← België

Arrest 144818 - - 24/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.818 Rolnummer: A. 138536/VII-33569 Zaak: Arrest 144818 - - 24/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:38 Fiche Arrest nr 144.818 van 24 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.818 van 24 mei 2005 in de zaak A. 138.536/VII-33.569 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. MAENAUT, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, de Selliers de Moranvillelaan 84 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 30 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.569-1/9 Gelet op de beschikking van 2 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 april 2005; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 waarbij de beschikking van 2 maart 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 12 april 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. MAENAUT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 5 januari 2001 en verklaarde zich voor een eerste maal vluchteling op 8 januari
  3. 1.
  4. Op 24 januari 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 13 maart 2001 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
  6. Het hiertegen bij de Raad van State ingestelde beroep werd bij arrest nr. 108.006 van 18 juni 2002 verworpen. 1.
  7. De verzoekende partij verklaarde zich voor een tweede maal vluchteling op 18 september
  8. 1.
  9. Op 11 oktober 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. VII-33.569-2/9 1.
  10. Op 26 mei 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U, die verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Teheran. U zou gehuwd zijn met Z. Z. S.. U zou in 1984 in het bedrijf waar u werkte, een staking onder de arbeiders hebben opgezet. Hierna zou u zijn gearresteerd en de Revolutionaire Rechtbank zou u een werkverbod hebben opgelegd. Sindsdien zou u enkele jobs hebben gehad, maar telkens, na een korte tijd, zijn ontslagen en opgepakt. De rechtbank zou elke keer het verbod op werken hebben herbevestigd. De laatste keer zou in 1995 zijn geweest. Ze zouden toen hebben gedreigd dat, indien u toch nog zou werken, uw familie zou worden lastiggevallen. Eind 2000 zou u Iran hebben verlaten met uw echtgenote en uw kinderen. Op 5 januari 2001 zou u in België zijn aangekomen. U vroeg hier een eerste maal asiel aan op 8 januari
  11. De Dienst Vreemdelingenzaken nam hieromtrent een beslissing tot weigering van verblijf die door de Commissaris-generaal werd bevestigd op 13 maart
  12. Op 18 september 2002 vroeg u een tweede maal asiel aan. U zou niet zijn teruggekeerd naar Iran. Uw echtgenote daarentegen zou op 15/3/1381 (Perzische kalender, k.o.m. 5/6/2002 Gregoriaanse kalender) zijn teruggekeerd naar Iran. Bij haar aankomst op de luchthaven van Mehr Abad zou ze 21 uur zijn vastgehouden. Ze zou daarbij zijn ondervraagd over haar illegale uittocht uit Iran. Ze zouden haar ook hebben gevraagd waar u was. Twee weken later zou ze zich opnieuw zijn moeten gaan aanmelden. Na het betalen van een boete zou ze haar in beslag genomen paspoort hebben teruggekregen. Kort na haar terugkeer zouden geregeld personen, vermoedelijk van de Ettelaat of "Dadsetani-ye Enghelab-e Islam" (procureur van de revolutionaire justitie), zijn langs gekomen om naar u te vragen. Daarbij zouden ze het huis, dat uw echtgenote huurde, hebben doorzocht. Ter ondersteuning van uw tweede asielaanvraag legt u volgende documenten voor: een fax van uw echtgenote dd. 26/9/2002 waarin ze uitlegt dat ze bij haar aankomst in Mehr Abad werd ondervraagd en een medisch attest dd. 19/12/02 dat u psychotherapie volgt. B. Motivering Vooreerst moet worden opgemerkt dat u onvoldoende ernstige elementen aanbrengt waaruit kan worden geconcludeerd dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève hoeft te koesteren. Het feit dat uw echtgenote bij terugkeer zou zijn ondervraagd in de luchthaven over haar illegale uitreis uit Iran en dat ze een boete zou hebben moeten betalen, is een normale gang van zaken en wijst niet op vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het feit dat daarbij naar u werd gevraagd is evenmin een ernstige aanwijzing dat de autoriteiten u viseren met het oog op vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U bent immers haar echtgenoot en zou samen met haar Iran illegaal hebben verlaten. Bovendien moet hierbij worden opgemerkt dat u slechts weet dat er naar u is gevraagd maar hier verder geen details over kunt geven (CG p. 12-13). Met betrekking tot uw verklaringen dat de autoriteiten u actief zouden zoeken sinds de terugkeer van uw echtgenote dient te worden opgemerkt dat u hierover vaag blijft. Zo kan u niet precies zeggen welke instantie bij uw echtgenote langskomt. U veronderstelt dat het of de Ettelaat of de Dadsetani is (CG p. 14 en 16). U weet ook niet wat er tijdens deze bezoekjes gebeurt. U vermoedt dat er een huiszoeking werd uitgevoerd omdat ze dat vroeger ook zo deden. U weet niet of ze dan iets in beslag hebben genomen, of ze meer deden dan het huis doorzoeken (CG p. 15-17). Bovendien moet worden opgemerkt dat u bij uw eerste asielaanvraag verklaarde dat u van 1995 tot uw vertrek in 2000 geen problemen meer heeft gehad met de Iraanse autoriteiten (CG dd.9/2/01, p. 14). Wanneer u tijdens uw gehoor in dringend beroep voor uw tweede asielaanvraag wordt gevraagd waarom u wel weer actief wordt gezocht door de Iraanse autoriteiten, verklaart u dat u van 1995 tot 2000 de grootste problemen had. U zou in deze periode nog twee maal zijn gearresteerd. De eerste keer zou u ongeveer een week, de tweede keer ongeveer twee weken zijn vastgehouden. Uw huis zou in deze periode meermaals zijn doorzocht (CG dd.16/05/03, p. 18-19). Zulke VII-33.569-3/9 flagrante tegenstrijdige verklaring vormt een ernstige ondermijning van de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Daarnaast is het opmerkelijk dat u tijdens uw gehoor in dringend beroep van uw tweede asielaanvraag verklaart dat uw echtgenote met haar paspoort is teruggekeerd. Ze zou dit paspoort in 1374 of 1375 (1995-96) hebben bekomen (CG dd.16/05/03 p. 4-5). Uw echtgenote beweerde immers tijdens haar gehoor in dringend beroep dat ze nooit een paspoort heeft gehad (CG echtgenote dd.9/02/01, p. 2). Tijdens uw gehoor in dringend beroep bij uw tweede asielaanvraag vermeldt u spontaan reeds voor de tweede keer te zijn gehuwd. Uw eerste echtgenote en de zoon die u met haar had, zouden Iran zijn ontvlucht omwille van uw problemen in Iran in 1984 (CG p. 1-1B). U heeft tevoren echter nooit iets over hen verteld (noch bij uw eerste asielaanvraag, noch tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken voor uw tweede asielaanvraag). Aangezien u verklaart dat zij Iran zijn ontvlucht omwille van uw problemen is het toch bevreemdend dat u hier niets eerder over heeft vermeld. Tot slot is de fax van uw echtgenote niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kan wijzigen. De fax maakt slechts melding van de ondervraging van uw echtgenote op de luchthaven. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “Eerste middel volgt uit de schending van artikel 52, § 2, 2/ van de wet van 15.12.1980 en artikel 1, A

(2)van het vluchtelingenverdrag van 1951 In zoverre dat de betwiste beslissing artikel 1ste, A
(2)van de Conventie van Genève, getekend op 20 juli 1951 schendt, in de mate dat zonder enige verantwoording, deze de criteria voorzien in deze bepaling niet ten voordele van verzoeker toepast, en weigert verzoeker de hoedanigheid van vluchtelingen toe te kennen. Terwijl in de fase van ontvankelijkheid “er enkel vereist wordt dat de betrokkene een coherente uiteenzetting van de feiten geeft. Men heeft geen enkel getuigenbewijs noch geschriften opgevraagd” (Minister van Justitie, Parl. Doc. Senaat, 1990/1991, nr 107-6/2, p. 11). Dat de motieven van de beslissing ongegrond zijn of niet ter zake. Dat het te betreuren valt dat de bedoeling van de wetgever niet geëerbiedigd wordt. Dat indien men inderdaad het principe van de ontvankelijkheidfase aanvaardt, de inhoud van dit begrip restrictief geïnterpreteerd dient te worden. Dat de motieven van de bekritiseerde beslissing slechts gebaseerd zijn op elementen die tot de tweede fase van de procedure behoren (ten gronde). Dat de voorwaarden om de aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren niet verenigd zijn. Dat de Raad van State heeft meerder keren oordelen dat ‘est manifeste au sens de l’article 52§2, 2/ de la loi du 15 décembre 1980, ce dont l'existence ou la nature VII-33.569-4/9 s'impose à un esprit raisonnable avec la force de conviction telle que de plus amples investigation ne paraissent pas nécessaires (CE n/ 53.031, 25/04/1995, et CE 27 octobre 1994, R.D.E., 1994, p. 594). Dat er uit komt van een zorgvuldig onderzoek van het dossier dat de motieven niet ongegrond zijn, en zeker niet zo ongegrond dat ze aan dit stadium van de procedure tot de conclusie leiden van een kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag. Dat uit de feitenrelaas blijkt dat verzoeker het voorwerp is geweest van meerdere maatregelen en mishandelingen vanwege de politie. Dat verzoeker geen enig tegenstrijdigheden in hun relaas gemaakt hebben. Dat het feit dat verzoeker verboden werd door de Revolutionaire Rechtbank te werken, en dat steeds na een paar maanden dat hij een nieuw werk vond hij ontslagen werd, en vastgehouden, kan zeker beschouwd zijn als een vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Dat hij sinds 1995 geen problemen had met de autoriteiten is te wijten aan het feit dat hij nooit meer durfde een te werken wegens het aan hem verbod gemaakt door de rechtbank, zonder wat hij weer ontslagen zou geworden zijn, zeker opnieuw gearresteerd. Dat hij dus wel zijn land van herkomst gevlucht is om gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, en de motieven die hun asielaanvraag gronden zijn wel geviseerd in de Conventie van Genève. Dat de bekritiseerde beslissing behept is met afwezigheid van motivatie en de bepalingen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 schendt.”; 2.1.2. Overwegende dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep de opdracht heeft na te gaan of een verder onderzoek van de erkenningsaanvraag noodzakelijk is en of de asielaanvrager voorlopig wordt toegelaten tot het verblijf in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling; dat de Commissaris-generaal, na de onontvankelijkheidsbeslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, onderzoekt of de asielaanvrager gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat te dezen de Commissaris-generaal op wettige wijze en overeenkomstig artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de aanvraag kennelijk ongegrond kon verklaren, nu verzoeker onvoldoende ernstige elementen aanbrengt waaruit kan worden geconcludeerd dat hij een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève hoeft te koesteren; dat immers wordt vastgesteld dat de ondervraging van verzoekers echtgenote een normale gang van zaken is en niet wijst op vervolging in de zin van de Conventie van Genève, dat verzoeker verder geen details kan verstrekken en dat hij daarnaast bijzonder vaag blijft in zijn verklaringen; dat een dergelijk onderzoek niet kan worden beschouwd als een onderzoek in de gegrondheidsfase; Overwegende dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag de Commissaris-generaal daarenboven, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris- generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen die verzoeker aflegde tijdens zijn asielaanvragen zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; dat in casu een eenvoudige vergelijking van verzoekers verklaringen duidelijke VII-33.569-5/9 tegenstrijdigheden en ongerijmdheden naar voren bracht; dat dit evenmin als een onderzoek naar de gegrondheid kan worden beschouwd; dat de Commissaris-generaal immers met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet een asielaanvraag bedrieglijk kan verklaren wanneer wordt vastgesteld dat de verklaringen van de betrokkene door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn; dat de bewering van verzoeker dat de motieven van de bekritiseerde beslissing slechts gebaseerd zijn op elementen die tot de fase ten gronde van de procedure behoren, bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat de aangevoerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet kan worden aangenomen; dat, wat de ingeroepen schending van artikel 1, A,
(2), van de Conventie van Genève betreft, deze bepaling geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “Tweede middel volgt uit de schending van de artikelen 2 en volgende van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivatie van administratieve handelingen en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dat een wel gevestigde rechtspraak vereist dat elke administratieve handeling gefundeerd is op exacte, pertinente en aanvaardbare motieven, welke, indien zij niet uitdrukkelijk werden geformuleerd, uit het administratieve dossier moeten blijken opgesteld in de loop van de uitwerking van deze handeling (la motivation formelle des actes adminstratifs - Loi du 29 juillet 1991, Actes de la Journée d'Etude du 8 mai 1992, collectif, faculté de Droit de Namur, 1992, p. 131). In zoverre de beslissing gesteund is op de volgende motieven “Vooreerst moet worden opgemerkt dat u onvoldoende ernstige elementen aanbrengt waaruit kan worden geconcludeerd dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève hoeft te koesteren. Het feit dat uw echtgenote bij terugkeer zou zijn ondervraagd in de luchthaven over haar illegale uitreis uit Iran en dat ze een boete zou hebben moeten betalen, is een normale gang van zaken en wijst niet op vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het feit dat daarbij naar u werd gevraagd is evenmin een ernstige aanwijzing dat de autoriteiten u viseren met het oog op vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U bent immers haar echtgenoot en zou samen met haar Iran illegaal hebben verlaten. Bovendien moet hierbij worden opgemerkt dat u slechts weet dat er naar u is gevraagd maar hier verder geen details over kunt geven (CG 12-13). Met betrekking tot uw verklaringen dat de autoriteiten u actief zouden zoeken sinds de terugkeer van uw echtgenote dient te worden opgemerkt dat u hierover vaag blijft. Zo kan U niet precies zeggen welke instantie bij uw echtgenote langskomt. U veronderstelt dat het of de Ettelaat of de Dadsetani is (CG 14-16) U weet ook niet wat er tijdens deze bezoekjes gebeurt. U vermoedt dat er een huiszoeking werd uitgevoerd omdat ze dat vroeger ook zo deden. U weet niet of ze dan iets in beslag hebben genomen, of ze meer deden dan het huis doorzoeken. Bovendien moet worden opgemerkt dat u bij uw eerste asielaanvraag verklaarde dat u van 1995 tot uw vertrek in 2000 geen problemen meer heeft gehad met de Iraanse autoriteiten (CG p. 14) Wanneer u tijdens uw gehoor in dringend beroep voor uw tweede asielaanvraag wordt gevraagd waarom u wel weer actief wordt gezocht door de Iraanse autoriteiten verklaart u dat u van 1995 tot 2000 de grootste problemen had. U zou in deze periode nog twee maal zijn gearresteerd De eerste keer zou u ongeveer een week, de tweede keer ongeveer twee weken zijn vastgehouden. Uw huis zou in deze periode meermaals zijn doorzocht (CG 18-19). Zulke flagrante tegenstrijdige VII-33.569-6/9 verklaring vormt een ernstige ondermijning van de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Daarnaast is het opmerkelijk dat u tijdens uw gehoor in dringend beroep van uw tweede asielaanvraag verklaart dat uw echtgenote met haar paspoort is teruggekeerd Ze zou dit paspoort in 1374 of 1375 (1995-1996) hebben bekomen (CG 4-5) Uw echtgenote beweerde immers tijdens haar gehoor in dringend beroep dat ze nooit een paspoort heeft gehad Tijdens uw gehoor in dringend beroep bij uw tweede asielaanvraag vermeldt u spontaan reeds voor de tweede keer te zijn gehuwd Uw eerste echtgenote en de zoon die u met haar had zouden Iran zijn ontvlucht omwille van uw problemen in Iran in
  2. U heeft tevoren echter nooit iets over hen verteld (noch bij uw eerste asielaanvraag, noch tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken voor uw tweede asielaanvraag) Aangezien u verklaart dat zij Iran zijn ontvlucht. Tot slot is de fax van uw echtgenote niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kan wijzigen. De fax maakt slechts melding van de ondervraging van uw echtgenote op de luchthaven. Terwijl de woorden “met gegronde vrees” van artikel 1e van de Conventie van Genève zowel een subjectieve element als een objectieve element bevat. Dat “bovendien, een aanvrager van het statuut van vluchteling het voorwerp kan geweest zijn van verscheidene maatregelen die op zichzelf geen vervolgingen uitmaken waarbij zich in zekere gevallen andere vijandelijke toestanden voegen (bijvoorbeeld een algemene atmosfeer van onzekerheid in het land van oorsprong). In dergelijke gevallen kunnen de verscheidene elementen, alleen samengenomen, bij de aanvrager een geestesgesteldheid verwekken die toelaten redelijkerwijs te stellen dat hij vreest vervolgd te zijn om cumulatieve redenen” ( Guide des procédures du HCR, p. 15) Bovendien moet men ook verwijzen naar de ‘Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (f) De economische migranten in tegenstelling met de vluchtelingen.
  3. Een migrant is een persoon die, voor andere redenen dan diegene die in de definitie zijn vermeld, zijn land vrijwillig verlaat om zich elders te vestigen. Hij kan door het verlangen van veranderingen en avontuur gedreven zijn, of door familiale of andere redenen van persoonlijke aard. Indien hij uitsluitend door economische overwegingen is gedreven dan is het een economische migrant.
  4. Nochtans het onderscheid tussen een economische migrant en een vluchtelingen soms vervangen evenals het onderscheid tussen economische maatregelen in het land van herkomst van de aanvrager. De economische maatregelen die een persoon treffen in zijn middelen van bestaan kunnen motieven met raciale, godsdienst of politieke inspiratie verbergen tegen een bepaalde groep. Indien de economische maatregelen het economische bestaan van een bepaalde groep van de bevolking bedreigt (bijvoorbeeld door het recht van handel te verbieden of door een discriminerende of overdreven belasting die de leden van bepaalde etnische of religieuze groepen treft ) kunnen de slachtoffers van deze maatregelen, rekening houdend van deze omstandigheden, vluchtelingen worden wanneer ze het land verlaten.
  5. De vraag stelt zich indien men dezelfde beschouwing mag volgen indien het algemene economische maatregelen betreft 't is te zeggen deze die toepasbaar zijn voor de hele bevolking zonder onderscheid dat hangt af van de omstandigheden van ieder geval. Het verzet tegen algemene economische maatregelen is op zich geen reden die het recht verschaft om op een geldige wijze het statuut van vluchtelingen te eisen. Maar wat op eerste zicht een economische reden blijk te zijn om het land te verlaten bevat soms een politieke aspect, en het is mogelijk dat het de politieke opinie van de bedoelde persoon zijn die voor hem ernstige gevolgen kunnen veroorzaken in veel grotere mate dan zijn bezwaren tegen de eigenlijke economische maatregelen. In casu werd verzoeker verboden te werken een paar jaren na de revolutie. Inderdaad sinds 1984 heeft hij nooit een vast beroep kunnen vinden alhoewel hij geleerd was (zie bijlage 2 attestatie van de studies gemaakt door verzoeker.) Hij werd steeds gevonden wanneer hij een nieuwe beroep vond, een paar dagen gearresteerd, en daarna vrijgelaten na een herhaling door de Revolutionaire Rechtbank van het streng verbod te werken. Zij huis werd ook verschillende keren verzocht, en er werden boeken VII-33.569-7/9 gevonden die niet aanvaard zijn in zijn land. In deze zaak werd eens de subjectieve vrees van de aanvrager niet in aanmerking genomen werd. Echter was verzoeker het slachtoffer van verschillende slechte handeling en maatregelen die hem in zijn economische toestand trof, omdat hij voor de revolutie gewerkt had, en nu wegens hij een intellectueel was, en een gevaar voor de Revolutionaire staat was, verboden was te werken. Dat de motivatie bij gevolg niet aan de vereisten beantwoordt.”; 2.2.
  6. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, doch dat hij betwist dat de opgegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat verzoeker aldus in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht inroept; dat verzoeker de Commissaris-generaal verwijt zijn subjectieve vrees niet in aanmerking te hebben genomen waardoor de motivering niet voldoet; dat er dienaangaande op gewezen dient te worden dat bij het bepalen van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging een subjectief en een objectief element in aanmerking genomen moeten worden; dat het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging impliceert dat de subjectieve vrees van verzoeker door objectieve elementen wordt gerechtvaardigd; dat de bestreden beslissing in casu blijkt vast te stellen dat het objectief karakter van de vrees ontbreekt, met name dat verzoeker onvoldoende ernstige elementen heeft aangebracht waaruit kan worden geconcludeerd dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van de Conventie van Genève; dat immers wordt vastgesteld dat de omstandigheid dat verzoekers echtgenote bij haar terugkeer werd ondervraagd over haar illegale uitreis uit Iran en dat ze een boete moest betalen, de normale gang van zaken is en niet wijst op vervolging in de zin van de Conventie van Genève, en dat ook de omstandigheid dat naar hem werd gevraagd er niet op wijst dat de autoriteiten hem zouden viseren met het oog op vervolging in de zin van de Conventie van Genève, aangezien verzoeker samen met zijn echtgenote Iran illegaal heeft verlaten; dat zodra -zoals in casu- wordt besloten dat de vrees voor vervolging van de vreemdeling niet langer objectief verantwoord is, een onderzoek naar het subjectieve aspect van diens vrees volkomen overbodig is; dat de beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd; dat het tweede middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-33.569-8/9 BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.569-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.818 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.