id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.810 Rolnummer: A. 145961/XIV-18242 Zaak: Arrest 144810 - - 23/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 15:36 Fiche Arrest nr 144.810 van 23 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.810 van 23 mei 2005 in de zaak A. 145.961/XIV-18.242 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 9 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 1 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 8 september 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 8 juli 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 oktober 2004; XIV-18.242-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat B. VRIJENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 21 januari 2003 en zich vluchteling verklaart op 22 januari 2003; dat op 27 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 1 september 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U beweerde de Somalische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Mogadishu en te behoren tot de minderheidsgroep Asharaf. Op 5 september 1989 huwde u met Z. M. doch u ging niet samenwonen met hem aangezien hij nog studeerde. In maart 1991, in het begin van de oorlog, landde een bom in uw buurt in Shangaani en u en uw familie besloten hierop te vluchten naar Marka. Daar verbleven u en uw familie 2 dagen bij verwanten vooraleer de boot te nemen naar Jemen. Toen u en uw familie uiteindelijk op de boot zaten braken er gevechten uit tussen ‘mooreyaan' van de Hawiye-clan en een militie die de boot verdedigde. Uw vader en 2 van uw broers kwamen om het leven tijdens deze gevechten en u en uw broer Abdulkadir werden meegenomen naar een militair kamp van het USC (United Somali Congress) in Ceel Jaale. U diende hard te werken in het kamp en op boerderijen te Shalambood . Bovendien werd u verkracht door één van de leiders, Abdulahi Arab. Na 5 jaar gevangenschap besloten u en uw broer in 1995 een ontsnappingspoging te wagen. Wanneer een vrachtwagen het kamp binnenreed om voedsel af te leveren stapten u en uw broer ongemerkt in de laadruimte. De vrachtwagen bracht u tot Mogadishu en u trok naar uw ouderlijke huis waar u uw moeder, broer en zus aantrof. In januari 1996 vielen 8 mannen van het USC uw huis binnen en u en uw moeder werden verkracht. In oktober 1996 vielen 5 andere mannen van het USC uw huis binnen en u werd wederom verkracht. In 1997 werd uw huis opnieuw aangevallen door 9 onbekenden en uw broer werd gekidnapt. De 3 achtergebleven aanvallers sloegen en verkrachtten u. In november 1997 vielen 3 mannen uw huis binnen en u werd verkracht en geslagen. In 1998 ging u met uw broer naar de markt om voedsel te gaan kopen en u werd aangevallen door een bende. U werd in de auto gestopt en naar een huis aan de achterkant van het Medina-hospitaal gebracht waar u verkracht werd en waar uw bloed afgenomen werd. U bleef hier 20 dagen opgesloten en in tussentijd moest u koken en schoonmaken. Wanneer u vrijgelaten werd keerde u terug naar huis en u zag dat uw huis getroffen werd door een bom en uw familie verdwenen was. U en uw broer besloten naar Cali Dhag Jar, een vriend van wijlen uw vader te trekken die in het Wardigley-district woonde. U en uw broer trokken in bij C. D. J. en in september 1999 was u op weg om inkopen te doen in een winkel wanneer u werd tegengehouden door een groep mannen die u meenamen naar een gebouw en u De eigenaar van de winkel had gezien wat er gaande was en verwittigde Cali Dhag. .Jar die u onmiddellijk kwam redden uit het huis waar u vastgehouden werd. In juni 2000 werd het huis van C. D. J. aangevallen door mensen met wie hij problemen had. In mei 2001 trokken u en uw broer naar Shangaani en onderweg werden jullie aangevallen door 4 mannen en in een container gestoken. U werd verkracht en na 5 dagen werd u vrijgelaten. Sindsdien besloten u en uw broer niet meer buiten te komen. Op 25 oktober 2002 ontmoette Y., de zoon van C. D. J., een vriend van hem XIV-18.242-2/6 die tevens familie is van uw echtgenoot. Uw echtgenoot bleek in Mogadishu te wonen en dezelfde dag nog werd u herenigd met hem. Op 11 november 2002 verliet u Mogadishu. U arriveerde op 18 november 2002 in Nairobi. Op 20 januari 2003 verliet u per vliegtuig Nairobi en op 21 januari 2003 kwam u aan in België waar u op 22 januari 2003 asiel aanvroeg. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u het tijdens uw opeenvolgende gehoren door het commissariaat-generaal (1ste gehoor dd. 1 april 2003 en 2de gehoor dd. 10 juni 2003) absoluut niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u werkelijk u tot de Asharaf-clan zou behoren, dat u afkomstig zou zijn uit Mogadishu, en dat u de Somatische nationaliteit zou bezitten. Zo beweerde u tot de minderheidsgroep Asharaf te behoren die onderverdeeld kan worden in de subgroepen Hussein en Hassan. U beweerde tot de subgroep Hussein te behoren en dan tot de subgroep Calawi (2de gehoor commissariaat-generaal p.2). U slaagde er echter niet in andere subgroepen van Hussein te benoem en noch kon u enige subgroep van Hassan opsommen (1ste gehoor, commissariaat-generaal p. 4 en 2de gehoor commissariaat-generaal p. 2). Verder kan u geen toelichting geven bij de begrippen 'sarman' (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 4) en 'ba'alawi' (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 5) die u als Asharaf toch zou moeten kennen (zie informatie in het administratief dossier). U heeft het aldus niet aannemelijk kunnen maken`dat u werkelijk tot de minderheidsgroep Asharaf zou behoren. Daarenboven kan uw verblijf in de Somatische hoofdstad Mogadishu in twijfel getrokken worden. Zo bent u er niet van op de hoogte in welke hotels in Mogadishu de leden van de TNG (Transitional National Government) resideren (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 6), kan u niet vertellen wat de 'green line' is (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 6), kent u 'casa populare' niet (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 6) en noch de 'Peace run' (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 7). Ook de begrippen 'bermuda' en 'villa somalia' doen geen belletje rinkelen (2de gehoor commissariaat-generaal p. 3). Tenslotte kan u niet vertellen wie welke buurt van Mogadishu controleert en kon u tijdens uw eerste gehoor ,op 1 april 2003 slechts 2 krijgsheren, namelijk Ali Mahdi en Aideed, bij naam noemen (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 6-7). U heeft het kortom niet aannemelijk kunnen maken dat u sinds 1995 werkelijk ononderbroken in Mogadishu heeft vertoefd. Verder kon u geen enkele reden opnoemen die ertoe leidde dat de oorlog in Somalië uitbrak-'(2de gehoor commissariaat-generaal p. 2). U slaagde er geheel niet in de betekenis van de Somatische vlag toe te lichten (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 6), u weet niet wat SRRC (Somali Reconciliation and Restoration Council) betekent (1ste gehoor commissariaat- generaal p. 7), u kan niet vertellen of krijgsheren Ali Mahdi en Aideed de TNG al dan niet steunen (1ste gehoor. commissariaat-generaal p. 7) hoewel u nochtans beweerde duidelijk te weten wat de TNG precies inhield (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 5). Tevens slaagt u er niet in enige andere havenstad dan Mogadishu op te noemen in Somalië (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 6). Verder beweerde u steeds vervolgd te worden door het USC, doch u slaagde er niet in uiteen te . zetten wat de lettercombinatie USC betekent (gehoorverslag dienst Vreemdelingenzaken, dd. 25 februari 2003, punt 42 + 1ste gehoor commissariaat- generaal p. 10). Tenslotte beweerde u aanvankelijk niet te weten tot welke clan krijgsheer Aideed behoort (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 7) waarna u beweerde ‘ze zijn beiden (Ali Mahdi en Aideed) Abgaen 'Habr Gidir’ (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 7). Wanneer de interviewer van het commissariaat-Generaal u hierop vraagt ‘wie is wat?’ antwoordde u dit niet te kunnen zeggen (1ste gehoor commissariaat-generaal p. 7). Al deze zaken leiden ertoe dat u het allerminst aannemelijk heeft kunnen maken dat u werkelijk over de Somatische nationaliteit zou beschikken. Het feit dat het u ontbreekt aan de meest elementaire kennis over uw beweerde land van herkomst, ondermijnt bovendien in ernstige mate de algemene geloofwaardigheid van uw relaas. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt overduidelijk dat u gepoogd heeft de Belgische autoriteiten te misieiden door uw ware afkomst te verbergen. Bijgevolg kan geen geloof meer worden gehecht aan de door u ingeroepen asielmotieven, en kan de ernst van uw asielverzoek in grote mate worden gerelativeerd. Het feit dat u uw verklaringen in de Somalische taal hebt afgelegd vormt geen afdoende bewijs van uw beweerde Somalische nationaliteit, omdat de Somalische taal niet alleen in Somalië zelf wordt gesproken maar eveneens in een aanzienlijk deel van de buurlanden van Somalië, zoals Djibouti, Ethiopië en Kenya (zie Grimes, B.F., Ethnologue, Languages of the World, USA, 13e editie, Summer Institute of Linguistics), en doet bijgevolg geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Tot slot dient er opgemerkt te worden dat uw broer A. l. . het evenmin aannemelijk kon maken dat hij de Somalische nationaliteit zou bezitten, afkomstig zou zijn uit Mogadishu en tot de Asharaf zou behoren. Bijgevolg werd voor hem ook een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen op basis van het bedriegelijke karakter van zijn asielaanvraag. Voor uw echtgenoot M. Z. werd eveneens een bevestigende beslissing genomen op basis van het kennelijk ongegrond en bedrieglijke karakter van zijn asielaanvraag. Hoe dan ook bent u niet in het bezit van ook maar enig document dat een controle van uw iden'tit éit en reisweg mogelijk maakt. XIV-18.242-3/6 De geboorteakte voor uw dochtertje Mahmoud Saada Zaki (dd. 21 augustus 2003), die op 10 augustus 2003 geboren werd te Roeselare, doet geen afbreuk aan voorgaande opmerkingen. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens, van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”, 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
- Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen dd. 11.06.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken dd. 22.11.
- In de motivering stelt de heer commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat er dient te worden vastgesteld dat zij het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat zij daadwerkelijk afkomstig is uit Somalië (meer bepaald Moghadishu) en tot de Asharaf-clan behoort. Mijn verzoekster werd zeer diepgaand ondervraagd over haar kennis van de ethnische groep van de Asharaf-clan. Haar kennis was zeer beperkt om drie redenen. Vooreerst is gans haar leven - zeker de laatste 10 jaar - gekenmerkt door op de dool zijn en instabiliteit. Daardoor is haar kennis over haar groep beperkt. Vervolgens is zij geenszins geschoold en heeft zij nagenoeg geen onderwijs genoten, hetgeen maakt dat schoolse historische en ethnische kennis niet bijgebracht is. Tenslotte is het verlies van haar familie, het constant op de dool zijn, de aanvallen, verkrachtingen en vernederingen van die aard dat dit zware traumatische gevolgen heeft. Ook met dat feit werd geen rekening gehouden. Wat betreft haar kennis van de politiek is haar kennis - uiteraard beperkt. Vooreerst is gans haar leven - zeker de laatste 10 jaar - gekenmerkt door op de dool zijn en instabiliteit. Daardoor is haar kennis over de politiek beperkt. Vervolgens is zijn geenszins geschoold en heeft zij nagenoeg geen onderwijs genoten, hetgeen maakt dat schoolse historische en ethnische kennis niet bijgebracht is. Tenslotte is het verlies van haar familie, het constant op de dool zijn, de aanvallen, verkrachtingen en vernederingen van die aard dat dit zware traumatische gevolgen heeft. Ook met dat feit werd geen rekening gehouden. Wat betreft haar geografische kennis, legt mijn verzoekster het bewijs voor van de vragen waarop zij wel correct geantwoord heeft, hetgeen toch extensief is. In zijn beslissing dd. 01.09.2003 heeft de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R. v. St nr 44.801, 3 november 1993, T Vreemd. 1994, 95, T Vreemd. 1994, 56; Rev. Dr Etr, 1994, 29.”; XIV-18.242-4/6 2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het feit dat de verzoekende partij niet heeft aannemelijk gemaakt dat zij de Somalische nationaliteit bezit, dat zij afkomstig is uit Mogadishu en dat zij tot de Asharaf-clan behoort; dat de concreet in aanmerking genomen elementen omstandig zijn uiteengezet; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de vaststellingen van de commissaris-generaal dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de Somalische nationaliteit bezit, dat zij afkomstig is uit Mogadishu en dat zij tot de Asharaf-clan behoort, niet weerlegt met een algemene verwijzing naar haar instabiel leven en beperkte schoolse kennis; dat de vragen die de verzoekende partij niet kon beantwoorden op zeer praktische gegevens betrekking hebben en niet als schoolse kennis kunnen worden bestempeld; dat voor het overige de verzoekende partij niet verduidelijkt welke “nieuwe elementen” de commissaris-generaal zou hebben nagelaten te onderzoeken; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat, in zoverre de overige door de verzoekende partij in het middel aangebrachte bepalingen en beginselen niet begrepen zouden zijn in het voorgaande, de verzoekende partij niet uiteenzet op welke wijze ze zouden zijn miskend door de bestreden beslissing; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-18.242-5/6
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.242-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div