← België

Arrest 144919 - - 25/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.919 Rolnummer: A. 150344/XIV-19201 Zaak: Arrest 144919 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 15:46 Fiche Arrest nr 144.919 van 25 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.919 van 25 mei 2005 in de zaak A. 150.344/XIV-19.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 2 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 februari 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 9 april 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.201-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van “de bepalingen” van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen (Vreemdelingenwet), verzoeker aanvoert dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich beperkt tot een herhaling van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en aldus nalaat te motiveren op welke feitelijke gegevens zij zich baseert om te besluiten dat hij geen elementaire kennis heeft van zijn land van herkomst, dat het fotograferen tijdens het Talibanregime verboden was zodat het normaal is dat er geen foto op zijn taskara kleeft, en dat, indien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat voormelde taskara niet de zijne is, het aan haar toekomt om dit aan te tonen; 1.2.
  4. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat het onderdeel van het middel, ontleend aan de schending van deze wet, niet ontvankelijk is; 1.2.
  5. Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker laat uitschijnen, uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aan verzoekers beweerde Afghaanse afkomst twijfelt, met name omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- zijn geografische kennis van de omgeving ondermaats is, hij niet bekend is met de Afghaanse tijdsrekening, zijn kennis met betrekking tot de Taliban uiterst beperkt is, zijn kennis van de partij Hezb-I-Watan, waarvan hij beweert lid te zijn, uiterst beperkt is, en het zeer bevreemdend is dat hij enkel de etnieën van de Pashtun en de Hazara’s kent, aangezien Afghanistan bevolkt wordt door een groot aantal verschillende etnieën en het behoren tot een bepaalde etnie een grote rol speelt in het leven van de Afghanen; dat, zo door het beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd, zulks dit rechtscollege geenszins belet de weigeringsmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de hare te maken; dat dit immers niet betekent dat zij de zaak zelf niet opnieuw XIV-19.201-2/4 heeft onderzocht, doch enkel dat zij na onderzoek tot dezelfde bevindingen als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is gekomen; dat zo de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen gehouden is aan te geven waarom door haar aan een ter staving van het asielrelaas aangebracht stuk bewijskracht wordt ontzegd, zij geenszins verplicht is zelf te bewijzen dat het voorgelegde stuk, in casu de taskara, niet van verzoeker is; dat in casu in de bestreden beslissing duidelijk wordt aangegeven waarom aan de door verzoeker voorgelegde taskara geen bewijswaarde kan worden gehecht, met name omdat dit document geen foto bevat en verzoeker aldus niet bewijst dat dit document op hem betrekking heeft; dat er in het geheel niet wordt toegelicht waarom deze redengeving niet afdoende is; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.201-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig mei tweeduizend en vijf, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-19.201-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.