← België

Arrest 144754 - - 20/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.754 Rolnummer: A. 110771/XIV-6737 Zaak: Arrest 144754 - - 20/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-31 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 15:28 Fiche Arrest nr 144.754 van 20 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.754 van 20 mei 2005 in de zaak A. 110.771/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. DE GROOTE, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 26 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 augustus 2001 tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gelet op de beschikking van 31 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-6737-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat G. DE GROOTE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is op 7 februari 1999 in België aangekomen en heeft zich vluchteling verklaard op 8 februari
  4. 1.
  5. Op 23 september 1999 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 9 juni 2000 wordt een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
  7. Op 27 augustus 2001 dient verzoeker een tweede asielaanvraag in. 1.
  8. Op 27 augustus 2001 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. Dit is de bestreden beslissing: “(...) WEIGERING TOT IN OVERWEGINGNAME VAN EEN VLUCHTELINGENVERKLARING Gelet op artikel 51/8, eerste lid, van de wet van 15 december1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996; Overwegende dat de genaamde XXX geboren te Prilep, op (in) 01/06/1976 van nationaliteit: Joegoslavië (Kosovo) die zich vluchteling(e) verklaard heeft op 27/08/2001 Overwegende dat betrokkene een 1ste asielaanvraag indiende op 08/02/1999, die door het CGVS negatief werd afgesloten op 09/06/
  9. Overwegende dat betrokkene op 27/08/2001 een tweede asielaanvraag indiende. Overwegende dat betrokkene in tussentijd niet naar zijn land van herkomst terugkeerde. Bovendien haalt betrokkene h(g)een gegevens aan die betrekking hebben op de situaties of feiten die zich hebben voorgedaan na de laatste feiten van de vorige procedure waarin betrokkene ze had XIV-6737-2/11 kunnen aanbrengen. Daarom besluiten we zijn asielaanvraag niet in overweging te nemen. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. In uitvoering van artikel 71/5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 19 mei 1993 en 11 december 1996 wordt genoemde het bevel gegeven het grondgebied te verlaten binnen 5 (vijf) dagen. (...) AKTE VAN KENNISGEVING Ten jare tweeduizend en één , op zevenentwintig augustus Op verzoek van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken heb ik ondergetekende Veerle Peters, adjunct-adviseur verblijf houdende te 1000 Brussel aan de genaamde XXX geboren te Prilep, op (in) 01/06/1976 van nationaliteit: Joegoslavië (Kosovo) kennisgegeven van de beslissingen van 27/08/2001, waarbij zijn (haar) vluchtelingenverklaring niet in overweging wordt genomen en waarbij betrokkene het bevel gegeven wordt ten laatste op 01/09/2001 het grondgebied van België te verlaten evenals het grondgebied van Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje, Italië, Griekenland, Oostenrijk, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden en Denemarken

(6), tenzij hij (zij) beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven
(7)Er werd hem (haar), door mijn toedoen, afschrift overhandigd van die beslissingen. Ik heb hem (haar) ervan op de hoogte gebracht dat, indien hij (zij) dit bevel niet opvolgt, hij (zij) gevaar loopt, onverminderd rechtsvervolging op grond van artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. Ik heb hem (haar) er eveneens van op de hoogte gebracht: - dat de weigering tot inoverwegingname van de vluchtelingenverklaring vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State overeenkomstig artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; - dat het bevel om het grondgebied te verlaten vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State overeenkomstig artikel 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 Het beroep tot nietigverklaring en in voorkomend geval de vordering tot schorsing dienen te worden ingediend binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de beslissingen. De vordering tot schorsing moet bij een afzonderlijke akte en uiterlijk samen met het verzoekschrift tot nietigverklaring worden ingesteld. Het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing moeten worden ingediend d.m.v. een verzoekschrift, dat gedagtekend en ondertekend moet zijn , hetzij door de partij, hetzij door een advocaat en dat bij ter post aangetekend schrijven moet verzonden worden aan de Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring en van een vordering tot schorsing, schorst de tenuitvoerlegging van onderhavige maatregel niet. (...).”.
  1. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  2. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “IV.
  3. Eerste gegrond middel : gebrek aan motivering in samenhang met een schending van artikel 1 A 2 van de Conventie van Genève van 1951 en de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 XIV-6737-3/11 - Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur m.n. de motiveringsplicht - Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen - Schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 Het is een algemeen rechtsbeginsel dat elke bestuurshandeling moet steunen op motieven in feite en in rechte. Ook artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 vereist dat administratieve beslissingen zoals in casu bestreden met redenen worden omkleed. Bovendien verplicht de Wet van 29.07.1991 de overheid bij elke bestuurshandeling met individuele draagwijdte in de beslissing zelf de feitelijke en juridische gronden aan te duiden waarop zij steunt. Niemand zal betwisten dat de bestreden beslissing een bestuurshandeling met individuele draagwijdte is en derhalve onderworpen is aan de formele motiveringsplicht. “Het ontbreken van de formele motivering wanneer dat vereist is, leidt dus per se tot de onrechtmatigheid van de beslissing: ook al zijn er goede motieven in het administratief dossier te vinden, dat is niet voldoende.” (BOES, M., Administratief recht, ACCO, Leuven, 1998-99, 55) Bovendien moet de motivering afdoende zijn (= materiële motiveringsplicht). “In het licht van de vermelde motieven moet de beslissing als redelijk voorkomen, d.w.z., dat men, vertrekkende van de motieven in rede tot de genomen beslissing moet kunnen komen.” (BOES, M., Administratief recht, ACCO, Leuven, 1998-99, 56) Verzoeker meent dat de bestreden beslissing noch aan de formele noch aan de materiële motiveringsplicht voldoet en wel om volgende redenen. Lezing van de bestreden beslissing leert dat de beslissing van de verwerende partij eigenlijk hierop neerkomt dat verzoeker zich ter staving van zijn tweede asielaanvraag steunt op feiten die hij reeds tijdens zijn eerste asielaanvraag heeft aangehaald en dat deze feiten reeds onderzocht zijn en thans dus niet meer in aanmerking kunnen worden genomen. Het is toch evident dat verzoeker zijn tweede asielaanvraag grotendeels steunt op de feitelijke gegevens die hij heeft aangebracht tijdens de eerste asielaanvraag. Nieuw is dat verzoeker thans in het bezit is gekomen van een aantal stukken die zijn asielrelaas bevestigen. Bovendien heeft verzoeker met zijn tweede asielaanvraag willen benadrukken dat de feitelijke gegevens van zijn asielaanvraag (dorp en huis vernield; broer veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf in een Servische gevangenis; broer effectief gevangen, ... ) zich nog steeds bestendigen en hij derhalve niet veilig naar Kosovo kan terugkeren. De nieuwe stukken - zoals uiteengezet onder III.
  4. Voorafgaand - staven precies en bewijzen juist de ware toedracht van het verhaal van verzoeker. Nergens maakt de bestreden beslissing melding van het feit dat verzoeker zijn tweede asielaanvraag heeft gesteund op deze nieuwe stukken; nergens wordt uiteengezet welke stukken verzoeker heeft bijgebracht n.a.v. zijn tweede asielaanvraag en nergens blijkt uit de beslissing waarom deze nieuwe stukken niet in overweging kunnen worden genomen. Nergens gaat de beslissing in concreto in op de feiten gelinkt aan de nieuwe stukken die verzoeker in het kader van zijn tweede asielaanvraag heeft aangebracht. De bestreden beslissing heeft het enkel - zonder enige verdere motivering - over “heen gegevens aan die betrekking hebben op de situaties of feiten die zich hebben voorgedaan na de laatste feiten van de vorige procedure waarin betrokkene ze had kunnen aanbrengen.” Het is evident dat het precies de nieuwe stukken zijn die verzoeker nu bijbrengt, die nochtans de feiten in hun juiste context kunnen plaatsen en de juistheid ervan aantonen. De stukken gaan bovendien uit van officiële instanties zodat er geen enkel objectief gegeven voorhanden is om aan de waarachtigheid ervan te twijfelen. Enkel stellen dat er geen nieuwe gegevens worden aangebracht zonder in concreto te verwijzen naar de thans bijgebrachte stukken, voldoet dan ook geenszins aan de formele en materiële motiveringsplicht. De bedoeling van de motiveringsplicht is dat de betrokkene perfect weet op welke gronden de beslissing is genomen. XIV-6737-4/11 (Cons. Etat, 12 mai 1989, arrêt nr. 32.560, R.A.C.E., 1989) Dit is in casu niet het geval!!! Door dergelijke handelwijze maakt de verwerende partij er zich dan ook al te gemakkelijk van af !!! De bestreden beslissing had moeten motiveren waarom zij de thans door verzoeker voorgelegde stukken weigert in overweging te nemen niettegenstaande deze de juistheid van de feiten die aan de asielaanvraag ten grondslag liggen kunnen bewijzen en deze aantonen dat de feiten zich nog steeds bestendigen waardoor verzoeker niet veilig naar Kosovo kan terugkeren. Verzoeker meent dan ook dat de verwerende partij de tweede asielaanvraag van verzoeker wel in aanmerking had moeten nemen en verder onderzoeken te meer daar verzoeker van oordeel is dat hij aan de voorwaarden voldoet om het statuut van politiek vluchteling te bekomen. Verzoeker is m.n. de mening toegedaan dat hij de voorwaarden van artikel 1 A 2 van de Conventie van Genève van 1951 vervult:
  5. zich buiten het land van herkomst bevinden Hierover bestaat geen discussie.
  6. gegronde vrees voor vervolging Uit de uiteenzetting van de feiten blijkt duidelijk dat verzoeker niet veilig naar Kosovo kan terugkeren : verzoeker is ternauwernood aan de Servische politie kunnen ontsnappen, de broer van verzoeker is opgepakt en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaar, de broer van verzoeker is effectief in een Servische gevangenis opgesloten - nog steeds -, de familie van verzoeker en verzoeker zelf zijn dus gekend bij de autoriteiten en worden geviseerd, het dorp en het huis van verzoeker is vernield. Al deze gegevens worden bevestigd in de door verzoeker nieuw bijgebrachte stukken die uitgaan van officiële instanties en dus niet zo maar verklaringen van vrienden / buren betreffen. Er is geen enkele objectief gegeven om aan de waarachtigheid van deze documenten te twijfelen; doch weigert de verwerende partij om ze in aanmerking te nemen... is dit behoorlijk bestuur ? Nee.
  7. omwille van ras, religie, nationaliteit, behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging Het is duidelijk dat in casu verzoeker wordt vervolgd / een gegronde vrees heeft voor vervolging omdat hij een etnisch Albanees is gekend door de autoriteiten en dit te meer omdat zijn broer opgesloten zit wegens veroordeling tot een gevangenisstraf van 13 jaar wegens zogenaamd “terrorisme.”
  8. de bescherming van het land niet kunnen of willen inroepen Verzoeker ziet werkelijk niet in wie verzoeker daadwerkelijk zou kunnen beschermen. Ook in de regio is het voor verzoeker niet veilig gelet op de daar heersende spanningen tussen verschillende etnische groepen. Verzoeker is dan ook de mening toegedaan dat het eerste middel in haar geheel gegrond is.”; 2.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Repliek op het eerste middel In zijn eerste middel voert verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, alsook van de formele motiveringsplicht besloten in de artikelen 2 en 3 van de wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in art. 62 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, “in samenhang met een schending van artikel 1 A 2 van de Conventie van Genève van 1951 en de artikelen 48 en 49" van de laatstvermelde wet. De motivering van de beslissing van weigering tot inoverwegingname van verzoekers vluchtelingenverklaring zou gebrekkig zijn, omdat daarin geen melding wordt gemaakt “van het feit dat verzoeker zijn tweede asielaanvraag heeft gesteund op ( ... ) nieuwe stukken” en er niet uit blijkt “waarom deze nieuwe stukken niet overweging kunnen worden genomen”. Verzoeker zou bij gebreke van een verwijzing in concreto naar de genoemde stukken niet perfect weten op welke gronden de betrokken beslissing is genomen. XIV-6737-5/11 Hij leidt daaruit af “dat de verwerende partij de tweede asielaanvraag van verzoeker wel in aanmerking had moeten nemen en verder onderzoeken te meer daar verzoeker van oordeel is dat hij aan de voorwaarden voldoet om het statuut van politiek vluchteling te bekomen”, waarna hij dit laatste “oordeel” verder toelicht. De verwerende partij antwoordt hierop dat wat in de betrokken bestreden beslissing dient te worden gemotiveerd de weigering tot inoverwegingname van verzoekers tweede vluchtelingenverklaring is, en niet, zoals verzoeker verkeerdelijk aanneemt, een daarvan onderscheiden weigering tot inoverwegingnaine van nieuwe stukken. Van een weigering tot inoverwegingname van nieuwe stukken is overigens geen sprake, voor zover men hieronder verstaat dat er om verzoekers tweede asielaanvraag te beoordelen op die stukken in het geheel geen acht zou zijn geslagen: de nieuwe stukken van verzoeker zijn wel degelijk beoordeeld, althans op die kenmerken die relevant zijn om uit te maken of ze een inoverwegingname van verzoekers tweede asielaanvraag kunnen rechtvaardigen, oordeel dat voor verzoeker negatief is uitgevallen. De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken heeft dit oordeel zowel formeel als materieel naar behoren gemotiveerd door te verwijzen naar art. 51/8 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en door te vermelden dat verzoeker geen gegevens heeft aangebracht aan die betrekking hebben op situaties of feiten die zich hebben voorgedaan na de laatste feiten van de vorige procedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen. Qua materiële motivering kan er geen probleem zijn, aangezien uit niets blijkt - en door verzoeker trouwens ook niet wordt gesteld - dat de laatstgenoemde verwijzing en vermelding onverenigbaar zijn met de inhoud van het administratief dossier. De motivering voldoet voorts ook vanuit formeel oogpunt, want de voornoemde verwijzing en vermelding laten verzoeker toe om te begrijpen dat de gegevens die hij in het kader van zijn tweede asielaanvraag heeft voorgelegd, het weze door het aanbrengen van nieuwe stukken, het weze door het afleggen van een nieuwe verklaring, volgens de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken niet kunnen worden beschouwd als nieuwe gegevens in de zin van het laatstgenoemde wetsartikel, daar zij geen betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin hij ze had kunnen aanbrengen. Verzoeker is hierdoor voldoende ingelicht om te kunnen opkomen tegen de beslissing in kwestie, wat de wezenlijke doelstelling is van de door verzoeker ingeroepen formele motiveringsplicht (cf. R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, T.B.P. 1996, 698), want door de genoemde verwijzing en vermelding wordt hem duidelijk gemaakt dat het oordeel dat hij dient te bestrijden, inhoudt dat de gegevens die hij in het kader van zijn tweede asielaanvraag heeft voorgelegd geen feiten of situaties betreffen die zich situeren na de laatste fase in zijn vorige asielprocedure. Hij moet worden geacht er zich rekenschap te kunnen van geven dat, indien de betrokken beslissing op een regelmatige wijze blijkt te zijn genomen (quod est in casu), hij deze slechts kan doen ongedaan maken door aan te tonen dat de gegevens waarop hij zijn tweede asielaanvraag heeft laten steunen, kennelijk niet kunnen worden aangezien als geen nieuwe gegevens in de hier besproken betekenis. Als deze weerlegging mogelijk is (quod non, cf. infra, de repliek op het tweede middel), kan zij geenszins afhangen van een verdere opgave van motieven, aangezien verzoeker dan evident uit zichzelf kennis moet hebben van de eigenschappen die de door hem aangebrachte gegevens bezitten en die (naar zijn mening) toelaten om ze te aanzien als nieuwe gegevens in de laatstvermelde betekenis. Nu er dus geen sprake is van een gebrekkige materiële of formele motivering van de betrokken bestreden beslissing, kan van daaruit uiteraard evenmin de gevolgtrekking worden gemaakt “dat de verwerende partij de tweede asielaanvraag van verzoeker wel in aanmerking had moeten nemen” of het bestaan worden aangenomen van een met dit motiveringsgebrek samenhangende schending van “artikel 1 A 2 van de Conventie van Genève van 1951 en de artikelen 48 en 49 van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980". Tenslotte, voor wat de repliek op het thans besproken middel betreft, kan nog worden opgemerkt dat de vraag of verzoeker “aan de voorwaarden voldoet om het statuut van (...) vluchteling te bekomen” als zodanig niet aan de orde is geweest, noch kon zijn, bij het nemen van de bedoelde beslissing, nu met die beslissing slechts uitspraak kon worden gedaan over het aanbrengen door verzoeker van nieuwe gegevens betreffende ernstige aanwijzingen van een asielrechtelijk relevante vervolgingsvrees in zijnen XIV-6737-6/11 hoofde, zodat die vraag in de huidige rechtspleging dan ook evenmin nuttig ter sprake kan worden gebracht. Het eerste middel kan niet worden aangenomen.”; 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker stelt dat de bestreden beslissing noch aan de formele, noch aan de materiële motiveringsplicht voldoet; dat nu blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; dat verzoeker zelf in zijn verzoekschrift erkent dat “het evident is dat verzoeker zijn tweede asielaanvraag grotendeels steunt op de feitelijke gegevens die hij heeft aangebracht tijdens zijn eerste asielaanvraag. Nieuw is dat verzoeker thans in het bezit is gekomen van een aantal stukken die zijn asielrelaas bevestigen.”; dat artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalt dat de "nieuwe gegevens betrekking moeten hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen"; dat de elementen die verzoeker in zijn tweede asielaanvraag heeft aangebracht eventueel nieuw zijn in de zin dat zij nog niet eerder ter kennis werden gebracht; dat niet blijkt dat zij betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan ná de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, wel degelijk deze nieuwe documenten heeft onderzocht; dat de verwerende partij echter oordeelde dat dit geen “nieuwe elementen” zijn in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker niet met concrete gegevens aantoont dat de verwerende partij bij het nemen van haar beslissing artikel 51/8 heeft geschonden; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
  11. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “IV.
  12. Tweede gegrond middel : schending van artikel 51/8 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in samenhang met het gebrek aan motivering Artikel 51/8 Vreemdelingenwet stelt dat de Minister of de gemachtigde beschikt over de mogelijkheid om de verklaring als vluchteling niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een bevoegde overheid en hij of zij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er wat hem of haar betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Uit wat onder IV.
  13. Voorafgaand en onder IV.
  14. Eerste gegrond middel is uiteengezet, kan niet anders dan worden afgeleid dat verzoeker thans wel degelijk over nieuwe gegevens beschikt om zijn asielaanvraag te staven. Hiermee houdt de bestreden beslissing geen rekening. De bestreden beslissing motiveert niet waarom. (zie IV.
  15. Eerste gegrond middel) “Uit de logica van de wet zelf volgt dat deze bevoegdheid restrictief dient te worden uitgeoefend. De Minister of de gemachtigde kan enkel nagaan of de asielzoeker nieuwe gegevens aanbrengt dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. Van zodra een nieuw gegeven door de vreemdeling wordt aangebracht, zal de verklaring in aanmerking moeten worden genomen en een beslissing moeten worden genomen over de ontvankelijkheid. Bij de evaluatie of deze gegevens ernstige aanwijzingen uitmaken van het bestaan van een gegronde vrees, mag de Minister of de XIV-6737-7/11 gemachtigde niet overgaan tot de beoordeling van de vraag of die aanwijzingen de uitgedrukte vrees ook kunnen gronden. Een dergelijke appreciatie, die noodzakelijkerwijze een oordeel inhoudt over de gegrondheid van de aanvraag, kan enkel gebeuren in de ontvankelijkheidsfase en in de gegrondheidsfase. (VANHEULE, D., Vluchtelingen, Mys en Breesch, Gent, 1998, 90) Door de nieuwe gegevens die verzoeker aanbrengt niet in aanmerking te nemen en op basis daarvan tot het besluit te komen dat er geen gegronde vrees voor vervolging is, schendt de bestreden beslissing artikel 51/8 Vreemdelingenwet. Het tweede middel is derhalve ook gegrond.”; 2.2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Repliek op het tweede middel Verzoekers tweede middel berust op de “schending van art. 51/8 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in samenhang met het gebrek aan motivering”. Daartoe verwijst verzoeker, behalve naar een rechtsgeleerd citaat over de strekking van het voornoemde wetsartikel, naar de opgave van de nieuwe stukken die hij in het kader van zijn tweede asielaanvraag heeft voorgelegd, waaruit volgens hem noodzakelijk moet “worden afgeleid dat verzoeker thans wel degelijk over nieuwe gegevens beschikt om zijn asielaanvraag te staven”. Volgens verzoeker is met die stukken in de bestreden beslissing geen rekening gehouden, zonder dat dit is gemotiveerd. Dit laatste verwijt werd reeds genoegzaam weerlegd bij de beantwoording van het eerste middel, hierboven in deze memorie, zodat volgens de verwerende partij dienaangaande dan ook kan worden volstaan met een verwijzing naar die repliek. Voor wat specifiek de schending betreft van art. 51/8 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan er op worden gewezen dat verzoeker ten onrechte kennelijk het enkele voorleggen van nieuwe stukken gelijkschakelt met het aanbrengen van nieuwe gegevens in de zin van dit wetsartikel. Dit blijkt vooreerst uit een aantal vermeldingen in verzoekers eerste middel die niet enkel tekenend zijn voor zijn verkeerde opvattingen over de rechtsregels waarvan hij in dat middel de schending aanvoert, maar ook voor zijn gebrek aan inzicht in de juiste betekenis van het laatstvermelde rechtsbegrip, te weten de vermeldingen dat: - “verzoeker zijn tweede asielaanvraag grotendeels steunt op de feitelijke gegevens die hij heeft aangebracht tijdens de eerste asielaanvraag”; - “(n)ieuw is dat verzoeker thans in het bezit is gekomen van een aantal stukken die zijn asielrelaas bevestigen”; - “de feiten die aan de asielaanvraag ten grondslag liggen (...) zich nog steeds bestendigen” (vetschrift en onderstreping toegevoegd). Dergelijke vermeldingen vormen eigenlijk al een erkenning van het feit dat verzoeker geen nieuwe gegevens in de zin van art. 51/8 van de genoemde wet dd. 15.12.1980 heeft aangebracht, want ze staan haaks op het kenmerk dat in fine van het eerste lid van dit wetsartikel als toepassingscriterium wordt vooropgesteld, te weten het “betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen”. Dat de nieuwe gegevens feiten of situaties gebeurd na (de laatste fase in) de vorige asielprocedure moeten betreffen, sluit inderdaad uit dat dezelfde feitelijke gegevens worden voorgelegd als in die vorige procedure, dat deze laatste gegevens louter worden bevestigd of dat enkel wordt gewezen op een bestendiging van feiten die eerder onvoldoende werden geacht om de toekenning van de vluchtelingenstatus te verantwoorden. De zonet besproken indicaties van het verschil dat er bestaat tussen verzoekers “nieuwe stukken” en de wettelijk voorgeschreven “nieuwe gegevens”, wordt bevestigd wanneer men de aan de eigenlijke uiteenzetting van verzoekers middelen voorafgaande opgave van die nieuwe (en andere) stukken in verband brengt met de inhoud van de definitief geworden bevestigende beslissing van weigering van verblijf dd. 09.06.2000 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, beslissing waarin de XIV-6737-8/11 gegevens worden weergegeven die verzoeker in het kader van zijn eerste asielaanvraag ter beoordeling heeft voorgelegd. Zo wordt in de laatstgenoemde beslissing vermeld dat “(h)et feit dat betrokkenes dorp nog niet heropgebouwd is, ( ... ) een probleem van socio-economische aard (is) dat als dusdanig niet onder de Criteria van de Vluchtelingenconventie ressorteert”. In het licht van een dergelijke vermelding kunnen de door verzoeker als stukken 5 en 6 bij zijn inleidend verzoekschrift gevoegde stukken, tevens stukken 62-64 van het administratief dossier, die enkel weergeven of attesteren dat zijn huis is uitgebrand, geenszins als nieuwe gegevens in de zin van het bovenvermelde wetsartikel worden beschouwd. Immers, de overweging dat “betrokkenes dorp” en dus ook zijn huis “nog niet heropgebouwd is”, is door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn voormelde beslissing dus aangenomen, maar, overigens volkomen terecht, als asielrechtelijk irrelevant beoordeeld. Stukken die niets anders doen dan de vernielde staat van verzoekers huis nog eens bevestigen, terwijl er onherroepelijk werd geoordeeld dat dit laatste geen erkenning als vluchteling kan wettigen, kunnen uiteraard niet worden aangezien als nieuwe gegevens dat er wat verzoeker betreft ernstige aanwijzingen bestaan van een asielrechtelijk relevante vrees voor vervolging. Eénzelfde oordeel dringt zich op m.b.t. de door verzoeker als stukken 7 en 8 bij zijn inleidend verzoekschrift gevoegde attesten, tevens stukken 60-61 en 65 van het administratief dossier, waarin melding wordt gemaakt van de veroordeling tot gevangenisstraf van verzoekers broer. Ook die stukken vormen slechts de weergave van een reeds in de eerste asielprocedure ter beoordeling voorgelegd en als feit aangenomen, maar als asielmotief verworpen, gegeven. Immers, in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf dd. 09.06.2000 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is reeds vastgesteld dat verzoeker is overgegaan tot de neerlegging van “documenten die de veroordeling van betrokkenes broer bevestigen” en is daaromtrent geoordeeld dat deze documenten, waarvan de inhoud niet in twijfel wordt getrokken, “geen afbreuk kunnen doen aan bovenstaande vaststellingen”, zijnde, naast de reeds vermelde vaststelling inzake de irrelevantie van de materiële staat van verzoekers dorp, de vaststellingen betreffende de afwezigheid in hoofde van verzoeker persoonlijk van een actuele vervolgingsvrees wegens de fundamentele wijziging, sinds zijn vertrek naar België, van de situatie in zijn beweerde geboortestreek, en betreffende de onaannemelijkheid van een bijzondere geviseerdheid door de Albanese bevolking aldaar. In het licht van deze laatste vaststellingen kan bovendien ook het door verzoeker thans als stuk 10 voorgelegde en in het administratief dossier als stuk 67 opgenomen medisch attest worden van de hand gewezen als nieuw gegeven in de hier bedoelde zin. Uit die vaststellingen blijkt namelijk dat de gebeurtenissen uit het verleden die volgens het attest aan de basis zouden liggen van de daarin beschreven psychische toestand van verzoeker, niet langer actueel zijn en er voor verzoekers “angst dat hem hetzelfde lot wacht” als zijn broer geen objectieve grondslag voorhanden is. Van het overblijvende nieuwe stuk waarvan verzoeker melding maakt in zijn bovenvermelde voorafgaande opgave, gevoegd als stuk 9 bij zijn inleidend verzoekschrift, blijkt uit het administratief dossier van de verwerende partij dan weer niet dat het bij de behandeling van zijn tweede asielaanvraag is voorgelegd. Bovendien valt ook m.b.t. dit stuk niet in te zien waarom het als een nieuw gegeven in de zin van het als geschonden aangeduide wetsartikel zou zijn kunnen beschouwd, daar het geenszins betrekking heeft op verzoeker persoonlijk en evenmin een ander licht werpt op de vaststelling in de voormelde beslissing over verzoekers eerste asielaanvraag betreffende de situatie in verzoekers beweerde geboortestreek van de bevolkingsgroep waartoe hij heeft verklaard te behoren. Er is dus geen sprake van een niet in aanmerking nemen van “nieuwe gegevens die verzoeker aanbrengt”, want er zijn gewoonweg geen nieuwe gegevens als bedoeld in het door verzoeker geschonden geachte wetsartikel voorgelegd. Het rechtsgeleerd citaat dat het leeuwendeel van verzoekers besproken middel uitmaakt, is dus zonder functie. Ook het tweede middel kan niet worden aangenomen.”; XIV-6737-9/11 2.2.
  17. Overwegende dat, wat de bespreking van het tweede middel betreft het volstaat te verwijzen naar hetgeen werd uiteengezet bij de behandeling van het eerste middel; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “IV.
  19. Derde gegrond middel: schending van artikel 3 E.V.R.M. Aan verzoeker is tevens een bevel om het grondgebied te verlaten betekend. Dit betekent dat de verwerende partij van oordeel is dat verzoeker naar zijn land van herkomst kan worden gerepatrieerd. Nochtans heeft verzoeker zowel t.o.v. de asielautoriteiten als t.o.v. zijn behandelende arts (stuk 10) gesteld dat hij niet veilig naar Kosovo / de regio kan terugkeren. Verzoeker meent dat de beschrijving van de feiten en de daarbij horende stukken voldoende aanwijzingen bevatten dat verzoeker bij zijn terugkeer het slachtoffer zal worden van behandelingen verboden door artikel 3 E.V.R.M. (E.C.R.M., nr. 17.643/91, 04.06.1991 (X / Frankrijk), Rev. Dr. Etr., 1999,483) De verwerende partij kan de veiligheid van verzoeker niet garanderen zodat de eerbiediging van artikel 3 EVRM in het gedrang komt. “Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens besliste immers dat de uitzetting van een kandidaat-vluchteling de verantwoordelijkheid van de uitzettende staat kan meebrengen als er ernstige en gegronde redenen voor handen zijn om aan te nemen dat de betrokkene in zijn of haar land blootgesteld zou worden aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM” (E.H.R.M., Cruz Varas, 20.03.1991, PUBL. Hof, Serie A, VOL 201) Het derde middel is derhalve ook gegrond.”; 2.3.
  20. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Repliek op het derde middel Het derde middel van verzoeker is gericht tegen het hem gegeven bevel om het grondgebied te verlaten. Dit laatste zou strijdig zijn met “artikel 3 E.V.RM.”, omdat de verwerende partij verzoekers veiligheid in zijn lands(deel) van zijn herkomst niet zou kunnen garanderen. De verwerende partij acht dit middel onontvankelijk, omdat de vermelding van het letterwoord “E.V.R.M.” haar niet toelaat met zekerheid te achterhalen welke precies de rechtsregel is die verzoeker geschonden acht. Een dergelijke onduidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel vormt een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging, dat ook t.a.v. de verwerende partij moet worden nageleefd en dat moet worden beoordeeld vanuit haar standpunt, aangezien haar vermogen om tegenspraak te voeren op het spel staat (cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.C.E. 1994, z.p.). Bovendien is verzoeker ook onduidelijk in zijn vermelding van de wijze waarop de rechtsregel die hij mag bedoelen met zijn verwijzing naar “art. 3 E.V.R.M.” door het geven van het bevel om het grondgebied te verlaten zou zijn geschonden. De enkele vermelding dat “(v)erzoeker meent dat de beschrijving van de feiten en de daarbij horende stukken voldoende aanwijzingen bevatten dat verzoeker bij zijn terugkeer het slachtoffer zal worden van behandelingen verboden door artikel 3 E.V.R.M.” kan desbetreffend niet volstaan, aangezien daarmee niet wordt duidelijk gemaakt welke die behandelingen wel mogen zijn. De verwerende partij ziet, gelet op het voorgaande, inzonderheid de repliek op het tweede middel, overigens niet in hoe uit verzoekers “beschrijving van de feiten en de daarbij horende stukken” een gevaar voor verzoekers veiligheid in zijn lands(deel) van herkomst zou kunnen worden afgeleid. Zo het al niet onontvankelijk zou zijn, is het derde middel derhalve alleszins minstens ongegrond.”; XIV-6737-10/11 2.3.
  21. Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot de blote bewering dat hij bij zijn terugkeer het slachtoffer zal worden van handelingen verboden door artikel 3 van het E.V.R.M.; dat hij geen concrete, op zijn persoonlijke situatie betrokken feiten aanbrengt ter staving van zijn bewering; dat hij niet aantoont dat hij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 173, 53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-6737-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.754 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.