id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.924 Rolnummer: A. 150895/XIV-19339 Zaak: Arrest 144924 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:46 Fiche Arrest nr 144.924 van 25 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.924 van 25 mei 2005 in de zaak A. 150.895/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 7 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 februari 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 27 april 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.339-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de rechten van verdediging en van de zorgvuldigheidsplicht, en uit de manifeste beoordelingsfout, verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing enkel gemotiveerd is door een opsomming van tegenstrijdigheden, dat met de bestreden beslissing erkend wordt dat hij minderjarig is, zodat zijn beroep ten aanzien van de negatieve beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op dat punt volledig gegrond was, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen evenwel faalt in haar motiveringsplicht “door enerzijds geen enkele aandacht te besteden aan dit middel” doch “anderzijds blijkens de bestreden beslissing te kennen heeft gegeven dat dit middel als gegrond beschouwd kan worden, zonder daarbij evenwel na te gaan wat de gevolgen zijn van deze schending van de rechten van verdediging door het Commissariaat-generaal”, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bepaalde verklaringen in strijd acht met bepaalde algemeen bekende feiten zonder evenwel het waarheidsgehalte van deze feiten te bewijzen, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dezelfde tegenstrijdigheden weerhoudt als deze die door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden aangevoerd doch zijn in zijn beroepschrift ontwikkelde grieven hieromtrent niet in overweging heeft genomen, zodat geen sprake is van het in artikel 13 van het E.V.R.M. voorziene “effectief beroep”, dat hij tijdens de verschillende verhoren een omstandig en gedetailleerd asielrelaas heeft afgelegd, dat de enkele aangehaalde tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende verklaringen details zijn en bovendien weerlegd geworden zijn in zijn beroepschrift, en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft nagelaten de feiten waarop hij zijn vrees voor vervolging baseert aan het Vluchtelingenverdrag te toetsen; 1.2.
- Overwegende dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat artikel 62 van XIV-19.339-2/4 de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; 1.2.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen duidelijk aangeeft waarom door haar in hoofde van verzoeker geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenverdrag kan worden aangenomen, met name omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent belangrijke elementen van zijn asielrelaas die de directe aanleiding waren van zijn vlucht en omdat zijn verklaring een bodybuildingszaak te hebben geopend ten tijde van de Taliban wordt tegengesproken door de beschikbare publieke informatie; dat de bestreden beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de vastgestelde tegenstrijdigheden details dan wel de kern van het asielrelaas betreffen; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administra- tieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat de enkele omstandigheid dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich aansluit bij een aantal door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde weigeringsmotieven nog niet betekent dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen of gebrekkig met redenen is omkleed; dat het geenszins volstaat op algemene wijze te beweren dat de argumentatie van het beroepschrift niet in overweging werd genomen; dat in het middel in concreto moet worden aangegeven welke argumentatie precies door de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen is genegeerd; dat, bij ontstentenis van deze toelichting, dit onderdeel niet in aanmerking kan worden genomen; dat het motief door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ontleend aan de vaststelling dat verzoeker -in tegenstelling tot zijn verklaringen- meerderjarig is, door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet wordt overgenomen; dat zij dan ook niet gehouden was nader in te gaan op verzoekers kritiek dienaangaande; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich bij de beoordeling van een asielaanvraag kan steunen op inlichtingen, vervat in voor iedereen toegankelijke documenten, zoals de publieke mensenrechtenrapporten en openbare verslagen over de situatie in een bepaald land, zonder deze stukken vooraf bij het dossier te moeten voegen; dat, wat de algemeen bekende feiten betreft, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins verplicht is haar bronnen te vermelden en zij soeverein oordeelt over de betrouwbaarheid van de door haar geraadpleegde bronnen, zonder dat zij het waarheidsgehalte daarvan moet bewijzen; dat wanneer -zoals in casu- geen geloof kan worden gehecht aan het aangevoerde feitenrelaas, niet nader dient te worden ingegaan op de toestand in het land van herkomst; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-19.339-3/4 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig mei tweeduizend en vijf, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-19.339-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.