← België

Arrest 144816 - - 23/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.816 Rolnummer: A. 73905/X-7665 Zaak: Arrest 144816 - - 23/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 15:37 Fiche Arrest nr 144.816 van 23 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.816 van 23 mei 2005 in de zaak A. 73.905/X-

  1. In zake : de n.v. MOBI PROPERTIES BELGIUM, die woonplaats kiest bij Advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MOBI PROPERTIES BELGIUM op 7 april 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 december 1996 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende bescherming als monument van twee beuken in het park Bodart gelegen te Leuven, Ijzerenmolenstraat, kadastraal bekend, Sectie D, nr. 125 c (deel) en als stadsgezicht het park Bodart, gelegen te Leuven, Ijzerenmolenstraat, kadastraal bekend, Sectie D, nrs. 124d en 125c; Gelet op het arrest nr. 73.227 van 23 april 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen en de kosten worden voorbehouden; Gelet op het verzoek tot voortzetting van 8 juni 1998 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-7665-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 12 november 2002, die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de zitting van 29 oktober 2004; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2004 waarbij de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P.-J. VERVOORT die, loco Advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat J. GHYSELS, die eveneens verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat I. VERHELLE die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij eigenaar is van het park "Bodart", gelegen te Leuven aan de Ijzerenmolenstraat 21, kadastraal bekend, Sectie D, nrs. 124d en 125c; dat uit de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 8 september 1992 blijkt dat de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij is X-7665-2/11 overgebracht van Schuttersvest 41 te Mechelen naar Liersesteenweg 400 te Mechelen; dat het hierboven vermeld park overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1958 goedgekeurd algemeen plan van aanleg van Heverlee, is gelegen in een zone voor gesloten en gemengde bebouwing; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1979, is gelegen in woonuitbreidingsgebied; dat de Vlaamse regering bij besluit van 23 juni 1998 de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven definitief heeft vastgesteld, waarbij het betrokken perceel wordt herbestemd tot parkgebied; dat de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming bij besluit van 19 december 1994 een voorontwerp van lijst met voor bescherming vatbare monumenten en stadsgezichten heeft vastgesteld met als monument voor bescherming vatbaar twee beuken in het park, met als dorpsgezicht voor bescherming vatbaar het park "Bodart"; dat dit besluit op 26 januari 1995 aan de verzoekende partij werd betekend op het adres "Liersesteenweg 400 te 2800 Mechelen"; dat de verzoekende partij tijdens het openbaar onderzoek een bezwaarschrift heeft ingediend; dat de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn op 1 april 1996 een ontwerplijst van voor monument en stadsgezicht vatbare onroerende goederen heeft vastgesteld waarop dezelfde twee beuken en het park Bodart als monument respectievelijk dorpsgezicht worden vermeld; dat dit besluit op 4 oktober 1996 aan de verzoekende partij werd betekend op het adres "Schuttersvest 41 te 2800 Mechelen"; dat de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn bij het thans bestreden besluit van 16 december 1996 de voornoemde goederen definitief heeft beschermd als monument respectievelijk dorpsgezicht; dat dit besluit op 13 januari 1997 aan de verzoekende partij werd betekend op het adres "Schuttersvest 41"; dat de zending niet wordt uitgereikt door de post om reden dat de bestemmeling niet meer op het aangeduide adres woont; dat het besluit op 4 februari 1997 opnieuw wordt betekend aan de verzoekende partij op het adres "Liersesteenweg 400 te 2800 Mechelen"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste middel de schending aanvoert van artikel 5, § 3, 4 en 6 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsonderhorigen in kennis moeten worden gesteld van de rechtshandelingen die gevolgen hebben voor hun rechtssituatie; dat zij dit middel toelicht als volgt : "doordat de bestreden beslissing tot definitieve bescherming als monument en als dorpsgezicht van de desbetreffende goederen werd genomen, zonder dat X-7665-3/11 het ontwerp van lijst tot voorlopige bescherming als monument en stadsgezicht aan verzoekende partij betekend werd, terwijl overeenkomstig voormelde bepalingen in het Decreet van 3 maart 1976 de ontwerpen van lijst rechtsgevolgen hebben vanaf de betekening ervan aan de eigenaars en de vruchtgebruikers en de betekening van de ontwerplijst derhalve een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, zodat de bestreden beslissing, door te beslissen tot de definitieve bescherming van de desbetreffende onroerende goederen als monument en als stadsgezicht, zonder dat de ontwerplijst tot voorlopige bescherming van deze goederen, betekend werd aan verzoekende partij, de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt"; Overwegende dat de verwerende partij in essentie repliceert wat volgt : "II.1.1 Verzoekende partij stelt dat het ontwerp van lijst niet aan haar werd betekend. Vooraleer tot betekening over te gaan van het ontwerp van lijst heeft het Bestuur van Monumenten en landschappen - om redenen van zorgvuldigheid - navraag gedaan bij de Registratie van Domeinen naar het huidig adres van verzoekende partij, die volgend adres doorgaf : Schuttervest 41 1 2800 Mechelen Het aangetekend schrijven door het Bestuur Monumenten en Landschappen aan verzoekende partij gestuurd op 4 oktober 1996 kwam niet onbesteld terug, zodat verwerende partij er mocht van uitgaan dat verzoekende partij de betekening van het ontwerp van lijst ontving. Bij de betekening van het definitieve beschermingsbesluit aan het adres 'Schuttershof 41 1' werd het aangetekend schrijven wel teruggestuurd door de Post met de vermelding 'woont niet meer op het aangeduid adres'. Het definitieve beschermingsbesluit werd dan opnieuw betekend op 4 februari 1997 op het adres Liersesteenweg 400 te 2800 MECHELEN. Uit het vorige blijkt dat verwerende partij op rechtsgeldige wijze is overgegaan tot betekening van het ontwerp van lijst en dat verzoekende partij geacht moet worden deze betekening ontvangen te hebben, aangezien ze niet door de Post onbesteld werd teruggestuurd. II.1.2 Subsidiair : II.1.2.1 Verzoekende partij heeft geen enkel nadeel ondervonden door de beweerde niet-betekening van het ontwerp van lijst. Aan verzoekende partij werd de mogelijkheid niet ontnomen om een bezwaar in te dienen. Het voorontwerp van lijst werd haar immers betekend. Verzoekende partij zou evenmin op enige andere wijze kunnen geschaad zijn in haar belangen door de beweerde niet-betekening wel integendeel. De beweerde niet-betekening zou enkel tot gevolg kunnen gehad hebben dat de voorlopige bescherming aan verzoekende partij niet tegenstelbaar was, wat bezwaarlijk als nadelig kan worden aanzien voor verzoekende partij. Verzoekende partij heeft dus geen enkel belang om het eerste middel aan te voeren. Het aangevoerde middel is aldus onontvankelijk. II.1.2.
  3. Verzoekende partij beweert bovendien ten onrechte dat het ontbreken van de betekening van het ontwerp de nietigheid zou teweegbrengen van het definitieve beschermingsbesluit. Het ontbreken van een betekening van het ontwerp van lijst betekende enkel dat het ontwerp van lijst ten aanzien van verzoekende partij geen rechtsgevolgen X-7665-4/11 kon ressorteren. De voorlopige bescherming van de ontwerp van lijst was aldus aan verzoekende partij niet tegenstelbaar. Het moeten ontberen van de mogelijkheid om een schorsings- of annulatievordering tegen het ontwerp van lijst in te dienen, kon voor verzoekende partij geen enkel nadeel meebrengen gezien de ontwerp van lijst voor haar geen rechtsgevolgen ressorteerde. Ten onrechte verwijst verzoekende partij naar de rechtspraak van de Raad van State inzake landschappen, bij het ontbreken van een rechtsgeldige betekening van het voorstel tot rangschikking. Deze rechtspraak kan geenszins per analogie toegepast worden bij de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten. De vroegere wet van 7 augustus 1931 verschilt fundamenteel van het decreet van 3 maart 1976 (versie voor de wijziging bij decreet van 22 februari 1995). Het Arbitragehof gewaagde van een quasi-onteigening bij de bescherming van landschappen, een bescherming die aldus gepaard gaat met verregaande eigendomsbeperkingen, met sterke vermindering van bouwmogelijkheden, en met een vergoeding in geval van benadeling van de eigenaar. De bescherming van een stadsgezicht is enkel een zachte bescherming (bij voorafgaande toelating kan van de verbodsbepalingen worden afgeweken), impliceert geenszins een bouwverbod en geeft enkel aan het Bestuur Monumenten en Landschappen de mogelijkheid om de randvoorwaarden bij het verlenen van vergunningen mee te bepalen, zodanig dat het beschermde stadsgezicht kan behouden blijven. Bij de bescherming van landschappen heeft de betekening van het voorstel tot rangschikking een heel andere betekenis dan de betekening van het ontwerp van lijst bij de bescherming van stadsgezichten. Vanaf de betekening van het voorstel tot rangschikking zijn niet alleen de rechtsgevolgen van de rangschikking voorlopig van toepassing, doch de betekening van het voorstel opent voor de eigenaars ook de mogelijkheid om bezwaren in te dienen tegen de bescherming als landschap. Het ontbreken van de betekening zou aan de eigenaars dan ook de mogelijkheid ontnemen om bezwaren in te dienen. (...) De procedure bij de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten is fundamenteel verschillend. Aan verzoekende partij werd door de betekening van het voorontwerp van lijst - met toevoeging van de motiveringsnota - de mogelijkheid gegeven om bezwaar in te dienen tegen de bescherming, hetgeen ze ook deed. Haar bezwaar werd op uitgebreide en gemotiveerde wijze weerlegd. Het betekenen van het ontwerp van lijst was dus bij de bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten geen substantiële vormvereiste. Het ontbreken van de betekening van het ontwerp van lijst heeft wel tot gevolg dat het ontwerp ten aanzien van verzoekende partij geen rechtsgevolgen ressorteerde. Enkel het definitieve beschermingsbesluit kon aldus ten aanzien van verzoekende partij rechtsgevolgen ressorteren. Verzoekende partij werd daardoor niet in haar belangen geschaad, wel integendeel."; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord uiteenzet wat volgt : "(...)
  4. Verwerende partij beweert in haar memorie van antwoord dat zij op rechtsgeldige wijze zou zijn overgegaan tot betekening van het ontwerp van lijst X-7665-5/11 en dat verzoekende partij geacht moet worden deze betekening ontvangen te hebben, aangezien ze niet door de Post onbesteld werd teruggestuurd. Verwerende partij geeft toe dat het ontwerp van lijst aan het verkeerde adres werd verstuurd, doch dat dit aangetekend schrijven niet onbesteld terug kwam, zodat zij er van uit mocht gaan dat verzoekende partij de betekening van het ontwerp van lijst ontving, en de betekening rechtsgeldig gebeurde. Uit het feit dat de naar het verkeerde adres verstuurde aangetekende brief niet onbesteld terug werd gestuurd, kan echter geen argument gehaald worden teneinde aan te tonen dat de betekening rechtsgeldig zou gebeurd zijn.
  5. Zoals de auditeur terecht opmerkt in zijn schorsingsverslag (...) is de verplichting tot kennisgeving van een individuele beslissing in hoofde van het bestuur een resultaatsverbintenis, temeer daar de wetgeving terzake niet voorziet in de wijze van kennisgeving van een ontwerp-besluit. (...) Bovendien kan verwerende partij zich niet beroepen op haar eigen onzorgvuldigheid, in die zin dat zij heeft nagelaten het actuele en correcte adres van verzoekende partij na te gaan. De statutaire maatschappelijke zetel van verzoekende partij werd immers reeds in september 1992 overgebracht naar het actuele adres en gepubliceerd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 8 september
  6. 'Door zich éénzijdig te verlaten op de door de ontvanger van registratie verstrekte gegevens m.b.t. de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij, heeft de verwerende partij het risico genomen dat de aldaar verstrekte gegevens gedateerd (en foutief) zijn. Zij heeft alzo het risico genomen dat de betekening -zoals in casu- niet is geschied aan de maatschappelijke zetel die overeenkomstig de bepalingen van het vennootschapsrecht aan haar tegenwerpelijk is en derhalve, zoals in casu, niet regelmatig geschied - en dus geacht wordt niet te zijn gebeurd - vermits zij is gedaan op een plaats waar de verzoekende partij haar maatschappelijke zetel niet (of niet meer) heeft.' (...). Er dient dus geconcludeerd te worden dat de betekening nooit is geschied.
  7. Subsidiair roept verwerende partij in dat verzoekende partij geen enkel nadeel zou ondervonden hebben door de niet-betekening van het ontwerp van lijst, en dat het ontbreken van de betekening van het ontwerp geen substantieel karakter zou hebben, en aldus niet de nietigheid zou teweegbrengen van het definitieve beschermingsbesluit. Gelet op de substantiële vormvereiste die de betekening van het ontwerp-besluit uitmaakt, is het feit of verzoekende partij al dan niet nadeel heeft ondervonden van de niet-betekening echter totaal irrelevant. Overigens, en zoals door verzoekende partij reeds uitvoerig toegelicht in het verzoekschrift tot annulatie, heeft zij wel degelijk nadeel ondervonden door de niet-betekening van het ontwerp van lijst, in die zin dat zij daardoor een aantal wettelijke waarborgen heeft moeten ontberen. Zo heeft zij bijvoorbeeld geen gebruik kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid een verzoek tot schrapping van haar eigendom van de ontwerplijst in te dienen bij de minister. Het feit dat verzoekende partij reeds in het kader van het voorontwerp van lijst bezwaar kon indienen verandert hier niets aan. Verzoekende partij heeft in ieder geval ten gevolge van de niet betekening een kans gemist om de opname op de lijst te voorkomen. De wetgever heeft immers niet voor niets geoordeeld dat de eigenaars, zowel in het kader van het voorontwerp als in het kader van het ontwerp van de lijst een mogelijkheid moest verleend worden hun bezwaren te uiten. Bovendien heeft verzoekende partij aldus ook geen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid zich te wenden tot de Raad van State tegen de voorlopige rangschikking. Uw Raad besliste immers reeds dat aangezien aan een ontwerp van lijst rechtsgevolgen zijn verbonden, de opname van een goed op een dergelijke lijst met een annulatieberoep kan worden aangevochten. (...). Bovendien heeft de betekening van het ontwerp wel degelijk een substantieel karakter. Uw Raad oordeelde reeds in het verleden dat het verzuim om de X-7665-6/11 ontwerp-lijst individueel ter kennis te brengen de schending inhoudt van een substantieel vormvoorschrift. (...)"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen zij reeds had uiteengezet; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie nog het volgende uiteenzet : "1/ Verwerende partij volhardt volledig in de argumentatie uiteengezet in de memorie van antwoord en wenst enkel bij wijze van repliek nog op te merken wat volgt. 2/ Er dient nogmaals benadrukt te worden dat in casu de beschermingsprocedure verliep volgens de 'oude' procedure, die bestond uit drie stappen : - een voorontwerp van lijst, waarna een openbaar onderzoek; - een ontwerp van lijst, die de rechtsgevolgen van de bescherming 'voorlopig' doet ingaan; - definitieve bescherming, die de rechtsgevolgen van de bescherming definitief doet ingaan. De ontwerp van lijst luidde in onderhavige zaak aldus niet de fase in van het openbaar onderzoek, zoals dit wel het geval is na de wijziging van het decreet van 3 maart 1976 door het decreet van 22 februari
  8. De ontwerp van lijst had in casu aldus slechts 'tijdelijke' en dus beperkte rechtsgevolgen. 3/ (...)De betekening van de ontwerp van lijst zou een substantieel vormvoorschrift zijn. Zelfs indien dit het geval zou zijn dient er op gewezen te worden dat het niet naleven van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm niet ipso facto leidt tot de nietigheid van de handeling. (...) Dezelfde opmerking geldt bij de bewering van verzoekende partij dat ze niet de schrapping van haar eigendom op de ontwerp van lijst kon vragen. Niets belette verzoekende partij om de schrapping van haar eigendom te vragen eenmaal de bescherming voor haar rechtsgevolgen had, nl. vanaf de betekening van de definitieve bescherming. Artikel 9 in fine van het 'oude decreet' bepaalde dat de Koning, de KCML gehoord, tot het opheffen of wijzigen van een beschermingsbesluit kon beslissen. Een gelijkaardige bepaling als met betrekking tot de schrapping op een ontwerp van lijst. Het is overigens niet denkbaar dat de Koninklijke Commissie of het bestuur gunstig geadviseerd zou hebben nopens de schrapping van de eigendom van de ontwerp van lijst, nu beiden - na het beoordelen van het bezwaarschrift van verzoekende partij - adviseerden tot de bescherming. Met andere woorden kan verzoekende partij bezwaarlijk beweren te zijn geschaad in haar belangen door de niet-betekening van de ontwerp van lijst. (...)"; X-7665-7/11 Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoekende partij op 3 juli 1992 haar maatschappelijke zetel heeft overgebracht van de Schuttersvest 41 naar de Liersesteenweg 400 te Mechelen en dat deze statutenwijziging werd bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 8 september 1992; dat de verwerende partij op 26 januari 1995 het voorontwerp van lijst betekende aan de verzoekende partij op het adres Liersesteenweg 400 te Mechelen; dat de verwerende partij op 4 oktober 1996 het ontwerp van lijst betekende aan de verzoekende partij op het adres Schuttersvest 41/1 te Mechelen; dat de verwerende partij op 13 januari 1997 de bestreden beslissing betekende aan de verzoekende partij op het adres Schuttersvest 41/1 te Mechelen; dat deze zending als niet uitgereikt door de post werd teruggestuurd om reden dat de bestemmeling niet meer woont op het aangeduide adres en dat een tweede betekening ervan is gebeurd op het adres Liersesteenweg 400 te Mechelen; Overwegende dat bij betwisting over de vraag of en wanneer de betekening is gebeurd de bewijslast op de overheid rust; dat het argument van de verwerende partij dat " het aangetekend schrijven door het Bestuur Monumenten en Landschappen aan de verzoekende partij gestuurd op 4 oktober 1996 (...) niet onbesteld terug(kwam), zodat de verwerende partij er mocht van uitgaan dat de verzoekende partij de betekening van het ontwerp van lijst ontving" geen afdoende bewijs van de kennisgeving levert; Overwegende dat het bestuur Monumenten en Landschappen blijkbaar is voortgegaan op het adres van verzoekende partij haar verstrekt door de ontvanger van registratie en domeinen; dat de door de ontvanger van registratie en domeinen bijgehouden registers er niet toe strekken de maatschappelijke zetel van rechtspersonen (noch de woonplaats van natuurlijke personen) vast te stellen; Overwegende dat luidens het uittreksel van de statuten bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 27 februari 1992 de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij was gevestigd te Mechelen, Schuttersvest 41; dat uit het uittreksel van de wijziging van de statuten, bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 8 september 1992 blijkt dat deze zetel is overgebracht naar de Liersesteenweg 400 te Mechelen; dat deze wijziging van de maatschappelijke zetel op grond van voornoemde bepalingen aan de bevoegde overheid tegenwerpelijk was alleszins sedert 8 september 1992; dat door zich eenzijdig te verlaten op de door de ontvanger van registratie en domeinen X-7665-8/11 verstrekte gegevens met betrekking tot de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij, de verwerende partij het risico heeft genomen dat de betekening -zoals in casu- niet is geschied aan de maatschappelijke zetel die overeenkomstig de bepalingen van het vennootschapsrecht aan haar tegenwerpelijk is en derhalve niet regelmatig is geschied -en dus geacht wordt niet te zijn gebeurd- vermits zij is gedaan op een plaats waar de verzoekende partij haar maatschappelijke zetel niet (of niet meer) heeft; Overwegende dat, wat betreft de betekeningen die in de loop van de beschermingsprocedure ten aanzien van de betrokken titularissen van zakelijke rechten in acht moeten worden genomen, artikel 5 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads-en dorpsgezichten bepaalt : "Art. 5, §2, de voorontwerpen van lijst worden door de Minister gelijktijdig : (...) 3/ bij ter post aangetekende brief betekend aan de erop vermelde eigenaars en vruchtgebruikers van monumenten. (...) (...) §
  9. De minister stelt de ontwerpen van lijst vast. Deze ontwerpen van lijst worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De rechtsgevolgen treden in werking vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad of vanaf de betekening aan het betrokken gemeentebestuur, aan de eigenaars en de vruchtgebruikers. De eigenaar en/of vruchtgebruiker geven bij ter post aangetekende brief kennis van de betekening aan de huurders of de bewoners, binnen tien dagen na ontvangst ervan op straffe van hoofdelijke aansprakelijkheid voor het herstel en de schadeloosstelling zoals bedoeld in artikel 15 van dit decreet. In de betekening aan de eigenaar en/of vruchtgebruiker wordt deze verplichting vermeld. De eigenaars of vruchtgebruikers van de op de voorontwerpen van lijst voorkomende monumenten of van in een stads- of dorpsgezicht gelegen onroerende goederen die niet behouden werden op de ontwerpen van lijst, worden hiervan in kennis gesteld."; Overwegende dat de verplichting het besluit houdende vaststelling van het ontwerp van lijst individueel ter kennis te brengen resulteert uit de tekst zelf van het decreet van 3 maart 1976; dat niet valt in te zien hoe anders de eigenaars of de titularissen van zakelijke rechten zich van de voorgeschreven aanzeggingsplicht aan derden-belanghebbenden zouden kunnen kwijten, en binnen welke termijn zij dit zouden moeten doen, wanneer de ontwerpen van lijst hun zelf niet zouden zijn genotificeerd en hoe op die aanzeggingsplicht dient gewezen te worden indien zij zelf door het bestuur hieromtrent niet worden aangezegd in de brieven houdende betekening van de ontwerpen van lijst; dat tenslotte de verplichting de eigenaars en vruchtgebruikers van een op een ontwerp-lijst opgenomen onroerend goed hiervan X-7665-9/11 individueel in kennis te stellen, het logische corollarium is van de in artikel 5, § 3, laatste lid, van het decreet vervatte regel krachtens welke het bestuur ertoe gehouden is bedoelde zakelijke gerechtigden van goederen, voorkomende op voorontwerpen van lijst van voor bescherming vatbare monumenten of stads- of dorpsgezichten, die niet behouden werden op de ontwerpen van lijst, hiervan -individueel- in kennis te stellen; dat de verzoekende partij terecht doet gelden dat het verzuim het besluit houdende vaststelling van het ontwerp van lijst individueel ter kennis te brengen de schending inhoudt van een substantieel vormvoorschrift; dat dit verzuim immers meer gevolgen heeft dan het enkele feit dat de bestreden beslissing niet verbindend is zolang de kennisgeving niet heeft plaats gehad; dat de verplichte aanzegging een wezenlijk bestanddeel is van de beschermingsprocedure, zonder dewelke zij geen voortgang kan vinden; dat zij tevens de rechten waarborgt van de zakelijk gerechtigden die op straffe van persoonlijke verantwoordelijkheid erover moeten waken dat de verbodsbepalingen, die met het oog op de voorlopige bescherming van hun goed in het besluit tot vaststelling van het ontwerp van lijst, door derden -met name de "huurders en bewoners" waarvan sprake is in artikel 5, § 3, derde lid, van het decreet van 1976- zouden worden nageleefd; dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de individuele betekening van het ontwerp van lijst niet regelmatig is geschied; dat een substantieel vormvoorschrift is geschonden; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  10. Vernietigd wordt het besluit van 16 december 1996 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende bescherming als monument van twee beuken in het park Bodart gelegen te Leuven, Ijzerenmolenstraat, kadastraal bekend, Sectie D, nr. 125 c (deel) en als stadsgezicht het park Bodart, gelegen te Leuven, Ijzerenmolenstraat, kadastraal bekend, Sectie D, nrs. 124d en 125c. Artikel
  11. De kantmelding wordt bevolen van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het tweede hypotheekkantoor te Leuven. X-7665-10/11 Artikel
  12. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de in artikel 2 van dit arrest vermelde kantmelding komen eveneens ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-7665-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.816 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.73.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.