id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.780 Rolnummer: A. 159281/IX-4765 Zaak: Arrest 144780 - - 23/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 15:35 Fiche Arrest nr 144.780 van 23 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.780 van 23 mei 2005 in de zaak A. 159.281/IX-
- In zake : Peter DEBEUCKELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter DEBEUCKELAERE op 18 januari 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 8 november 2004 van de minister van Landsverdediging waarbij hij door een schorsing bij ordemaatregel voor de duur van drie maanden van zijn ambt ontheven wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 3 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4765-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor verzoeker, en van luitenant-kolonel militair administrateur R. GERITS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is sedert 21 december 1983 in dienst bij de Landmacht en wordt op 26 september 1989 opgenomen in het kader der beroepsofficieren. Op 26 september 2001 wordt hij benoemd tot de graad van kapitein-commandant. 1.
- Sedert 30 maart 2004 wordt in de pers meermaals melding gemaakt van “fraudepraktijken” binnen het leger waarbij meerdere militairen betrokken zouden zijn. 1.
- Bij schrijven van 31 maart 2004 deelt de onderzoeksrechter te Brussel aan het Directoraat Generaal Human Resources de naam van onder meer verzoeker mede als zijnde “inculpé et libéré après inculpation”. 1.
- Bij ministerieel besluit nr. 85.806 van 1 april 2004 wordt verzoeker tijdelijk uit zijn ambt ontheven door een schorsing bij ordemaatregel voor een duur van drie maanden. De vordering tot schorsing die verzoeker tegen dat besluit ingesteld heeft, wordt bij arrest nr. 137.412 van 22 november 2004 verworpen omdat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont. 1.
- Op 17 mei 2004 stelt de directeur-generaal Human Resources aan de minister van Landsverdediging voor om de schorsing bij ordemaatregel te verlengen tot uiterlijk zes maanden na het einde van de rechtsvordering. Bij koninklijk besluit nr. 4973 van 7 juni 2004 wordt de schorsing bij ordemaatregel verlengd tot uiterlijk zes maanden na het einde van de rechts- vordering, maar dit besluit wordt op 28 oktober 2004 ingetrokken. IX-4765-2/6 1.
- Bij ministerieel besluit nr. 86.117 van 8 november 2004, dat het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, wordt verzoeker dan opnieuw geschorst bij ordemaatregel voor een duur van drie maanden. Het bevat volgende motieven : “Overwegende dat een gerechtelijk (...) onderzoek tegen betrokkene werd ingeleid voor feiten die ruimschoots werden en opnieuw kunnen worden becommentarieerd in de media, derwijze dat militairen en ambtenaren van het Departement en derden redelijkerwijze geacht zijn kennis te hebben genomen en geacht zijn kennis te zullen nemen van het gerechtelijk onderzoek; Overwegende dat een opsporingsonderzoek reeds kan volstaan om een voorlopige schorsing in het belang van de dienst te rechtvaardigen ten aanzien van een militair (RvSt, arrest PIRSON, nr. 95.290 van 11 mei 2001); dat een gerechtelijk onderzoek a fortiori een voorlopige schorsing kan rechtvaardigen; Dat, hoewel het advies van zijn korpscommandant m.b.t. de heropname in de getalsterkte van betrokkene in de schoot van zijn eenheid gunstig is, zijn aanwezigheid binnen de krijgsmacht toch de tucht in het gedrang kan brengen omdat het niet uit te sluiten valt dat de militairen en de ambtenaren waarmee hij geacht wordt samen te werken, dit met terughoudenheid zullen doen, wat schadelijk is voor de goede werking van de dienst; dat betrokkene, zeker als officier, trouwens ook professionele contacten kan hebben met militairen buiten zijn eenheid, die misschien terughoudender zullen zijn om vlot samen te werken met betrokkene. Dat deze bedenkingen op zich reeds een schorsing bij ordemaatregel rechtvaardigen; Overwegende dat zoals hierboven reeds werd vastgesteld, de ten laste gelegde feiten uitgebreid besproken werden en opnieuw aan bod kunnen komen in de pers; Dat men redelijkerwijze niet kan uitsluiten dat een deel van de burger- bevolking en van de militairen niet zal begrijpen waarom betrokkene, ondanks de ten laste gelegde feiten, nog steeds aanwezig is in de schoot van Landsverdediging; Dat de aanwezigheid van betrokkene in de schoot van Landsverdediging daarom afbreuk doet aan de goede naam van het Departement, zolang deze feiten hem ten laste gelegde worden; Dat deze bedenkingen op zich eveneens een schorsing bij ordemaatregel rechtvaardigen; Overwegende dat het gerechtelijke onderzoek lopende is en dat het moeilijk is de duur ervan vooraf te bepalen; Dat het bijgevolg logisch is om de maximale duur van de schorsing bij ordemaatregel op te leggen, zijnde drie maanden; Dat, in geval van noodzaak, de duur van schorsing bij ordemaatregel door de Koning verlengd zal kunnen worden; Dat de schorsing bij ordemaatregel in werking treedt vanaf de betekening ervan aan betrokkene.” Het besluit wordt op 14 december 2004 ter kennis van verzoeker gebracht.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de IX-4765-3/6 tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde uiteenzet dat hij 43 jaar is en familiale en professionele verplichtingen heeft, dat het gerechtelijk onderzoek waarop de bestreden beslissing steunt meer dan een jaar zal duren en dat de verwerende partij zijn voorlopige schorsing zal verlengen tot zes maanden na het einde van de gerechtelijke procedure, zodat hij gedurende heel deze periode slechts 75% van zijn wedde zal ontvangen; dat hij het ook “ondraaglijk” vindt dat hij zonder enig bewijs als een corrupt officier wordt bestempeld terwijl een vernietigingsarrest dat nadeel niet zal kunnen goedmaken; dat hij betoogt dat een schorsing bij ordemaatregel, omdat zij een preventief en bewarend karakter heeft, in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, maar dat zulks in zijn geval wel zo is omdat hij zonder enig verhoor of intern onderzoek en met miskenning van het vermoeden van onschuld uit zijn ambt verwijderd is en omdat de bestreden beslissing zo onwettig is dat zij zelfs voor onbestaande gehouden moet worden; dat hij besluit dat het voorlopig karakter van zijn preventieve schorsing niet belet dat het om een zware maatregel gaat, dat het uitvaardigen van dergelijke maatregel zonder de betrokkene te horen een ernstig middel vormt en dat in de arresten nr. 134.963 en 134.964 van 15 september 2004 aangenomen is dat dit middel “op zich aanleiding (geeft) tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen tegen inbrengt dat de argumenten van verzoeker reeds in het arrest nr. 137.412 van 22 november 2004 werden verworpen en dat hij nu wel verwijst naar de miskenning van de hoorplicht, maar dat hij daarmee de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging verwart; 3.
- Overwegende dat een preventieve schorsing in het belang van de dienst, ook wanneer zij verbonden is met een strafvordering tegen de betrokken ambtenaar, een ordemaatregel is, die geen tuchtrechtelijk karakter heeft en geen uitspraak bevat over de schuld van de betrokkene; dat daarom aangenomen wordt dat, in beginsel, het nadeel dat dergelijke maatregel veroorzaakt goedgemaakt wordt door een vernietigingsarrest; dat het aan de verzoeker toekomt om aan te tonen dat zijn geval buiten het gewone valt; IX-4765-4/6 Overwegende bovendien, dat een schorsingsarrest slechts voor de toekomst geldt en dat het niet vermag het reeds ondergane nadeel goed te maken; dat vanuit dat oogpunt een schorsingsarrest alleen dan nog voor verzoeker nuttig kan zijn wanneer blijkt dat het oorspronkelijke nadeel, waarvan de ernst en het moeilijk te herstellen karakter aangenomen is, op het ogenblik van de uitspraak over de vordering tot schorsing nog voortduurt; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker hetzelfde nadeel aanvoert als hetgeen hij in zijn verzoekschrift, bij de Raad van State bekend onder het nummer A 152.014/IX-4538, gericht tegen een eerdere preventieve schorsing voor de duur van drie maanden, heeft uiteengezet; dat de Raad van State in zijn arrest nr. 137.412 van 22 november 2004 de argumentatie van verzoeker verworpen heeft; dat die uiteenzetting voor de onderhavige zaak wordt bijgevallen; dat de rechtspraak naar dewelke verzoeker in deze zaak verwijst geen reden is om nu een ander standpunt in te nemen aangezien in de arresten vermeld in het verzoekschrift geen uitspraak gedaan is over het nadeel en aangezien in het arrest nr. 138.731 van 21 december 2004, waaraan de raadsman van verzoeker ter terechtzitting refereert om de verlenging van de preventieve schorsing bij het nadeel te betrekken, het bestaan van een moreel nadeel ab initio aangenomen is wegens de bijzondere gegevens die in dat geval uit het dossier bleken; Overwegende dat, aangezien verzoeker niet aantoont dat het bestreden besluit hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, er ook geen sprake is van het voortduren van dat nadeel; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat het bestreden besluit hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
- IX-4765-5/6 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig mei 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4765-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.780 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.533 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.