag van deze problemen doet niets af aan de waarde of de ernst ervan, zeker niet nu deze problemen met een schriftelijk stuk worden bewezen. Verzoeker vreest terecht vervolging bij zijn terugkeer naar Iran en legt een onbetwist document voor dat hiervan het bewijs levert. Hij meent dan ook dat hij wel degelijk het statuut van erkend vluchteling dient te verkrijgen zoals voorzien in de Conventie van Genève dd/ 28/07/1951 in combinatie met art. 52 van de Vreemdelingenwet., en dat de bestreden beslissing dan ook vernietigd dient te worden.”; XIV-16.228-9/11 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.4. Een vierde middel baseert verzoeker op een schending van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie en artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker meent wel degelijk een gegronde vrees voor vervolging te koesteren, gezien hij een stuk van de Revolutionaire Rechtbank neerlegde waaruit blijkt dat hij in beschuldiging wordt gesteld. Verweerder verduidelijkt dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris- generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de Minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de "bedrieglijkheid" (artikel 52, paragraaf 1, 2de a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. Zo kan het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag afgeleid worden uit de tegenstrijdigheid van diverse verklaringen afgelegd door de kandidaat-vluchteling (zie arr. nr. 85.078 van 03 februari 2000). Verweerder verduidelijkt dat verzoekers asielmotieven bedrieglijk werd bevonden en verwijst naar zijn antwoord onder het eerste middel. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.4.3. Overwegende dat verzoeker repliceert: “2. Schending van art. 1 van de Conventie van Genève en art. 52 Vreemdelingenwet. Verzoeker wijst erop dat men geen "tegenstrijdigheden" kan vaststellen ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn en of tussen verschillende stukken uit het dossier. Er kan enkel vastgesteld worden dat verzoeker bepaalde aspecten van zijn asielrelaas niet of nog niet voldoende heeft besproken ter gelegenheid van zijn eerste interview. Hieruit bedrog afleiden gaat echter te ver. Verzoeker meent dan ook dat hij wel degelijk valt onder de toepassing van de Conventie van Genève.”; 2.4.4. Overwegende dat verzoeker stelt dat er wel degelijk een reden is om te vrezen voor vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie; dat hij immers een stuk neerlegt van de Revolutionaire Rechtbank waaruit blijkt dat hij in staat van beschuldiging wordt gesteld; dat dit stuk niet wordt betwist door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, maar deze er geen bewijswaarde aan heeft aangezien verzoeker over dit feit met geen woord gerept had tijdens zijn eerste asielaanvraag; dat kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat het vierde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. XIV-16.228-10/11 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.228-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.