id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.825 Rolnummer: A. 147918/VII-33580 Zaak: Arrest 144825 - - 24/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 15:38 Fiche Arrest nr 144.825 van 24 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.825 van 24 mei 2005 in de zaak A.147.918/VII-33.580 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. GOETHALS, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 23 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen, enerzijds, van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 december 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en, anderzijds, van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 december 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-33.580-1/9 Gelet op de beschikking van 2 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 april 2005; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 waarbij de beschikking van 2 maart 2005 houdende vaststelling van de zaak op de openbare terechtzitting van 12 april 2005 wordt ingetrokken, en waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat J. GOETHALS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 1 december 2003 en verklaarde zich vluchteling op 2 december
- 1.
- Op 9 december 2003 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 januari 2004 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U bent XXX staatsburger van XXX origine en u bent minderjarig (17 jaar). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal, in aanwezigheid van uw raadsman Meester Jo Goethals, dat u XXX verliet omwille van problemen met de maffia. Uw vader had in K. (R.) onroerend goed. Hij kreeg problemen met leden van de maffia die van hem bepaalde documenten eisten. Uw vader veranderde. Hij begon dingen te vernielen en sloeg u. Er kwamen ook mensen bij jullie thuis. In 1999 of 2000 werd u door mensen van de maffia ontvoerd. U werd door de ontvoerders buiten uw dorp gebracht. Na ongeveer een dag belden zij uw vader op. Ze spraken over documenten. Na het telefoongesprek werd u geslagen. Na de eerste klap verloor u het bewustzijn en toen u bijkwam lag u in het ziekenhuis. U verbleef daar twintig dagen à één maand. VII-33.580-2/9 Na uw ontvoering bleef de maffia dingen aan uw vader vragen. Uw vader zag geen uitweg meer en pleegde op 23 april 2001 zelfmoord. Enkele maanden na de dood van uw vader begon de maffia uw moeder lastig te vallen. Er kwamen meermaals mensen naar jullie woning. Ze spraken dan met uw moeder. U en uw jongste zus mochten die gesprekken niet bijwonen. Bij hun laatste bezoek dreigde de maffia ermee uw jongste zus te ontvoeren. Op 10 november 2003 vertrok u samen met uw moeder en jongste zus uit XXX. Jullie gingen naar Moskou en verbleven daar bij een vriend van uw vader. Op een dag zagen leden van de maffia uw moeder. U weet niet wat er gebeurd is of wat er gezegd werd. Uw moeder sprak met de vriend van uw vader en op 25 of 28 november 2003 verlieten jullie Moskou per vrachtwagen. Uw moeder en uw zus reisden in een andere vrachtwagen en onderweg verloren jullie elkaar uit het oog. U weet niet waar uw moeder nu is. Op 2 december 2003 vroeg u bij de Belgische autoriteiten de status van vluchteling aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat de feiten die u tot staving van uw asielaanvraag aanhaalde, geen verband vertonen met één van de criteria van de Conventie van Genève, aangezien zij van gemeenrechtelijke aard zijn. U haalde immers aan dat u en uw familie problemen kenden met de maffia, die bepaalde documenten van uw ouders eisten (zie CGVS, p. 7, 8 en 9). Uw problemen hebben bijgevolg niets te maken met uw etnie of nationaliteit, uw geloof of politieke overtuiging of met uw behoren tot een sociale groep. Aldus vallen zij buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. U verklaarde verder voor het Commissariaat-generaal niet te weten of de XXX autoriteiten op de hoogte zijn van de problemen die u en uw familie met de maffia hadden (zie CGVS, p. 9 en 13). U brengt echter geen elementen aan die erop wijzen dat u, omwille van één van de criteria zoals omschreven in de Conventie van Genève, niet op de bescherming van de XXX autoriteiten zou kunnen rekenen. Aldus kan in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u neergelegde documenten (uw geboorteakte, de overlijdensakte van uw vader, medische attesten en attest van inschrijving op een school in G.) zijn niet van die aard dat zij deze conclusie kunnen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat U minderjarig bent en dat bijgevolg het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, geratificeerd door België, op u moet worden toegepast.”.
- Overwegende dat, gelet op de devolutieve kracht van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal, het beroep tot nietigverklaring van verzoeker gericht tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 december 2003 onontvankelijk is; VII-33.580-3/9 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : “
- Verzoeker haalt zijn eerste middel uit de schending van: •Het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur in samenhang gelezen met instructies van het zogenaamde ‘UNO-handboek’, •Het artikel 1 en volgende van de Conventie van Genève met betrekking tot de Vluchtelingen van 28 juli 1951 samengelezen met het protocol gedaan te New York op 31 januari 1967 met betrekking tot het status van vluchtelingen, •Art. 48 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, •Art. 4, §1 KB van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. •De formele motiveringsplicht zoals uiteengezet in de art.. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling alsook in het algemeen van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur.
- Het is uiteraard klaar dat het zogenaamde UNO-handboek op zich geen ‘materiële wet’ is. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat in deze ‘gids’ duidelijke richtlijnen worden uiteengezet hoe een interview in bepaalde omstandigheden moet verlopen. De UNO heeft met deze gids meer in het bijzonder bepaald hoe een interview van een asielzoeker op een ‘zorgvuldige’ en dus menswaardige manier moet verlopen. De bepalingen van deze gids kunnen dan ook als een concretisering gelden van hoe het zorgvuldigheidsbeginsel naar aanleiding van interview omtrent de asielaanvraag moet worden geïnterpreteerd. In die mate is de overheidsdienst - in casu het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dan ook gebonden aan de in deze gids vooropgestelde regels. Elke overheid is er immers toe gebonden op een zorgvuldige manier te handelen en te oordelen. Vandaar dan ook dat de verzoekende partij haar middel steunt op het zorgvuldigheidsbeginsel samengelezen met, en geconcretiseerd door het zgn. UNO- Handboek.
- Eerste onderdeel Het staat buiten kijf dat verzoeker minderjarig is. Dit in acht genomen stelt het UNO-handboek dat minderjarigen een lagere bewijslast hebben. Paragraaf 218 van het UNO-Handboek luidt als volgt: “Si la volonté des parents ne peut être constatée ou si cette volonté est douteuse ou contraire à celle de l'enfant, l'examinateur, agissant avec le concours des experts qui l'assistent, devra prendre une décision quant au bien-fondé des craintes du mineur sur le base de toutes les circonstances connues; celles-ci peuvent le conduire à accorder largement le bénéfice du doute.” Vrij vertaald komt dit er op neer dat de ondervrager wanneer hij een minderjarige moet ondervragen zich niet alleen op het relaas van de verzoekende partij moet baseren, maar ook rekening moet houden met alle omstandigheden van het land van herkomst en dat dit kan leiden tot een ruime interpretatie en het voordeel van de twijfel. Dit vereiste dat het dossier van minderjarigen op een andere manier moet worden behandeld valt ook duidelijk af te leiden uit art. 4 van het KB van 11 juli
- In casu moest de Commissaris Generaal het zekere voor het onzekere nemen en het dossier behandelen, rekening houdend met de bijzondere situatie van verzoeker. Het is onbetwist dat verzoeker minderjarig is. Er moet dan ook mee rekening gehouden dat verzoeker niet van alles op de hoogte is. In elk geval is het daarentegen duidelijk dat verzoeker naar België is gevlucht. Gezien zijn jeugdige leeftijd zal hij zeker niet zelf het initiatief noch de middelen gehad hebben om de vluchtreis te plannen. Dat iemand voor verzoeker de beslissing heeft genomen om hem naar België te sturen is een voldoende reden om de asielaanvraag op zijn minst ontvankelijk te verklaren. Quod non in casu.
- Tweede onderdeel Bovendien moet gewezen worden op art. 65 van het UNO handboek waarin aangegeven wordt hoe de Conventie van Genève moet worden geïnterpreteerd: “On entend normalement par persécution une action qui est fait des autorités d'un pays. Cette action peut également être le fait de groupes de la population qui ne se conforment pas aux normes établies par les lois du pays. A titre d'exemple, on peut citer VII-33.580-4/9 l 'intolérance religieuse, allant jusqu'à la persécution, dans un pays par ailleurs laïc mais où d'importantes fractions de la population ne respectent pas de convictions religieuses d'autrui. Lorsque les actes ayant un caractère discriminatoire grave ou très offensent sont commis par le peuple, ils peuvent être considérés comme des persécutions s'ils sont sciemment tolérés par les autorités ou si les autorités refusent ou sont incapables d'offrir une protection efficace.” Vrij vertaald is ook een vluchteling, iemand die vervolgd wordt door een andere bevolkingsgroep terwijl de bevoegde overheid niet in staat is om een efficiënte bescherming te bieden, of deze bescherming niet wil bieden. Verzoeker merkte reeds in zijn bijlage bij het dringend beroep dat het begrip vluchteling ruimer moet bekeken worden dan de loutere vervolging door de “staat”. Het feit dat de overheid geen bescherming kan of wil bieden tegen maffieuze groeperingen die etnische zuiveringen doorvoeren door personen af te persen die niet tot dezelfde bevolkingsgroep behoren, volstaat, wanneer men het slachtoffer is van zo'n zuiveringsactie, om als vluchteling erkend te worden. Het is alom geweten dat de autoriteiten in de voormalige USSR de maffia niet de baas kunnen. Klacht neerleggen heeft gewoon geen zin, of wordt dubbel bestraft door de maffia. Verzoeker is dus duidelijk een vluchteling gezien hij geen bescherming kan genieten van een overheid die de bevolking niet wil of kan beschermen tegen maffieuze groeperingen die etnische zuiveringen doorvoert. De vader en moeder van verzoeker, alsook hijzelf waren duidelijk het voorwerp van pesterijen van de maffia met als enige doel hen als etnisch XXX uit te “zuiveren”. Ondanks het feit dat verzoeker dit middel reeds tijdens het dringend beroep heeft opgeworpen heeft de Commissaris-generaal daarop niet geantwoord, ook niet zijdelings. Door dit aspect volledig buiten beschouwing te laten heeft de Commissaris- generaal, die nochtans gehouden is zijn beslissing behoorlijk te motiveren en dus rekening te houden met de opmerkingen tijdens het verhoor en het dringend beroep, de art. 2 en 3 van de formele motiveringswet geschonden.”; 3.1.
- Overwegende dat, wat de verwijzing naar de Proceduregids van de Verenigde Naties betreft, eerst een vooral dient te worden opgemerkt dat dit geen bindende juridische waarde heeft, doch slechts een aanbeveling vormt; dat daarnaast uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat tijdens de verhoren wel degelijk bijzondere aandacht werd besteed aan de jeugdige leeftijd van verzoeker; dat verzoeker zich in het verzoekschrift beperkt tot een uiteenzetting van de wijze waarop een interview bij de Commissaris-generaal zou moeten verlopen en waarmee de Commissaris-generaal rekening zou moeten houden, doch nergens in concreto aanduidt waar en op welke wijze de Commissaris-generaal in casu onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan; dat de stelling van verzoeker “dat iemand voor verzoeker de beslissing heeft genomen om hem naar België te sturen een voldoende reden (is) om de asielaanvraag op zijn minst ontvankelijk te verklaren” geenszins overtuigt; Overwegende dat de Commissaris-generaal op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat de aanvraag geen verband houdt met de criteria van de Conventie van Genève noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in dit verband stelt “dat de feiten die (verzoeker) tot staving van (zijn) asielaanvraag aanhaalde, geen verband vertonen met één van de criteria van de Conventie van Genève, aangezien zij van gemeenrechtelijke aard zijn”; dat de Commissaris-generaal deze stelling vervolgens verduidelijkt door erop te wijzen dat verzoeker verklaarde “dat (hij) en (zijn) familie VII-33.580-5/9 problemen kenden met de maffia, die bepaalde documenten van (verzoekers) ouders eisten”; dat de Commissaris-generaal benadrukt dat verzoekers problemen “bijgevolg niets te maken (hebben) met (zijn) etnie of nationaliteit, (zijn) geloof of politieke overtuiging of met (zijn) behoren tot een sociale groep” en dat verzoekers problemen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève vallen; Overwegende dat verzoeker thans in zijn verzoekschrift weliswaar beweert dat hij en zijn familie problemen hadden met de maffia omwille van zijn etnische afkomst, doch zich hieromtrent beperkt tot blote beweringen zonder deze te staven met enig concreet element; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker meermaals en uitdrukkelijk verklaarde dat zijn problemen verband hielden met het feit dat de maffia bepaalde documenten van zijn vader eiste, zonder dat verzoeker echter wist waarop deze documenten betrekking hadden (zie verhoorverslag CGVS, p. 7, 8 en 9); Overwegende dat, waar verzoeker vervolgens aanvoert niet op bescherming te kunnen rekenen vanwege de XXX autoriteiten, opgemerkt dient te worden dat hij zich ook hier beperkt tot blote en vage beweringen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker voor het Commissariaat-generaal verklaarde niet te weten of de XXX autoriteiten op de hoogte zijn van de problemen die hij en zijn familie met de maffia hadden (zie verhoorverslag CGVS, p. 9 en 13); dat de Commissaris-generaal dan ook in alle redelijkheid kon oordelen dat verzoeker geen elementen aanbrengt “die erop wijzen dat (hij), omwille van één van de criteria zoals omschreven in de Conventie van Genève, niet op de bescherming van de XXX autoriteiten zou kunnen rekenen”; dat verzoeker niet aantoont dat deze overweging van de Commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat het eerste middel bijgevolg, in zijn geheel, ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel als volgt uiteenzet : “
- De verzoeker haalt zijn tweede middel uit de schending van: •Het art. 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna E.V.R.M.), •Het art. 63/5 lid 3 en 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de Vreemdelingenwet), •Het art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, •Het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- In zijn advies omtrent de terugleiding van verzoekende partij naar zijn land van herkomst baseert de Commissaris-generaal zich enkel op de algemene en niet concrete motivering van de beweerde bedrieglijke asielaanvraag. VII-33.580-6/9 De Commissaris-generaal moest in het licht van het art. 63/5 van de Vreemdelingenwet in casu dan ook in zijn advies omtrent de terugleiding concreet motiveren waarom de verzoekende partij, ondanks deze bijzondere situatie, toch kon teruggeleid worden naar het land van herkomst. De Commissaris-generaal moest meer in het bijzonder motiveren waarom de verzoekende partij niet moet vrezen voor zijn leven, zijn fysieke integriteit en zijn vrijheid bij een eventuele terugleiding. De Commissaris-generaal heeft zijn beslissing evenwel niet gemotiveerd. Hij volstond met de standaardmotivering. Deze motivering is uiteraard niet afdoende zodat het middel daarom reeds gegrond is. Minstens kan de loutere veronderstelling dat er in de voormalige USSR toch geen problemen zijn niet volstaan. Dit geldt al evenzeer wat betreft de beoordeling van de asielaanvraag zelf.
- Uw Raad heeft reeds eerder geoordeeld dat in elk individueel geval de vrees voor vervolging om een van de in het Verdrag vermelde gronden moet onderzocht worden. Uw Raad wees: “Considérant qu'à supposer que les décisions précitées soient relatives, comme le soutiennent les requérants à des Syriens de religion chrétienne, elles ne reflètent pas une position générale de la commission permanente de recours des réfugiés quant à la situation de la communauté chrétienne en Syrie; que ces décisions se réfèrent chaque fois aux circonstances particulières de la cause, comme il se doit puisque la commission est appelée à se prononcer sur des cas individuels;..” De Vaste Beroepscommissie oordeelde ook reeds: “Overwegende dat appellant niet moet bewijzen dat zijn toestand afwijkt van zijn landgenoten die eveneens te lijden hebben onder de gevolgen van de burgeroorlog zoals vermeld in de bestreden beslissing; dat een burgeroorlog op zich de toepassing van het verdrag van Genève niet uitsluit, maar dat in elk individueel geval de vrees voor vervolging om een van de in het Verdrag vermelde gronden moet onderzocht worden.” Deze rechtspraak is evenwel ontwikkeld met betrekking tot de burgeroorlog in Somalië maar evenzeer perfect van toepassing op de situatie in de voormalige USSR. In casu moest door de Commissaris-generaal onderzocht worden of verzoekende partij zelf in zijn land van herkomst bij een eventuele terugleiding ernstige problemen zal ondervinden. De verzoekende partij heeft een eigen verhaal uiteengezet en de eigen redenen waarom hij in de voormalige USSR voor zijn leven vreest. De Commissaris-generaal ging voorbij aan de concrete situatie en wees de asielaanvraag op dringend beroep op basis van algemene, niet concrete gegevens af. Dit ten onrechte.
- Ook het tweede middel is gegrond.”; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker zijn tweede middel toespitst op het door de Commissaris-generaal uitgebrachte advies inzake de terugleiding van betrokkene naar de grens van het land dat hij ontvlucht is; dat er dienaangaande op gewezen dient te worden dat dit advies geen motief is van de bestreden beslissing, en dat het geen uitvoerbare rechtshandeling is die voor de Raad van State kan worden aangevochten; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker lijkt te beweren, dit advies tevens geen uitspraak behelst met betrekking tot de ingeroepen vrees voor vervolging; dat de kritiek van verzoeker alleszins niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 3.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt : “
- De verzoeker haalt zijn derde middel uit de schending van: •Het art. 57/2 tot 57/11 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de Vreemdelingenwet), VII-33.580-7/9 •Het art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, •Het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
- De kwestieuze beslissing werd genomen door de Adjunct Commissaris-generaal. Nergens wordt ook uiteengezet dat de Commissaris-generaal verhinderd was. Dit zou ten andere moeilijk kunnen nu er voor zover bekend geen Commissaris- generaal meer benoemd is. De Commissaris-generaal is dus niet “verhinderd”, er is gewoonweg geen Commissaris-generaal. Het art. 57/3 Vreemdelingenwet schrijft voor dat de Commissaris-generaal het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen leidt. Het art. 57/9 schrijft voor dat pas wanneer de Commissaris-generaal zelf verhinderd is, zijn bevoegdheden uitgeoefend worden door zijn adjuncten. In casu is er geen Commissaris- generaal meer benoemd. In die zin kan de adjunct dan ook niet rechtsgeldig een beslissing nemen.
- De patente gegrondheid van dit middel blijkt ten andere ook uit het feit dat de Regering het een en ander heeft willen “regelen” in een KB van 11 juli 2003, weliswaar pas in werking getreden nadat de hier bestreden beslissing werd genomen. Immers, had de wet een voldoende rechtsgrond geboden, dan zou er geen regeling moeten getroffen worden... Onder het Hoofdstuk II, Afwezigheid van de Commissaris-generaal, wordt het art. 2 uitgewerkt: “In geval van afwezigheid of verhindering duidt de Commissaris- generaal de adjunct aan die hem vervangt. Bij ontstentenis van een uitdrukkelijke aanduiding is de adjunct met de meeste anciënniteit de vervanger van de Commissaris-generaal. In geval beiden dezelfde anciënniteit bezitten, vervangt de oudste adjunct in leeftijd de Commissaris-generaal”. Deze bepaling is dus nog niet van toepassing op de hier bestreden beslissing zodat zij sowieso nietig is. Er is immers tot op heden nog geen Commissaris-generaal benoemd. Het is overigens niet duidelijk of bewezen dat dhr. Dirk Van den Bulck de oudste in anciënniteit is. Trouwens, zelfs al zou dit KB al van toepassing zijn en al zou dhr. Dirk Van den Bulck de adjunct zijn met de meeste anciënniteit, dan nog is de beslissing nietig. Het is de Koning immers niet toegelaten in strijd met de wet te bepalen wie er concreet de Commissaris-generaal bij gebreke aan een Commissaris-generaal kan vervangen. De wet bepaalt niet dat deze bevoegdheid aan de Koning wordt overgelaten.
- Het derde middel is dienvolgens gegrond.”; 3.3.
- Overwegende dat artikel 63/3, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet bepaalt dat “de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten” de aangevochten beslissing kan bevestigen; dat geen enkele wetsbepaling voorschrijft dat in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf zou dienen te worden gemotiveerd waarom de adjunct-Commissaris-generaal in casu de bestreden beslissing nam; dat verzoeker aldus niet kan worden gevolgd in zijn betoog; dat verzoeker verder met geen enkel concreet element aantoont dat de ondertekenende adjunct-Commissaris-generaal op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, niet over de vereiste bevoegdheid zou hebben beschikt; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als VII-33.580-8/9 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei tweeduizend en vijf, door: Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.580-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div