← België

Arrest 144925 - - 25/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.925 Rolnummer: A. 149931/XIV-19092 Zaak: Arrest 144925 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:46 Fiche Arrest nr 144.925 van 25 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 144.925 van 25 mei 2005 in de zaak A. 149.931/XIV-19.

  1. In zake : XXX, wonende te 1180 UKKEL, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 5 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 28 januari 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 29 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN die, loco Advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.092-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/11 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelin- genwet), verzoekster aanvoert dat haar vrees voor vervolging voldoende blijkt uit haar precies en gedetailleerd asielrelaas, zodat overeenkomstig de punten 196 en 197 van de Proceduregids van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, haar verklaringen als vaststaand moeten worden beschouwd, gelet op de onmogelijkheid waarin zij verkeert om documenten voor te leggen waaruit het risico op vervolging door de Iraanse autoriteiten blijkt, dat, wat haar reisweg betreft, zij verklaarde dat zij verstopt zat in een vrachtwagen en het traject niet kon zien, dat corruptie inherent is aan landen als Iran en Turkije en dat mensensmokkelaars erin slagen over de grens te komen met medewerking van medeplichtige douaniers of door een minder gecontroleerde route te nemen, zodat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet redelijkerwijze kan stellen dat zij, gelet op de strenge controles, onmogelijk de grensovergang van Bazargan heeft kunnen passeren, dat zij de naam van de auteur van het boek “23 jaar” niet kende, gelet op het feit dat het anoniem werd gepubliceerd in Libanon na de Iraanse Revolutie, en dat zij tijdens de zitting wel degelijk over de geciteerde splitsing heeft gesproken en tevens heeft aangegeven dat zij tot 28 augustus 2002 doorging met het verlenen van haar medewerking aan de meer radicale fractie “Daftar Tehkim Vahdat”, dat de website waaraan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen refereert overigens niet correspondeert met een geldig internetadres; 1.2.
  4. Overwegende dat er niet in het minst wordt verduidelijkt op welke wijze artikel 57/11 van de Vreemdelingenwet door de bestreden beslissing geschonden wordt geacht; dat bij ontstentenis van enige toelichting dit onderdeel van het enig middel onontvankelijk is; 1.2.
  5. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekster wordt verworpen omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- haar verklaringen niet geloofwaardig zijn; dat dit besluit inzonderheid steunt op de vaststelling dat zij zelfs geen begin van bewijs aanbrengt van het feit dat zij door de Iraanse autoriteiten zou worden gezocht of dat er een gerechtelijke procedure tegen haar lopende is, dat zij ongeloofwaardige verklaringen aflegt omtrent haar uitreis, dat zij zich de titel van één van de bij haar thuis in beslag genomen boeken herinnert doch de naam van de auteur niet kent XIV-19.092-2/4 en dat het ongeloofwaardig is dat zij niet weet dat Daftar in twee is gesplitst; dat de bestreden beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in laatste aanleg oordeelt over de mogelijkheid waarin de vreemdeling verkeert om stavingsstukken voor te leggen en of verzoekster een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot haar reisweg en de auteur van het boek “23 jaar”; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt deze beoordelingen over te doen; dat voor zover het middel daartoe strekt, het niet in aanmerking kan worden genomen; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar enkel als aanbeveling dient en bijgevolg geen afdwingbare rechtsregels bevat; dat uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat verzoekster zou hebben gesproken over een splitsing van Daftar; dat de verklaring van verzoekster ter zitting “dat gedurende die periode het gedachtegoed en de doelstellingen dezelfde bleven en dat zich geen verschillende strekkingen manifesteerden”, opgenomen is in een authentieke akte (de geschreven beslissing van een administratief rechtscollege) en derhalve geacht moet worden met de werkelijkheid overeen te stemmen; dat zo de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen al uitdrukkelijk zou moeten refereren aan voor iedereen op het internet toegankelijke informatie, quod non, een materiële vergissing in de bronvermelding, niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing, temeer daar verzoekster de inhoud van de gehanteerde informatie niet betwist en evenmin aantoont dat eruit onjuiste gevolgen zouden zijn getrokken; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig mei tweeduizend en vijf, door : XIV-19.092-3/4 de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-19.092-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.925 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.