id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.909 Rolnummer: A. 126954/XIV-11772 Zaak: Arrest 144909 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-05-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:44 Fiche Arrest nr 144.909 van 25 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.909 van 25 mei 2005 in de zaak A. 126.954/XIV-11.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. MAJD TEYMOURI, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 18 september 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 augustus 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 14 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 september 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2005; XIV-11.772-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MAJD TEYMOURI, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX bezit de Iraanse nationaliteit en is op 2 augustus 2000 in België binnengekomen waar hij zich op 4 augustus 2000 vluchteling heeft verklaard. 1.
- Op 14 december 2000 wordt aan verzoeker de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. 1.
- Op 30 augustus 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing. De motivering luidt als volgt : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran, verklaarde Iran te zijn ontvlucht omwille van onderstaande problemen. U werkte voor ‘Touloue Fadjr Co.’ (oneindige zonsopgang), een filmbedrijf in handen van de Sepah-e Pasdaran-e Enghelab (korps van de revolutiewachters). U was chauffeur en vervoerde filmmateriaal. Op 02/03/1379 (23/05/2000) was u gedurende twintig dagen op missie samen met cameraman H. E., zijn assistent A. A., een reporter en twee mensen voor het opstellen van de set. Tijdens de missie werden reportages gedraaid bestemd voor intern gebruik bij de Sepah. Zo werden onder andere Bassidj-leiders (mobilisatie van de verdrukten) geïnterviewd over het te voeren beleid tegen opposanten van het regime. Op vraag van de cameraman gaf u twee videocassettes met de reportages af aan een tussenpersoon, die ze vermoedelijk bezorgde aan de reformistische partij ‘Dovome (tweede) Khordad’. Op 25/03/1379 (15/06/2000) belde A. A. u op en vernam u dat de Sepah op de hoogte was van de video’s en dat de cameraman was opgepakt door de Hefazat-e Ettelaat (ministerie van informatie, geheime dienst). Uit vrees om ook te worden opgepakt, vluchtte u naar Sis waar u één maand verbleef. Uiteindelijk hebt u Iran verlaten op 27/04/1379 (18/07/2000). XIV-11.772-2/6 In België hebt u vernomen dat de Ettelaat een huiszoeking heeft gedaan bij u thuis en dat uw broer, zus en moeder zijn ondervraagd over u. Er dient te worden opgemerkt dat de elementen die u aanbrengt ter staving van uw vlucht onvoldoende ernstig zijn om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging in uw hoofde, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. U zegt de doodstraf te vrezen omdat u betrokken was bij de smokkel van twee vertrouwelijke videocassettes van de Sepah. Uit uw verklaringen blijkt echter dat u slechts de tussenpersoon was die de video’s doorgaf op vraag van de cameraman en dat u geenszins betrokken was bij de organisatie van de smokkel noch dat u wist voor wie de video’s bestemd waren. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat u de doodstraf zou riskeren of dat u als een ernstige bedreiging zou worden gezien door de Sepah en de Iraanse autoriteiten. Verder was u slechts chauffeur en hulpje van de Sepah en had u enkel een voorlopig contract (gehoorverslag Dringend Beroep p. 4 & 5). Rekening houdend met uw laag profiel binnen het bedrijf en gezien u zelf niet politiek actief was, is het dan ook veeleer aannemelijk dat u riskeert ontslagen te worden, dan dat u voor uw leven zou moeten vrezen. Bovendien werd u nooit gearresteerd of officieel in beschuldiging gesteld en u heeft ook geen documenten ontvangen met betrekking tot een eventuele gerechtelijke vervolging aangaande deze feiten (gehoorverslag Dringend Beroep p. 12). Uit uw verklaringen kan dan ook niet worden afgeleid dat u daadwerkelijk wordt gezocht door de Iraanse autoriteiten. Evenmin werd u in het verleden ooit gearresteerd zodat dit éénmalig incident bezwaarlijk beschouwd kan worden als voldoende ernstig om een vervolgingsvrees in de zin van de Conventie van Genève teweeg te brengen. Daarnaast blijft u zeer vaag en algemeen in de verwoording van uw problemen met de overheid en meer bepaald over de huiszoeking en de ondervragingen die de Ettelaat verrichtte na uw vlucht naar Sis. Zo weet u niet wanneer de huiszoeking plaatsvond en vernam u deze zaken slechts indirect via een vriend toen u reeds vier à vijf maanden in België was (gehoorverslag Dringend Beroep p. 11). Hieruit kan worden afgeleid dat u in Iran niet op de hoogte was van deze feiten en dat u dan ook Iran verlaten hebt zonder dat er aanwijzingen waren dat u effectief gezocht werd. Bovendien is het feit van een éénmalige huiszoeking onvoldoende zwaarwichtig om te worden beschouwd als systematische vervolging. Verder dient te worden opgemerkt dat u denkt u dat de autoriteiten op de hoogte zijn van uw betrokkenheid bij de smokkel van de video’s omdat de cameraman u zou hebben verklikt (gehoorverslag Dringend Beroep p. 10). Dit is echter gebaseerd op veronderstellingen. Bovendien verklaarde u dat de andere leden van het team mogelijks werden ondervraagd (gehoorverslag Dringend Beroep p. 12). Het lijkt dan ook niet onlogisch dat de Iraanse autoriteiten ook u hierover wilden interpelleren. Tenslotte zijn de door u voorgelegde documenten, namelijk kopie van uw identiteitsboekje en vertaling, rijbewijs en vertaling, opdrachten van uw werk en vertaling, visitekaartjes en foto’s van uw werk, niet van die aard dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier kunnen wijzigen. Deze documenten betreffen enkel persoons- en beroepsgegevens, waar niet wordt aan getwijfeld. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli
- Derhalve kunnen we besluiten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. (...).”. XIV-11.772-3/6
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “
- Eerste middel : schending van de artikelen 1, par. A, al. 2 en 33 (non-refoulement) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting. Dat verweerder in de bestreden beslissing de artikelen 1, par. A, al. 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195 l; het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat verweerder heeft nagelaten de feiten zelf waarop verzoeker zijn vrees voor vervolging en zijn vlucht uit Iran baseert, te toetsen aan de internationale verdragen, meer specifiek aan de Vluchtelingenconventie en het E.V.R.M-verdrag. Dat verzoeker kan geenszins akko(o)rd gaan met de stelling van verweerder waar gesteld wordt dat: 'Er dient te worden opgemerkt dat de elementen die u aanbrengt ter staving van uw vlucht onvoldoende ernstig zijn om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging in uw hoofde, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. U zegt de doodstraf te vrezen omdat u betrokken was bij de smokkel van twee vertrouwelijke videocassettes van de Sepah. Uit uw verklaringen blijkt echter dat u slechts de tussenpersoon was die de video's doorgaf op vraag van de cameraman en dat u geenszins betrokken was bij de organisatie van de smokkel noch dat u wist voor wie de video's bestemd waren. Het is dan onwaarschijnlijk dat u de doodstraf zou riskeren of dat u als een ernstige bedreiging zou worden gezien door de Sepah en de Iraanse autoriteiten. Dat verzoeker wenst hier op te merken dat hij bij de Sepah werkte en dat hij die videocassettes aan een persoon had doorgegeven die zij gingen bekend maken. Dat hij absoluut niet de mogelijkheid had om zijn onschuld te kunnen bewijzen en dat hij helemaal niet kon rekenen op de bescherming van Iraanse autoriteiten. Verder wordt in de bestreden beslissing vermeldt dat: verder was u slechts chauffeur en hulpje van de Sepah en had u enkel een voorlopig contract (gehoorverslag Dringend beroep p. 4&5). Dat verweerder geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoeker gedurende 7 jaren voor de Sepah gewerkt heeft en dat hij boven zijn taak als chauffeur ook andere opdrachten diende te vervullen o.a. meehelpen aan het maken van films en bezoeken brengen aan de gevangenissen, samen met de leden van de Sepah. Verder stelt de bestreden beslissing dat: bovendien werd u nooit gearresteerd of officieel in beschuldiging gesteld en u heeft ook geen documenten ontvangen met betrekking tot een eventuele gerechtelijke vervolging aangaande deze feiten (gehoorverslag Dringend Beroep p. 12). Uit uw verklaringen kan dan ook niet worden afgeleid dat u daadwerkelijk wordt gezocht door de Iraanse autoriteiten. Evenmin werd u in het verleden ooit gearresteerd zodat dit éénmalig incident bezwaarlijk beschouwd kan worden als voldoende ernstig om een vervolgingsvrees in de zin van de Conventie van Genève te brengen. Dat verzoeker kan geen enkele document voorleggen ter staving van het feit dat hij vervolgd werd omdat Iraanse autoriteiten in dergelijke gevallen nooit iemand officieel in beschuldiging stellen. Dat Sepah dergelijke zaken zeer ernstig neemt. Zij zullen niemand sparen zeker als intern is, zijn zij extra streng. Dat het feit dat autoriteiten een huiszoeking verricht hebben bij verzoeker en zijn broer, zus en moeder hebben ondervraagd, bewijst dat verzoeker degelijk werd gezocht door de autoriteiten. Dat verzoeker vreest in zijn land door de "Revolutionaire Rechtbank" en “Etelaat” in een oneerlijk proces veroordeeld te worden (cf. feitenrelaas). Dat verzoekers vrees voor vervolging bevestigd wordt door het rapport van US Department of State, "Iran Country Reports on Human Rights Practices-2000 ", XIV-11.772-4/6 Released by the Bureau of Democracy, Human Rights, and Labor February 23,2001 http://www.state.gov/g/drl/rls/hrrpt/2000/nea/786.htm,. Dat uit voormelde rapporten duidelijk blijkt dat het Iraanse gerecht niet onafhankelijk is en dat de Iraanse revolutionaire rechtbanken geenszins garant staan voor een eerlijk en open proces. Dat derhalve door een terugleiding van verzoeker naar Iran, zoals de Commissaris- generaal aanbeveelt, de artikelen 1, par. A, al. 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en het artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, geschonden worden. De definitie van de Vluchtelingenconventie van Genève luidt als volgt : “geldt als vluchteling : elke persoon die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofd van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen.” Artikel 3 E.V.R.M. stelt duidelijk dat “niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen.” Dat verzoeker vreest in zijn land het slachtoffer te worden van “vervolgingen, folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen” vanwege de Iraanse gerechtelijke autoriteiten. Dat verweerder door een bestreden beslissing aan verzoeker te betekenen, waarin hij een terugleiding naar Iran aanbeveelt, de artikelen 1, par. A, al. 2 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen en het art. 3 E.V.R.M. schendt Dat verweerder in zijn beslissing geen rekening hield met het feit dat verzoeker niet kan rekenen op een eerlijk proces bij een terugkeer naar Iran. Dat verweerder in zijn beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel schendt door zich onvoldoende te informeren.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker zich in een enig middel beroept op de schending van de artikelen 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie, van artikel 3 van het E.V.R.M. en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat verzoeker niet akkoord kan gaan dat de door hem aangebrachte elementen ter staving van zijn vlucht onvoldoende ernstig zijn om te kunnen spreken van een gegronde vrees voor vervolging; 2.2.
- Overwegende dat de artikelen 1 en 33 van de Vluchtelingenconventie, geen directe werking hebben; dat een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoeker zich beperkt tot de bewering dat hij vreest in zijn land het slachtoffer te worden van “vervolgingen, folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen” vanwege de Iraanse gerechtelijke autoriteiten; dat een eventualiteit dat artikel 3 van het E.V.R.M. kan worden geschonden op zich niet volstaat; dat, met betrekking tot de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoeker zich in zijn uiteenzetting beperkt tot te stellen dat de verwerende partij dit schendt “door zich onvoldoende te informeren”; dat verzoeker niet uiteenzet op welke wijze dit onvoldoende informeren de zorgvuldigheidsplicht in concreto schendt; dat, in zoverre verzoeker wil aantonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd zou hebben beoordeeld, moet worden in herinnering gebracht dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat XIV-11.772-5/6 verzoeker zich beperkt tot het naar voren brengen van beweringen en er niet in slaagt aannemelijk te maken dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk is; dat de verwijzing naar algemene rapporten die verzoekers vrees voor vervolging zouden bevestigen hieraan geen afbreuk doet; dat de vrees voor vervolging in concreto moet worden aangetoond; dat het niet volstaat te verwijzen naar algemene teksten over de situatie in een bepaald land; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vijf, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-11.772-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.