id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.757 Rolnummer: A. 137332/XIV-15345 Zaak: Arrest 144757 - - 20/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 15:29 Fiche Arrest nr 144.757 van 20 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.757 van 20 mei 2005 in de zaak A. 137.332/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 30 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2005; XIV-15.345-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is op 15 december 2002 in België binnengekomen, waar hij zich op 16 december 2002 vluchteling verklaart. 1.
- Op 21 maart 2003 wordt aan verzoeker een beslissing betekend van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 april 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf van 21 maart
- Dit is de bestreden beslissing : “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit (Noord-)Mitrovicë. In 1995 bent u met uw ouders naar Durrës (Albanië) getrokken omwille van de oorlog in Kosovo. U bent er gebleven tot 1999, toen de NAVO naar Kosovo kwam. Eerst is uw vader naar Mitrovicë teruggekeerd en twee weken later zijn ook u en uw moeder gevolgd. De Serviërs verhinderden u evenwel naar uw woning in Noord-Mitrovicë te gaan. U bent dan vervolgens met uw moeder bij uw oom in Shipol (gemeente Mitrovicë) ingetrokken. Daar bent u gebleven tot uw vertrek naar het buitenland. Intussen was uw vader in Mitrovicë nergens te bespeuren. U deed navraag naar hem bij KFOR, maar ook zij hadden geen nieuws over hem. U vermoedt dat uw vader door de Serviërs vermoord is. Ergens in het midden van 2000 bent u samen met enkele vrienden naar Noord-Mitrovicë gegaan om uw vader te zoeken. In Noord-Mitrovicë werden jullie tegengehouden door drie Serviërs, met wie jullie vervolgens in een gevecht verwikkeld raakten. Al spoedig kwamen nog andere Serviërs toegesneld en zijn jullie naar Zuid-Mitrovicë gevlucht. U keerde terug naar de woning van uw oom. Enige tijd later zijn enkele Serviërs in wagens, waaronder één Serviër die ook betrokken was in het gevecht in het noorden van de stad, u komen zoeken. Toen u de woning verliet, naderden de wagens u en werd u aangemaand te stoppen. U zag dat de inzittenden gewapend waren en keerde terug naar de woning van XIV-15.345-2/7 uw oom. Uw oom liet u sindsdien niet meer alleen de straat opgaan. Na dit voorval hebt u geen concrete problemen meer gekend met Serviërs. Eind 2002 besloot u Kosovo te verlaten omdat uw leven niet in veiligheid was en u niet de hele tijd opgesloten wou zitten. U bent eerst naar Italië getrokken, waar u ongeveer anderhalve maand verbleven hebt en waar u een asielaanvraag indiende. Toen u een negatieve beslissing kreeg, reisde u door naar België, waar u aankwam op 15 december 2002 en de volgende dag asiel aanvroeg. U wenst niet naar Mitrovica terug te keren omdat u nog steeds de Serviërs vreest. U wenst evenmin naar een andere plaats in Kosovo terug te keren omdat het daar ook niet veilig zou zijn en u elders geen woning hebt. U beschikt over geen enkel identiteitsdocument. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u Kosovo eind 2002 verlaten hebt uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst een dergelijke vrees zou dienen te hebben. De door u aangehaalde vechtpartij met Serviërs medio 2000 blijkt een éénmalig incident te zijn, wat geenszins in overeenstemming te brengen is met een systematische vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Na de vechtpartij bent u vervolgens nog ongeveer twee jaar in Shipol gebleven zonder er concrete problemen met Serviërs te kennen. Een dergelijke houding getuigt van weinig haast en is evenmin in overeenstemming te brengen met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. U hebt bovendien geen overtuigende elementen aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u zich, als etnische Albanees, omwille van één van de redenen opgenomen in de Vluchtelingenconventie niet elders in Kosovo, meerbepaald in gebieden waar geen Serviërs meer wonen, zou kunnen vestigen en aldus de door u beweerde problemen met Servische burgers in Mitrovicë niet zou kunnen vermijden of ontlopen. Het door u in dit verband aangehaalde motief als zou u elders in Kosovo niet over een woning beschikken (verhoorverslag p.24), is een motief van algemeen socio-economische aard, dat als dusdanig niet ressorteert onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Wat het tweede door u vermelde motief betreft, met name het feit als zou het nergens in Kosovo veilig zijn, dient opgemerkt te worden dat u zich, indien u veiligheidsproblemen vreest of zou ondervinden, steeds voor bescherming kan wenden tot de lokale autoriteiten of tot de internationale gemeenschap, die sinds de uitvaardiging van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999 in Kosovo aanwezig is en die reeds heel wat ernstige inspanningen heeft geleverd om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven in Kosovo. Het zijn overigens vooral etnische minderheden, waaronder de Serviërs, die momenteel bescherming nodig hebben van de internationale autoriteiten. Verder dient te worden opgemerkt dat de verklaringen omtrent de (vermoedelijke) dood van uw vader, dermate inconsistent zijn dat er geen geloof aan kan worden gehecht. Zo verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat uw vader stierf op 27 oktober 2000 (verhoorverslag p. 4 en 15). Gevraagd waarom u deze datum opgaf, beweerde u hem vanaf die datum niet meer gezien te hebben (p. 14). Nochtans had u reeds eerder verklaard dat uw vader in 1999 naar Kosovo terugkeerde en u hem sindsdien niet meer terugzag (p. 11-13). U trachtte deze inconsistentie te verklaren door te zeggen dat u van "iemand" gehoord had dat uw vader op 27 oktober 2000 omkwam (p.15). Gevraagd van wie u dit dan wel vernam, antwoordde u echter "niemand" (p.15). Ten slotte dient nog gewezen te worden op een inconsistentie tussen uw opeenvolgende verklaringen, die uw geloofwaardigheid verder op de helling zet. Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u vijf maanden na het incident met de Serviërs naar Albanië getrokken te zijn. U zou daar gedurende één jaar en twee maanden verbleven hebben en van daaruit doorgereisd zijn naar Italië en vervolgens naar België (DVZ- gehoorverslag p.13). Tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat- generaal maakte u geen enkel gewag van dit langdurig verblijf in Albanië. Geconfronteerd met uw verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, weet u de inconsistentie aan de tolk, die volgens u uw uitleg niet goed begrepen zou hebben. Die verklaring kan echter niet als een afdoende uitleg worden beschouwd, omdat blijkt dat u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord XIV-15.345-3/7 hebt ondertekend en omdat u geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de tolk die of andere verklaringen niet of niet goed vertaald heeft. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
- I.
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 25.04.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 21.03.
- In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat hij het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij Kosovo eind 2002 verlaten hebt (heeft) uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst een dergelijke vrees zou dienen te hebben. III.
- De door mijn verzoeker aangehaalde vechtpartij met Serviërs medio 2000 is geen éénmalig incident te zijn, wat in overeenstemming te brengen is met een systematische vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Na de vechtpartij is hij vervolgens nog ongeveer twee jaar in Shipol ondergedoken gebleven en had daardoor geen concrete problemen met Serviërs. Een dergelijke houding is in overeenstemming te brengen met een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Hij heeft bovendien overtuigende elementen aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat hij zich, als etnische Albanees, omwille van één van de redenen opgenomen in de Vluchtelingenconventie niet elders in Kosovo, meerbepaald in gebieden waar geen Serviërs meer wonen, zou kunnen vestigen en aldus de door hem beweerde problemen met Servische burgers in Mitrovicë niet zou kunnen vermijden of ontlopen. Het door hem in dit verband aangehaalde motief als zou hij elders in Kosovo niet over een woning beschikken (gehoorverslag CGVS p.24), is geen motief van algemeen socio-economische aard, maar een realiteit die een interne vlucht uitsluit en als dusdanig niet ressorteert onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Wat het tweede door hem vermelde motief betreft, met name het feit als zou het nergens in Kosovo veilig zijn, dient opgemerkt te worden dat hij zich, indien hij veiligheidsproblemen vreest of zou XIV-15.345-4/7 ondervinden, niet steeds voor bescherming kan wenden tot de lokale autoriteiten of tot de internationale gemeenschap, die sinds de uitvaardiging van resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999 in Kosovo aanwezig is en die reeds heel wat ernstige inspanningen heeft geleverd om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven in Kosovo. Deze troepen zijn onderbemand en moeten nu reeds toegeven dat zij niet gans Kosovo kunnen bestrijken. Verder dient te worden opgemerkt dat de verklaringen omtrent de (vermoedelijke) dood van zijn vader, dermate consistent zijn dat er geloof aan kan worden gehecht. Zo verklaarde hij op het Commissariaat-generaal dat zijn vader stierf op 27 oktober 2000 (gehoorverslag p. 4 en 15). Gevraagd waarom hij deze datum opgaf, beweerde hij hem vanaf die datum niets meer over hem gehoord te hebben, zodat hij dan tot de conclusie kwam dat hij dood was (gehoorverslag CGVS p, 14). Hij had reeds eerder verklaard dat zijn vader in 1999 naar Kosovo terugkeerde en hij hem sindsdien niet meer terugzag (gehoorverslag CGVS p. 11-13). Hij legde deze schijnbare inconsistentie uit door te zeggen dat niemand nog van hem gehoord had en dat hij besloot dat zijn vader dan ook effectief omgekomen was (gehoorverslag CGVS p. 15). Ten slotte dient nog gewezen te worden dat er geen inconsistentie is tussen zijn opeenvolgende verklaringen. Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde hij niet dat hij vijf maanden na het incident met de Serviërs naar Albanië getrokken is en daar gedurende één jaar en twee maanden verbleven heeft en is van daaruit doorgereisd (zijn) naar Italië en vervolgens naar België (gehoorverslag DVZ p. 13). Tijdens het gehoor in dringend beroep op het Commissariaat-generaal maakte hij geen enkel gewag van dit langdurig verblijf in Albanië omdat dit onjuist was. Geconfronteerd met deze verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken, weet hij terecht de inconsistentie aan de tolk, die volgens hem zijn uitleg niet goed begrepen heeft. Die verklaring kan echter niet als een afdoende uitleg worden beschouwd. II.
- In zijn beslissing dd. 25.04.2003 heeft de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R. v. St nr. 44.801, 3 november 1993, T Vreemd., 1994, 95; T. Vreemd., 1994, 56; Rev. Dr. Etr. 1994, 29”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich in hoofdzaak beperkt tot de loutere negatie van hetgeen in de bestreden beslissing wordt vastgesteld; dat nergens verzoeker met concrete elementen verduidelijkt waarom hij meent dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zijn; dat moet worden opgemerkt dat via een dergelijke summiere uiteenzetting verzoeker niets meer doet dan te kennen geven dat hij het niet eens is met de interpretatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van de door hem afgelegde verklaringen; dat tot slot verzoeker vermeldt dat de door hem aangehaalde feiten door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet werden besproken, noch weerlegd; dat verzoeker tevens vermeldt dat nieuwe elementen werden aangebracht, doch dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden XIV-15.345-5/7 beslissing stelde dat dit niet het geval was, waardoor de in het middel vermelde wetsartikelen zouden zijn geschonden; dat, dient opgemerkt dat verzoeker niet specifieert welke elementen hij bedoelt of in welke mate deze elementen zouden afdoen aan de vaststellingen van de bestreden beslissing; dat evenmin deze “nieuwe elementen” uit het administratief dossier kunnen worden afgeleid; dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de in het middel aangehaalde wets- en verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen zijn geschonden; dat het enig middel niet ontvankelijk is; 2.
- Overwegende dat, bij gebrek aan een ontvankelijk rechtsmiddel, het beroep zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.345-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig mei tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.345-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.