← België

Arrest 144782 - - 23/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.782 Rolnummer: A. 155417/IX-4649 Zaak: Arrest 144782 - - 23/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 15:35 Fiche Arrest nr 144.782 van 23 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.782 van 23 mei 2005 in de zaak A. 155.417/IX-

  1. In zake : Jacobus EERDEKENS, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9, bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, kantoor houdende te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacobus EERDEKENS op 7 september 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 1 juli 2004 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hij voor de duur van vier maanden bij ordemaatregel wordt geschorst; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 februari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 11 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4649-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker is hoofdinspecteur bij de federale politie. Hij is tewerkgesteld bij GDA Tongeren. 1.
  5. Op 17 februari 2004 wordt een informatieverslag opgesteld betreffende de mogelijke benadeling door verzoeker van het transportbedrijf NV TRIPPAERS. 1.
  6. In antwoord op dit verslag deelt de directeur-generaal van de Algemene Directie-gerechtelijke politie in een nota van 25 februari 2004 mede dat de hem overgemaakte informatie het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk vooronderzoek, dat de strafrechtelijke beslissing afgewacht moet worden, en dat vanaf het ogenblik dat verzoeker door de gerechtelijke politie op de hoogte wordt gesteld van het strafrechtelijk onderzoek en in zoverre er op dat ogenblik nog geen beslissing zou bekend zijn, de tuchtprocedure zal dienen geschorst te worden. Op hetzelfde ogenblik zou worden nagegaan of de voorlopige schorsing bij ordemaat- regel van verzoeker noodzakelijk is. 1.
  7. Op 25 februari 2004 wordt aan verzoeker medegedeeld dat hij vanaf dan voor onbepaalde duur uit de operationele dienst wordt verwijderd, in die zin dat hij binnen de GDA- Tongeren slechts administratieve en logistieke taken zal vervullen. Verder wordt verzoeker gemeld : “- dat hij zich dient te onthouden van woord en daad welke -hoe gering dan ook- enige vorm van intimidatie van benadeelde zou kunnen uitmaken; - hij onmiddellijk zijn dienstwapen en bijhorende munitie dient in te leveren; IX-4649-2/6 - dat het recht op de forfaitaire onderzoeksvergoeding bij deze wordt ingetrokken zolang onderhavige maatregel geldt”. 1.
  8. Op 12 maart 2004 vraagt de directeur van de gerechtelijke dienst te Tongeren de procureur des Konings te Tongeren om goedkeuring voor het gebruik van stukken uit het strafrechtelijk onderzoek. Dit met het oog op inleiding van de procedure van voorlopige schorsing van verzoeker als ordemaatregel. Op 19 maart 2004 verleent de procureur des Konings de toelating. 1.
  9. In een nota van 24 maart 2004 van de directeur van de gerechtelijke dienst te Tongeren wordt aan verzoeker medegedeeld dat zijn voorlopige schorsing uit de dienst aan de minister van Binnenlandse Zaken werd voorgesteld. Tevens wordt hem medegedeeld dat hij, met onmiddellijke uitwerking en tot herroeping van het bericht, met inhaalrust wordt gesteld. 1.
  10. Op 26 maart 2004 wordt door de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie een voorstel tot voorlopige schorsing bij ordemaatregel aan de minister van Binnenlandse Zaken gericht. Tevens wordt voorgesteld om verzoeker een inhouding van de wedde van 10 % op te leggen. Dat voorstel tot voorlopige schorsing wordt op 30 maart 2004 ter kennis van verzoeker gebracht. Op 8 april 2004 wordt verzoeker en diens verdediger gehoord. Hij dient schriftelijke besluiten in. 1.
  11. Op 9 april 2004 wordt het advies van de minister van Justitie ingewonnen over het voorstel tot voorlopige schorsing van verzoeker. Dat advies wordt verleend op 8 juni
  12. 1.
  13. Op 1 juli 2004 beslist de minister van Binnenlandse Zaken met het thans bestreden besluit verzoeker bij ordemaatregel te schorsen voor een periode van vier maanden, alsook hem een inhouding van wedde van 10 % op te leggen. Het besluit bevat volgende motieven : “(...) Gelet op het feit dat door het parket Tongeren een opsporingsonderzoek lastens HINP EERDEKENS inzake oplichting (notitienummer TG.20.42.100108/04) werd geopend; Gelet op de mededeling van de procureur des Konings om HINP EERDEKENS voor deze feiten te dagvaarden voor de correctionele rechtbank; dat hieruit moet worden besloten dat de procureur zwaar tilt aan deze feiten; IX-4649-3/6 dat de gerechtelijke overheid hierdoor geen enkel vertrouwen meer kan hebben in zijn persoon als politieambtenaar; (...) Overwegende dat dergelijke feiten als zeer ernstig moeten beschouwd worden en dat zij volledig in strijd zijn met de algemene principes van het statuut van de politieambtenaren, in het bijzonder de integriteit en de waardigheid van het ambt; Overwegende dat HINP EERDEKENS op 24-02-2004 op heterdaad werd betrapt; dat er voor de andere feiten concrete elementen zijn die aantonen dat hij de feiten heeft gepleegd; Overwegende dat, in deze omstandigheden, noch de overheden, noch de bevolking nog enig vertrouwen kunnen stellen in zijn persoon als politie- ambtenaar; (...) Gelet op het argument van de verdediging die stelt dat de feiten niet kunnen beschouwd worden als onverenigbaar met de dienst; dat in het voorstel tot voorlopige schorsing echter voldoende argumenten zijn opgenomen die aantonen dat dergelijke feiten, indien bewezen, van aard zijn om te besluiten dat de aanwezigheid van HINP EERDEKENS binnen de federale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst; Gelet op het argument van de verdediging die stelt dat de inhouding van de wedde van 10 percent niet werd gemotiveerd; dat deze inhouding wel degelijk gebaseerd is op de verminderde beroeps- onkosten die HINP EERDEKENS zal hebben ingevolge een eventuele schorsing; Overwegende dat zijn aanwezigheid binnen de federale politie hierdoor onverenigbaar is met het belang van de dienst. Het kan immers niet dat een politieambtenaar die verdacht wordt van oplichting nog verder politie-opdrach- ten uitvoert; Overwegende dat aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schorsing is voldaan; Gelet op art 64 van de tuchtwet; Overwegende dat een voorlopige schorsing automatisch leidt tot een vermindering van de beroepsonkosten (geen verplaatsingskosten, geen kosten voor onderhoud kledij, ...); is de directeur-generaal personeel van de federale politie van mening dat de aanwezigheid van hoofdinspecteur J. EERDEKENS bij de dienst van de federale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst. Derhalve stelt hij voor om HINP Jacobus EERDEKENS bij ordemaatregel voorlopig te schorsen en aan betrokkene een inhouding van de wedde van 10 percent op te leggen. (...)”.
  14. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4649-4/6 3.
  15. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet wat volgt : “Door de bestreden beslissing wordt verzoeker voorlopig geschorst, met alle financiële en morele gevolgen van dien; Dat verzoeker hierdoor psychisch gekraakt werd, zeker nu het ganse dossier gebaseerd is op leugens en als enige doel heeft verzoeker definitief te raken; Dat verzoeker reeds een behandeling diende te doorstaan, teneinde het hoofd te kunnen bieden aan zulk een psychologisch trauma; Dat het blijven voortduren van deze toestand voor verzoeker ondraaglijk is; Het hoeft geen betoog dat dit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt in hoofde van verzoeker.” 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen daarop antwoordt dat de uiteenzetting van het nadeel allesbehalve concreet is en dat verzoeker bovendien niet aantoont waarom het aangevoerde nadeel niet hersteld zal kunnen worden na een vernietigingsarrest; dat zij daaraan toevoegt dat, waar verzoeker verwijst naar de impact van het bestreden besluit op zijn gezondheidstoestand, dit het gevolg is van de subjectieve benadering van de situatie; 3.3.
  17. Overwegende dat een preventieve schorsing in het belang van de dienst, ook wanneer zij verbonden is met een strafvordering tegen de betrokken ambtenaar, een ordemaatregel is, die geen tuchtrechtelijk karakter heeft en geen uitspraak bevat over de schuld van de betrokkene; dat daarom aangenomen wordt dat, in beginsel, het nadeel dat dergelijke maatregel veroorzaakt goedgemaakt wordt door een vernietigingsarrest; dat het aan de verzoeker toekomt om aan te tonen dat zijn geval buiten het gewone valt; Overwegende bovendien, dat een schorsingsarrest slechts voor de toekomst geldt en dat het niet vermag het reeds ondergane nadeel goed te maken; dat vanuit dat oogpunt een schorsingsarrest alleen dan nog voor verzoeker nuttig kan zijn wanneer blijkt dat het oorspronkelijke nadeel, waarvan de ernst en het moeilijk te herstellen karakter aangenomen is, op het ogenblik van de uitspraak over de vordering tot schorsing nog voortduurt; 3.3.
  18. Overwegende dat verzoeker gewag maakt van een financieel en van een moreel nadeel; dat hij met betrekking tot het financieel nadeel -dat overigens in beginsel steeds herstelbaar is na een vernietigingsarrest- geen enkel nader gegeven verstrekt; dat hij voor het moreel nadeel verwijst naar de depressieve toestand waarin hij verzeild is, maar zonder daarbij gegevens voor te leggen die aannemelijk maken IX-4649-5/6 dat de psychische situatie waarnaar hij verwijst het rechtstreeks gevolg is van de tenuitvoerlegging van het hier bestreden besluit en niet eerder -terwijl zulks meer voor de hand ligt- van het strafrechtelijk onderzoek en de tuchtprocedure die tegen hem aangespannen zijn; Overwegende dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont; dat de vraag naar het voortduren van dat nadeel dan ook geen antwoord behoeft;
  19. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat het bestreden besluit hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig mei 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4649-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.782 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.039 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.