← België

Arrest 144823 - - 24/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.823 Rolnummer: A. 139894/VII-33577 Zaak: Arrest 144823 - - 24/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 15:38 Fiche Arrest nr 144.823 van 24 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.823 van 24 mei 2005 in de zaak A.139.894/VII-33.577 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. POPPE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koningin Astridlaan 87 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 1 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 18 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.577-1/8 Gelet op de beschikking van 2 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 april 2005; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 waarbij de beschikking van 2 maart 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 12 april 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van XXX, die persoonlijk verschijnt, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 2 oktober 1999 en verklaarde zich (voor de tweede maal) vluchteling op 6 februari
  3. 1.
  4. Op 19 februari 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 3 juli 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U, een Afghaans staatsburger, verklaart van Pashtun-origine te zijn afkomstig van Kabul. U diende een eerste asielaanvraag in op 4 oktober 1999 die door het Commissariaat-generaal werd afgesloten op 27 oktober 2000 met een beslissing tot een weigering van erkenning van de status van vluchteling. U diende een beroep in bij de Vaste Beroepscommissie dat op 18 januari 2001 onontvankelijk werd verklaard. U diende een beroep in bij de Raad van State dat op 10 oktober 2002 werd afgesloten. U keerde hierna niet terug naar uw land van herkomst. U vroeg op 6 februari 2003 een tweede maal asiel in België. Tijdens uw legerdienst in 1367-69 (Afghaanse kalender; komt overeen met 1988-90 in de Gregoriaanse kalender) was u soldaat in Regiment 05 in Kabul en diende u de veiligheid van president Najibullah te garanderen. U was lid van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA). Tijdens het regime van de Mudjahedin (1992- 96) werd u door de Mudjahedin thuis gezocht. U werd niet gevonden. VII-33.577-2/8 U vernam in België via telefonisch contact met een ver familielid dat u door de commandant Gulhaidar in Kabul wordt gezocht. Via een vriend die was teruggekeerd naar Afghanistan vernam u dat van degenen die hebben gediend in Regiment 05 niemand nog in leven is. U vreest nu bij een terugkeer naar Afghanistan de commandant Gulhaidar en de Mudjahedin omwille van uw legerdienst tijdens het communistische regime. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat- generaal (CGVS) zowel van uw eerste als uw tweede asielaanvraag niet overeenstemmen. Zo verklaart u op het Commissariaat- generaal tijdens uw tweede asielaanvraag dat u lid was van de Democratische Volkspartij van Afghanistan (DVPA) (zie gehoor CGVS 10/6/03, p. 4). Op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u echter geen lid te zijn geweest van de DVPA (zie gehoor DVZ 14/2/03, punt 42). Ook tijdens uw eerste asielaanvraag verklaarde u geen lid te zijn geweest van een politieke partij (zie gehoor CGVS 1/8/00, p.1). Verder verklaarde u op het Commissariaat-generaal tijdens uw tweede asielaanvraag dat u tijdens uw legerdienst de opdracht had de veiligheid van Najibullah, de president, te garanderen (zie gehoor CGVS 10/6/03, p.2). Tijdens uw eerste asielaanvraag verklaarde u echter tijdens uw gehoor op het Commissariaat-generaal enkel dat u tijdens uw legerdienst een fabriek in Changalak diende te bewaken (zie gehoor CGVS 1/8/00, p.1). Vervolgens verklaarde u op het Commissariaat-generaal tijdens uw tweede asielaanvraag dat u reeds gedurende het regime van de Mudjahedin in de periode 1371- 75 (1992-96) persoonlijke problemen kende omdat ze meermaals bij u thuis kwamen (zie gehoor CGVS 10/6/03, p.7). Tijdens uw eerste asielaanvraag verklaarde u echter dat uw problemen pas begonnen in 1378

(1999)en dat u tijdens het regime van de Mudjahedin enkel problemen kende omwille van gevechten (zie gehoor CGVS 1/8/00, p. 2 en 3). Deze elementen tasten de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze aan. Bovendien dient te worden opgemerkt dat, zelfs indien uw verklaringen geloofwaardig zijn, quod non, de door u nieuw aangebrachte elementen voor uw tweede asielaanvraag onvoldoende zwaarwichtig zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. Wat betreft uw vrees voor vervolging door de huidige autoriteiten omwille van uw legerdienst tijdens het communistische regime, verklaart u dat u reeds tijdens het regime van de Mudjahedin gezocht werd (zie gehoor CGVS 10/6/03, p.7), doch dit is zonder enig gevolg gebleven. U verklaart geen directe incidenten met een van de Mudjahedin-groeperingen te hebben gekend (zie gehoor CGVS 10/6/03, p.7). Wat betreft uw actuele vrees voor de commandant Gulhaidar dient te worden opgemerkt dat deze gebaseerd is op gesprekken met een vriend en familie. Het is bovendien zeer onwaarschijnlijk dat u door de commandant Gulhaidar gezocht wordt, gezien u eerder geen problemen kende met de Mudjahedin omwille van uw legerdienst. U haalt verder geen concrete aanwijzingen aan dat u nu nog steeds door deze commandant wordt gezocht. Het loutere feit uw legerdienst te hebben gedaan tijdens het communistische regime is onvoldoende om gewag te maken van een vrees voor vervolging. Wat betreft uw verklaringen dat van degenen die hebben gediend in Regiment 05 er niemand nog in leven is, dient te worden opgemerkt dat u op geen enkele wijze duidelijk maakt wat hiervan de reden is, laat staan dat u hiermee duidelijk maakt dat u een vrees voor vervolging dient te koesteren omwille van de criteria van de Conventie van Genève. U toont op geen enkele wijze aan dat de leden van dit regiment vervolgd zouden zijn geweest omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève en daardoor kan u niet aantonen dat u persoonlijk systematische vervolging riskeert. U haalt verder geen concrete, persoonlijke elementen aan dat u door de huidige autoriteiten zou worden geviseerd met het oog op vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De door u neergelegde documenten (identiteitsboekje, militair boekje, studentenkaart, kaart van soldaat, attesten van cursussen in België) wijzigen hetgeen VII-33.577-3/8 hiervoor werd uiteengezet niet. Ze vormen een bewijs van uw identiteit en uw activiteiten in België waaraan hier niet wordt getwijfeld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo mogelijk het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken.”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van het beginsel van behoorlijk bestuur. inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel evenals de materiële motiveringsplicht. Doordat de bestreden beslissing zich ten onrechte baseert op mogelijke interpretatiefouten gemaakt in de vertaling, en bepaalde verklaringen aanziet als tegenstrijdig terwijl zij slechts aanvullend zijn. Terwijl de motivering van bestuurshandelingen draagkrachtig en afdoende dient te zijn.
  2. De afwijzende beslissing is uitsluitend gemotiveerd op de verklaringen die verzoeker op het interview gegeven heeft. Aangezien verzoeker geen van de landstalen machtig is, noch Engels spreekt, werd het interview voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen d.d. 10 juni 2003 gevoerd in één van de lokale talen van Afghanistan, het Farsi. Verzoeker stelt dat daarbij verschillende vertaalfouten werden gemaakt. De tolk zou niet altijd even nauwkeurig hebben vertaald en soms verkeerde informatie hebben doorgegeven. Een deel van de uiteenzetting van verzoeker werd door de tolk zelfs niet vertaald aan de betrokkene die het interview leidde. Zo werd een groot deel van het vluchtelingenrelaas niet vertaald, maar gaf de tolk enkel zeer korte antwoorden op de vragen die aan verzoeker gesteld werden, terwijl verzoeker hierop wel omstandig repliceerde.
  3. Wegens deze vertaalproblemen heeft verzoeker onmiddellijk na het interview d.d. 10 juni 2003 een klacht ingediend bij de Commissaris-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen (kopie klacht in bijlage: stuk 3). Deze vertaalfouten zijn verantwoordelijk voor de beweerde tegenstrijdigheden die verzoeker in zijn uiteenzetting hebben gemaakt.
  4. Zo heeft verzoeker nooit verklaard lid te zijn van de Democratische Volkspartij van Afghanistan. Zowel tijdens de eerste asielaanvraag als in het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werd dit duidelijk door de bevoegde ambtenaren geacteerd. Wanneer verzoeker tot tweemaal toe dit zo aan de overheid verklaard zou hebben, waarom zou hij dan plots met een andere versie komen in het interview voor de Commissaris-generaal? Deze afwijkende VII-33.577-4/8 versie, die klaarblijkelijk alleen zo werd geacteerd voor de Commissaris-generaal is uitsluitend te wijten aan een vertaalfout van de betrokken tolk, waartegen verzoeker onmiddellijk na afloop van het interview klacht heeft ingediend.
  5. Het tweede element dat in de bestreden beslissing als een tegenstrijdigheid wordt omschreven, is op zich niet contradictoir maar vormt slechts een opsomming van een aantal verschillende activiteiten die verzoeker achtereenvolgens gedurende zijn legerdienst heeft moeten doen. Zo is het niet omdat het regiment waartoe verzoeker behoorde (en dat nadien met uitzondering van verzoeker volledig werd vermoord door de Mudjahedin) in hoofdzaak belast was met het garanderen van de persoonlijke veiligheid van de president, dat verzoeker tijdens zijn legerdienst nooit een fabriek zou hebben bewaakt. Verzoeker heeft in de loop van zijn legerdienst gedurende twee jaar uiteraard verschillende taken moeten doen. De bestreden beslissing is dan ook onvoldoende gemotiveerd wanneer zij stelt dat de verklaringen van verzoeker met elkaar in tegenstrijd zouden zijn, terwijl dit slechts onderscheiden gebeurtenissen betreffen die elkaar in de tijd opvolgen.
  6. Het laatste element waarop de bestreden beslissing de asielaanvraag afwijst betreft de verklaring dat verzoeker eerst zou gesteld hebben dat hij problemen kende met de Mudjahedin omwille van gevechten, terwijl hij later zou gesteld hebben dat hij gedurende de periode van de Mudjahedin persoonlijke problemen kende. Ook deze verklaringen zijn niet met elkaar in tegenspraak. De reden waarom verzoeker de vervolging van de Mudjahedin vreest is omwille van zijn legerdienst die hij onder het vorige communistische regime heeft uitgevoerd. Dit heeft ertoe geleid dat het hele regiment waar hij toe behoorde, werd vermoord, en ook zijn vader werd omgebracht. De moord op zijn vader vormt een persoonlijk probleem, dat evenwel veroorzaakt werd door de functie die verzoeker had in het leger. Het is niet tegenstrijdig te stellen dat verzoeker de Mudjahedin vreest omwille van de gevechten én omwille van wat zij zijn vader hebben aangedaan. In geen geval tonen deze drie elementen aan dat verzoeker, kwaadwillig, met frauduleus inzicht in België asiel zou hebben aangevraagd. Hoogstens zijn de verschillende verklaringen te wijten aan vertaalfouten of een verkeerde interpretatie van de gebeurtenissen. De beslissing van de Commissaris-generaal die beweert dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn, terwijl uit geen enkel element dit “bedrieglijk opzet” blijkt, is derhalve niet afdoende gemotiveerd.
  7. Wanneer vastgesteld wordt dat de bestreden beslissing geen enkele aanwijzing bevat omtrent het vermeend bedrieglijk karakter van de asielaanvraag, maar deze wel op deze gronden verwerpt, mist zij iedere draagkracht en schendt zij de motiveringsplicht voorzien in de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Minstens schendt de bestreden beslissing het beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel evenals de materiële motiveringsplicht. De beslissing d.d. 3 juli 2003 van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen is dan ook aangetast door nietigheid.”; 2.
  8. Overwegende vooreerst dat tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren, niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene immers onmogelijk zou maken uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dit ook betekent dat, wanneer uit de bewoordingen van het verzoekschrift kan worden afgeleid dat in wezen een schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing kent, het middel voorzover het is gesteund op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; VII-33.577-5/8 Overwegende dat de Commissaris-generaal volgens verzoeker niet tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag kon besluiten aangezien er geen sprake is van bedrieglijk opzet; dat de Commissaris-generaal evenwel binnen het kader van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de Commissaris-generaal, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat in dit verband het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer aangetoond kan worden door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn; dat de Commissaris-generaal in casu oordeelde dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk en bovendien kennelijk ongegrond is omwille van de tegenstrijdigheden die werden vastgesteld in verzoekers opeenvolgende verklaringen zowel in de eerste als de tweede asielaanvraag, waardoor de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen op fundamentele wijze wordt aangetast, en omdat verzoeker bovendien geen elementen aanbracht die wijzen op een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève; dat verzoekers bewering over bedrieglijk opzet derhalve niet kan worden bijgevallen; Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt dat de vaststellingen in de bestreden beslissing alle steun vinden in de stukken van het administratief dossier en overeenstemmen met de inhoud van de verhoorverslagen; dat aangaande verzoekers opmerkingen over de tolk tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal erop gewezen dient te worden dat verzoeker, alhoewel hij daar de kans toe had, op het einde van het interview geen opmerking of kritiek heeft geformuleerd over de tolk; dat verzoeker ook tijdens het verhoor geen enkele opmerking maakte over het verloop van het gesprek; dat verzoeker nadien in een schrijven aan de Commissaris-generaal meldde dat hij zich niet correct behandeld voelde omdat de tolk zijn naam niet wou zeggen; dat verzoeker tevens een element uit het verhoor aanhaalde dat evenwel geen invloed uitoefende op de motivering van de bestreden beslissing; dat verzoeker nog stelde dat de tolk hem geen kans zou hebben gegeven verdere uitleg te verschaffen, hoewel uit het verhoorverslag blijkt dat verzoeker op het einde van het interview verklaarde alles te hebben gezegd; dat verzoeker slechts in het verzoekschrift beweert dat de tegenstrijdigheid aangaande het al dan niet lid zijn van de DVPA te wijten is aan een vertaalfout; dat dit echter nergens uit het verhoorverslag blijkt en derhalve niet kan worden aangenomen als verklaring; Overwegende dat verzoeker omtrent de overige vastgestelde tegenstrijdigheden beweert dat dit geen tegenstrijdigheden zijn, doch dat zij eerder als een VII-33.577-6/8 opsomming te kwalificeren zijn of een verkeerde interpretatie van de gebeurtenissen vormen; dat verzoeker aldus niet aantoont dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk of onjuist zouden zijn; dat verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de zaak opnieuw vast te stellen en te beoordelen; dat dit echter de bevoegde administratieve overheid toebehoort; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat de Raad van State enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststellingen van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat verzoeker een andere appreciatie aan de feiten geeft, doch met de loutere bevestiging van zijn standpunt niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste gegevens is genomen; dat er, gelet op de gegevens van het dossier, in casu geen redenen voorhanden zijn om er aan te twijfelen dat de Commissaris-generaal op grond van de door verzoeker gegeven inlichtingen tot een redelijke en zorgvuldige beoordeling van de asielaanvraag is gekomen; dat verzoeker niet aantoont dat de bestreden beslissing gebrekkig zou zijn gemotiveerd; dat de beslissing uitgebreid de motieven bevat waarop ze is gesteund; dat deze motieven draagkrachtig en afdoende zijn; dat het enige middel niet gegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-33.577-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.577-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.