← België

Arrest 144773 - - 23/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.773 Rolnummer: A. 69332/IX-2095 Zaak: Arrest 144773 - - 23/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 15:32 Fiche Arrest nr 144.773 van 23 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.773 van 23 mei 2005 in de zaak A. 69.332/IX-

  1. In zake : Yvan DE STRIJCKER, wonende te MELIN (JODOIGNE), Rue du Sart 38 tegen : het Fonds voor de Beroepsziekten, dat woonplaats kiest bij advocaten J. PUTZEYS en X. LEURQUIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Yvan DE STRIJCKER op 10 juni 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 10 april 1996 van het beheerscomité van het Fonds voor de Beroepsziekten houdende bevordering van zes Nederlandstalige bestuursassistenten tot de graad van bestuurschef met ingang van 1 april 1996; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2095-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. JACUBOWITZ, die loco advocaten J. PUTZEYS en X. LEURQUIN, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is sinds 1983 in dienst bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. 1.
  5. Bij ministerieel besluit van 16 juni 1986 wordt hij bevorderd tot de graad van onderbureauchef met ingang van 1 april 1986, nadat hij op 27 januari 1986 was geslaagd in het daartoe voorziene examen. 1.
  6. Met ingang van 1 maart 1991 wordt verzoeker overgeplaatst naar het Fonds voor de Beroepsziekten. IX-2095-2/12 1.
  7. In uitvoering van het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4, wordt hij met ingang van 1 januari 1994 ambtshalve benoemd tot de graad van bestuursassistent (weddeschaal 20E). 1.
  8. In een omzendbrief nr. 416 van 6 juli 1995 “Bevordering door verhoging in graad tot de graden van rang
  9. Orde van bevordering. Naamlijst van het personeel” stelt de minister van Ambtenarenzaken het volgende : “Gelet op de uiteenlopende interpretaties die er in de diensten gegeven worden omtrent de toe te passen reglementaire bepaling inzake de orde van bevordering van de ambtshalve kandidaten voor de bevordering door verhoging in graad tot de graden van rang 22, vestig ik er uw aandacht op dat toepassing dient gemaakt te worden van artikel 31 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, d.w.z. dat in eerste orde de datum van het proces-verbaal van het examen voor verhoging in weddeschaal voorgeschreven in rang 20 of van het ermee gelijkgestelde examen in aanmerking dient genomen te worden. De bevordering door verhoging in graad tot de graden van rang 22 is immers -onder meer- onderworpen aan de voorwaarde van het slagen voor het examen voor verhoging in weddeschaal voorgeschreven in rang 20 (artikel 48 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, gewijzigd door artikel 21 van het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4).” 1.
  10. Bij dienstbericht van 15 februari 1996 wordt aan de personeels- leden van het Fonds voor de Beroepsziekten ter kennis gebracht dat in het Nederlandse taalkader zes betrekkingen van bestuurschef ( weddeschaal 22A) te begeven zijn. In dit bericht wordt onder meer uiteengezet dat “de rangschikking van de ambtenaren die ambtshalve kandidaat zijn voor de bovenvermelde betrekking- en werd opgesteld overeenkomstig de bepalingen van de omzendbrief nr. 416 van 6 juli 1995 van de Minister van Ambtenarenzaken en artikel 31 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel”. IX-2095-3/12 Het vermeldt voorts de namen van de ambtenaren die aan het beheerscomité zullen worden voorgesteld. Verzoeker wordt niet voorgesteld. 1.
  11. Bij aangetekende brief van 21 februari 1996 dient verzoeker een bezwaarschrift in, waarin hij het volgende uiteenzet : “In toepassing van het artikel 48 van het KB van 7 augustus 1939 kunnen enkel geslaagden van het examen voor de verhoging in weddeschaal voor- geschreven in rang 20 en die ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben sinds de datum van het pv in aanmerking komen voor de bevordering tot de graad van rang
  12. Gezien het feit dat ik aan deze voorwaarden voldoe en dat de bevordering tot de graad van bestuurschef zelf geen voorwerp uitmaakt van een examen, is volgens mij het eerste criterium voor de bevordering tot bestuurschef nog altijd de beoordeling van de ambtenaar en dan pas de datum van het pv.” 1.
  13. In zijn vergadering van 13 maart 1996 beslist het beheerscomité de volgende ambtenaren van het Nederlandse taalkader met ingang van 1 april 1996 tot de graad van bestuurschef te bevorderen : Gerard VANDEPUT, Roland VAN DORPE, Georges SMET, Dirk DE CONINCK, Robert BRUYNSEELS en Roland CHRISTIAENS. 1.
  14. Voormelde beslissing wordt op 10 april 1996 door het beheers- comité bekrachtigd en bij dienstbericht van 11 april 1996 aan de personeelsleden ter kennis gebracht. 1.
  15. Bij nota van 11 april 1996 wordt aan verzoeker meegedeeld dat het beheerscomité de rangschikking van de kandidaten niet gewijzigd heeft om de volgende redenen : “Inderdaad, deze rangschikking werd opgesteld volgens de instructies uit omzendbrief nr. 416 van 6 juli 1995 van de Minister van Ambtenarenzaken (Belgisch Staatsblad van 18 juli 1995). Bovendien, krachtens de bewoordingen van artikel 48 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 7 augustus 1939, 'kunnen bevorderd worden tot de graden van rang 22, de ambtenaren van rang 20 die geslaagd zijn voor het examen voor verhoging in weddeschaal voorgeschreven voor rang 20 en die minstens vier jaar IX-2095-4/12 graadanciënniteit tellen, te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal van het genoemde examen'. Zoals gepreciseerd in bovenvermelde omzendbrief nr. 416 van 6 juli 1995, moet wel degelijk toepassing worden gemaakt van artikel 31 van het genoemde koninklijk besluit van 7 augustus
  16. Dit artikel luidt als volgt: 'Art.
  17. - De bevordering door verhoging in graad waarvoor een examen is voorgeschreven, wordt verleend in deze volgorde : 1/ aan de geslaagde van het vereiste examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten; 2/ onder geslaagden van een zelfde examen, aan de geslaagden met de beste beoordeling; 3/ onder geslaagden die dezelfde beoordeling hebben gekregen, aan de geslaagde die het best gerangschikt is volgens de bepalingen die gelden inzake rangschik- king van het rijkspersoneel.'";
  18. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker de bevordering van zes Nederlandstalige bestuursassistenten tot de graad van bestuurschef aanvecht, op grond van de stelling dat in de eerste plaats de beoordeling van de kandidaten in aanmerking moest worden genomen en dan de anciënniteit vanaf de oude graad van onderbureauchef; dat, indien de stelling van verzoeker gegrond is, zijn belang beperkt is tot de nietigverklaring van de bevordering van de enige ambtenaar met de beoordeling “goed”; dat de overige vijf bevorderde ambtenaren, net zoals verzoeker, de beoordeling “zeer goed” hebben en hun graadanciënniteit groter is dan die van verzoeker; 2.2.
  20. Overwegende dat verzoeker op het ogenblik van de bestreden bevorderingen de beoordeling “zeer goed” had, terwijl één van de bevorderden, Dirk DE CONINCK, de beoordeling “goed” had; dat, indien bij de bevordering tot rang 22 voorrang zou zijn verleend aan de kandidaat met de beste beoordeling overeenkomstig artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, verzoeker en niet Dirk DE CONINCK tot bestuurschef zou zijn bevorderd; dat de bevordering van de overige vijf kandidaten, die zoals verzoeker de beoordeling “zeer goed” hadden, de IX-2095-5/12 bevordering van verzoeker niet in de weg staan; dat verzoekers belang derhalve beperkt is tot de vernietiging van de bevordering van Dirk DE CONINCK; 2.2.
  21. Overwegende dat verzoeker bij beslissing van 9 april 1997 van het beheerscomité tot de graad van bestuurschef is bevorderd met ingang van 1 mei 1997; dat verzoeker derhalve slechts belang heeft bij de vernietiging van de bevordering van Dirk DE CONINCK in de mate dat de anciënniteit van deze laatste in de graad van bestuurschef die van verzoeker overtreft;
  22. Over de gegrondheid. 3.
  23. Overwegende dat verzoeker in een enig middel aanvoert dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 31 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, aangezien de bevordering tot bestuurschef niet afhankelijk is gesteld van het slagen voor een examen; dat voornoemd artikel 31, in de versie ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de bevordering door verhoging in graad waarvoor een examen is voorgeschreven wordt verleend in volgende volgorde : “1/ aan de geslaagden van het vereiste examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten; 2/ onder geslaagden van hetzelfde examen, aan de geslaagden met de beste beoordeling; 3/ onder geslaagden die dezelfde beoordeling hebben gekregen, aan de geslaagde die het best gerang- schikt is volgens de bepalingen die gelden inzake rangschikking van het rijkspersoneel.”; dat artikel 48 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, in de versie ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat tot de graden van rang 22 kunnen worden bevorderd, de ambtenaren van rang 20 die geslaagd zijn voor het examen door verhoging in weddeschaal voorgeschreven in rang 20 en die ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben sedert de datum van het proces-verbaal van dit examen; dat hieruit niet volgt dat de bevordering tot rang 22 zelf het voorwerp is van een examen; IX-2095-6/12 dat voor een bevordering binnen het niveau die niet afhankelijk is gesteld van het slagen voor een examen in eerste orde het criterium van de beoordeling dient te spelen en in tweede orde de anciënniteit; dat deze volgorde tevens blijkt uit het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren; dat bovendien de anciënniteit binnen de nieuwe graad van bestuursassistent berekend moet worden vanaf de oude graad van onderbureauchef en niet vanaf de oude graad van opsteller; 3.2.
  24. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij het middel; dat, in de veronderstelling dat de bevordering tot bestuurschef niet onderworpen is aan het slagen voor een examen, artikel 33, § 2, en niet artikel 31, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, diende te worden toegepast; dat verzoeker met inachtneming van artikel 33, § 2, van voornoemd koninklijk besluit, op de achtste plaats zou zijn gerangschikt; dat derhalve, de beoordeling als eerste criterium bij de rangschikking in aanmerking nemend, verzoeker evenmin zou kunnen bevorderd zijn aangezien hij dan op de achtste plaats zou zijn gerangschikt en er slechts zes betrekkingen te begeven waren; dat het gegrond bevinden van het middel verzoeker geen enkel voordeel kan verschaffen; 3.2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij voorts uiteenzet dat de ambtenaren die geslaagd zijn voor het examen voor verhoging in graad voor- geschreven in rang 20 en die ten minste vier jaar dienstanciënniteit hebben sedert de datum van het proces-verbaal van dit examen, ambtshalve in aanmerking komen voor de bevordering tot rang 22; dat, hoewel er geen specifiek examen voorgeschreven is voor de bevordering tot rang 22, de bevordering tot deze graad voorbehouden is aan degenen die geslaagd zijn voor het examen voor bevordering tot rang 20; dat derhalve het slagen voor het examen, zij het onrechtstreeks, een doorslaggevende voorwaarde is voor de bevordering tot rang 22; dat bij de rangschikking van de kandidaten strikt de omzendbrief nr. 416 van 6 juli 1995 van de minister van Ambtenarenzaken en artikel 31 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van de rijksambtenaren, is toegepast en IX-2095-7/12 de in aanmerking komende ambtenaren van rang 20 gerangschikt zijn rekening houdende met de datum van het proces-verbaal van het voor verhoging in graad voorgeschreven examen; dat het proces-verbaal van het examen waarvoor verzoeker geslaagd is, dateert van 27 januari 1986 en dat er geen betwisting is omtrent het feit dat het proces-verbaal van het examen waarvoor de bevorderde kandidaten geslaagd zijn, vroeger is opgesteld; dat zij besluit dat verzoeker nalaat te vermelden op welke wijze de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren, zouden geschonden zijn; dat zij met betrekking tot dit onderdeel van het middel de exceptio obscuri libelli inroept; 3.
  26. Overwegende dat verzoeker, met betrekking tot zijn belang bij het middel, repliceert dat de anciënniteit die verworven is in de oude graad van opsteller niet dient te worden meegeteld in de nieuwe graad van bestuursassistent; dat de graad van bestuursassistent slechts vanaf 1 januari 1994 is ingevoerd ter vervanging van de oude graad van onderbureauchef; dat het koninklijk besluit van 6 september 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, bepaalt dat de bevordering tot bestuurschef in deze zin dient te worden doorgevoerd; dat hij op grond van zijn graadanciënniteit verworven als onderbureauchef op de zesde plaats gerangschikt wordt en bijgevolg in aanmerking komt voor de bevordering tot rang 22; dat, in het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren, de beoordeling als eerste criterium voor de bevordering wordt aangegeven; dat, wat betreft de exceptie van onontvankelijk- heid wegens gebrek aan belang, verzoeker in de rangschikking van de kandidaten volgens artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, op grond van zijn beoordeling in ieder geval vóór Dirk DE CONINCK zou gerangschikt worden; dat verzoeker bovendien betwist dat hij in de rangschikking een plaats inneemt die niet tot een effectieve bevordering kan leiden; dat verzoeker, terecht, stelt dat zijn belang aldus verbonden is met de grond van de zaak; 3.4.
  27. Overwegende dat artikel 48 van het koninklijk besluit van IX-2095-8/12 7 augustus 1939, zoals vervangen door het koninklijk besluit van 14 september 1994, ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : “Tot de graden van rang 22 kunnen worden bevorderd, de ambtenaren van rang 20 die geslaagd zijn voor het examen voor verhoging in weddeschaal voor- geschreven in rang 20 en die ten minste vier jaar graadanciënniteit hebben sedert de datum van het proces-verbaal van het examen”; dat artikel 28 van het koninklijk besluit van 17 september 1969 betreffende de vergelijkende examens en examens georganiseerd voor de werving en de loopbaan van het Rijkspersoneel, zoals vervangen door het koninklijk besluit van 14 september 1994, bepaalt: “Een examen voor verhoging in weddeschaal wordt ingesteld binnen elke graad van rang 20 voor het verkrijgen van de hoogste weddeschaal in die graad (...)”; dat artikel 125, § 2, van het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4, als volgt luidt: “De bestuursassis- tent die slaagt in het examen voor verhoging in weddeschaal, verkrijgt weddeschaal 20E”. 3.4.
  28. Overwegende dat, hoewel het voormeld artikel 48 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 de indruk kan wekken dat het slagen voor het examen voor verhoging in weddeschaal een specifieke voorwaarde is voor de toegang tot rang 22, de enige voorwaarde die voor de toegang tot rang 22 is opgelegd de voorwaarde is van graadanciënniteit van tenminste vier jaar, aangezien het examen voor verhoging in weddeschaal enkel vereist is om de hoogste weddeschaal van rang 20 te verkrijgen; dat voornoemd artikel 48 door het koninklijk besluit van 6 september 1996 tot wijziging van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, overigens is herschreven als volgt : “De ambtenaren van rang 20 die geslaagd zijn voor het examen voor verhoging in weddeschaal voorgeschreven in rang 20, kunnen worden bevorderd tot de graden van rang 22, op voorwaarde dat zij ten minste vier jaar graadanci- enniteit hebben sinds de datum van het proces-verbaal van hun examen voor verhoging in weddeschaal"; IX-2095-9/12 dat de bevordering tot een graad van rang 22 derhalve niet kan beschouwd worden als een bevordering door verhoging in graad waarvoor een examen is voorgeschre- ven, zodat artikel 33, en niet artikel 31, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939, van toepassing is en de bevordering bijgevolg in de eerste plaats moest worden verleend aan de kandidaat met de beste beoordeling; dat artikel 33, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het rijkspersoneel, immers ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : “De bevordering door verhoging in graad tot een graad van de niveaus 2+, 2, 3 of 4, of de bevordering door verhoging in weddeschaal in dezelfde niveaus, waarvoor geen examen wordt vereist, wordt verleend in deze volgorde : a) aan de kandidaat met de gunstigste evaluatie; b) onder kandidaten die dezelfde beoordeling hebben gekregen (...) aan de kandidaat die het best gerangschikt is volgens de bepalingen die gelden inzake rangschikking van het rijkspersoneel.”; 3.4.
  29. Overwegende dat negen ambtenaren van de Nederlandse taalrol in aanmerking kwamen om bevorderd te worden tot bestuurschef (rang 22); dat Dirk DE CONINCK als enige de beoordeling “goed” had in tegenstelling tot de overige acht kandidaten die de beoordeling “zeer goed” hadden, zodat Dirk DE CONINCK niet gunstig gerangschikt kon worden; dat de overige acht kandidaten vervolgens gerangschikt moesten worden volgens hun graadanciënniteit; dat bij artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling en de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, zoals vervangen door artikel 39 van het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4, de ambtenaren die de graad van opsteller (rang 20) of onderbureauchef (rang 22) bekleden ambtshalve benoemd worden in de graad van bestuursassistent (rang 20) met ingang van 1 januari 1994; dat artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel, opnieuw ingevoegd bij koninklijk besluit van 6 september 1996, als volgt luidde : IX-2095-10/12 “In afwijking van § 2, wordt de bevordering door verhoging in graad tot een graad van rang 22 toegekend in de volgende orde: 1/ aan de kandidaat met de beste beoordeling; 2/ tussen kandidaten met dezelfde beoordeling, aan de kandidaat die titularis was van een graad van rang 22 of 23 geschrapt door het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4 of door de bepalingen die in elke betrokken overheidsdienst de nieuwe met de niveaus 2, 3 en 4 verbonden loopbaan geïntegreerd hebben en die de grootste graad- anciënniteit heeft in de graad van rang 20 waarvan hij titularis is, sinds de datum van zijn benoeming tot de geschrapte graad van rang 22; (...)”; dat hieruit volgt dat de ambtenaren die vóór de herstructurering van de loopbanen van niveau 2, reeds titularis waren van een graad van rang 22, bijvoorbeeld die van onderbureauchef, en die na de herstructurering kandidaat zijn voor een betrekking van de nieuwe rang 22 die is opgericht door het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en 4, in de rangschikking komen vóór de ambtenaren die niet reeds tot de graad van onderbureauchef waren benoemd; dat het middel gegrond is; dat hieruit ook volgt dat de exceptie van het belang bij het middel verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  30. Vernietigd wordt de beslissing van 10 april 1996 van het beheerscomité van het Fonds voor de Beroepsziekten, in zoverre de bevordering van Dirk DE CONINCK uitwerking heeft tijdens de periode voorafgaand aan 1 mei
  31. Artikel
  32. Het beroep wordt voor het overige verworpen. IX-2095-11/12 Artikel
  33. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2095-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.