← België

Arrest 144943 - - 25/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.943 Rolnummer: A. 129033/VII-28302 Zaak: Arrest 144943 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 15:47 Fiche Arrest nr 144.943 van 25 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.943 van 25 mei 2005 in de zaak A. 129.033/VII-28.302 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaten T. SOETAERT en M. KIWAKANA, kantoor houdende te 1082 BRUSSEL, Selliers de Moranvillelaan 84 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oegandese nationaliteit, op 31 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 18 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 20 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-28.302-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. CORNELIS, die, loco advocaten T. SOETAERT en M. KIWAKANA, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 25 september 2000 en verklaarde zich op 27 september 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 1 maart 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 30 september 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U verklaarde in Kasese (Kasese distrikt) te zijn opgegroeid en in Fort Portal mechanica te hebben gestudeerd. Later begon u een eigen zaak in Kasese als hersteller van wagens. Op 10 december 1998 kwamen tien politieagenten naar uw zaak. Ze keken de boeken na en beschuldigden u ervan een wagen van een rebel te hebben hersteld. Enkele agenten wilden uw wagens in brand te steken. Toen u wou tussenkomen werd u zodanig hard geslagen dat u het bewustzijn verloor. U werd terug wakker in een cel waarin zich twee lichamen bevonden en nog twee gewonde personen. Twee weken later werd u overgeplaatst naar een grotere cel met om en bij de 70 gedetineerden. Medegevangenen probeerden er min of meer uw been te verzorgen maar u was er de eerste zes maanden van uw detentie slecht aan toe. In die periode werd u voor het eerst ondervraagd. Er werden u allerhande vragen over uw banden met de rebellen van de ‘ADF’ (Allied Democratic Forces) gesteld en meerbepaald werd u ervan beschuldigd een wagen van een zekere Matovu te hebben hersteld. U werd in het totaal drie keer ondervraagd. In de bijna twee jaar dat u er verbleef moest u er allerhande werk verrichten. Op 9 september 2000 moesten u en een vijftigtal andere gevangenen onder begeleiding van vier bewakers hout halen. Het begon te regenen en de bewakers maanden de gevangenen aan om te lopen. Enkelen, waaronder u, bleven wat achter en renden op een bepaald moment naar het bos. Er werd nog in de lucht geschoten maar u kon ontkomen. U bleef de hele nacht doorrennen en kwam de volgende ochtend aan in Mubende. U ging naar uw vriend Micky Genza, die u op zijn beurt naar Mityana bracht, waar u bij uw vriend Fred Lubenga verbleef. Beide vrienden brachten u vervolgens naar uw oom Katemde George William te Kawempe (Kampala). Jullie hadden heel wat bij te praten na uw VII-28.302-2/6 lange opsluiting. Drie dagen later bezorgde hij u onderdak bij een u onbekende vriend van hem. Op 24 september 2000 kwam uw oom u halen en bracht u naar de luchthaven van Entebbe. Die dag nam u, onder begeleiding van een zekere Rauben Mwatikiala, en met een paspoort dat u niet toebehoort op naam van Kintuka een directe Sabena- vlucht naar België. Op 25 september 2000 toonde uw begeleider de gebouwen van de Belgische asielinstanties. Twee dagen later startte u er uw asielprocedure. Er dient te worden benadrukt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door u ingeroepen feiten ter staving van uw asielaanvraag een uiting zouden zijn van een geïndividualiseerde “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Meerbepaald hebt u tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal (verder CGVS) vage en weinig aannemelijke verklaringen afgelegd aangaande uw vermeende detentie in de gevangenis van Mobuku. Op sommige punten waren uw verklaringen zelfs tegenstrijdig in vergelijking met uw relaas voor de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 25 januari 2001) (verder DVZ). Aanvankelijk bleek u voor het Commissariaat- generaal geen enkele naam te kennen van de om en bij de zeventig personen die bij u verbleven in de cel van december 1998 tot 9 september
  5. Toen u er door een interviewer van het Commissariaat-generaal op werd gewezen dat u toch wel een hele lange tijd gevangen zat, bleek u zich toch 10 namen te herinneren (CGVS, p.5). Op de vraag echter waarom deze personen gevangen zaten, bleek u enkel te weten dat Bondo, een dokter, vast zat op verdenking van verzorging van rebellen (CGVS, p.5). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u na twee weken te zijn overgebracht naar de grotere cel terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat dit na een week was (CGVS, p.5; DVZ, punt 42). Nog voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u samen met vier anderen een vluchtpoging te hebben ondernomen daar waar u voor het Commissariaat-generaal stelde dat u vluchtte met een tien- à vijftiental anderen (DVZ, punt 42; CGVS, p.7). Het is trouwens bevreemdend dat u geen enkele naam kon geven van één van uw medevluchters (CGVS, p.7). Het is weinig aannemelijk dat u geen enkele naam van de bewakers van de gevangenis kon reproduceren noch van de directeur van de detentieplaats (CGVS, p.7). U verklaarde voor het Commissariaat-generaal geen enkele naam te weten van personen in uw cel die stierven en dit terwijl uit het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat u namen van overledenen bijhield opdat u later mogelijks hun familie op de hoogte zou kunnen brengen en deze gegevens overhandigde aan uw oom (CGVS, p.7; DVZ, punt 42). U bleek verder niet te weten hoeveel cellen er waren en op de vraag van een interviewer van het Commissariaat-generaal of er al dan niet een verpleegzaal was in de gevangenis antwoordde u enkel: ‘ik heb er nooit een gezien, ik weet het niet, we moesten onmiddellijk naar buiten lopen’, hetgeen weinig afdoende is als eventuele verantwoording (CGVS, p.7). Voorts stelde u dat de gevangenen hun behoefte moesten doen in een kleine emmer maar evenmin wist u te zeggen waar deze moest worden geledigd (CGVS, p.7). Bovenstaande vaststellingen roepen ernstige vragen op omtrent uw vermeende verblijf gedurende een jaar en meer dan acht maanden in de gevangenis van Mobuku. Immers, redelijkerwijze kan er van u worden verwacht dat u, gelet op de veelvuldige contacten die u had met andere gevangenen zowel in uw cel als daarbuiten en uw lange verblijf in de gevangenis, wat meer details kan verstrekken omtrent uw detentie. Wat betreft uw ontsnapping uit de gevangenis dient het volgende te worden opgemerkt. U stelde op 9 september 2000 te zijn ontsnapt en de volgende morgen in Mubende te zijn aangekomen. De afstand tussen beide plaatsen bedraagt in vogelvlucht (!) echter 148 kilometer (cfr. informatie in administratief dossier). Het is dan ook weinig aannemelijk dat u dergelijke afstand in (minder dan) één dag te voet zou kunnen overbruggen. U bleek daarenboven geen enkele naam van dorpen die u passeerde op uw vluchtweg te kunnen noemen terwijl u niettemin suggereerde tegenover de interviewer van het Commissariaat-generaal de weg te kennen. Immers, toen deze laatste u er op wees dat Mobuku en Mubende erg ver uit elkaar liggen, repliceerde u dat dit nogal meeviel gezien de weg die u nam (CGVS, p.7). De door u neergelegde ‘citizin identity card’ (afgegeven op 19 februari 1994) wijzigt niets aan bovenstaande opmerkingen aangezien uw identiteit niet meteen in vraag wordt gesteld. VII-28.302-3/6 De door uw advocaat neergelegde informatie omtrent de Mobuku gevangenis is van algemene aard en brengt bijgevolg geen wijzigingen aan bovenstaande bemerkingen (cfr. e-mailbericht dd. 11 juli 2002). U blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat de controle van uw reisweg mogelijk zou kunnen maken. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.". Dit is de bestreden beslissing.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift uiteenzet hetgeen volgt: "
  7. verzoeker gaat niet akkoord met de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. De Commissaris-generaal meent dat verzoeker zich heeft tegengesproken. Dit is onjuist. De citaten uit de verklaringen van verzoeker voor Dienst Vreemdelingenzaken zijn onterecht. De verklaringen van verzoeker werden blijkbaar onjuist begrepen en/of genoteerd door de interviewer. Verzoeker is helemaal niet vaag gebleven over zijn verblijf in de gevangenis van Mobuku. Hij heeft een tiental namen genoemd van medegevangenen. Dat hij niet van iedereen wist waarom ze gevangen zaten, is logisch. Zijn medegevangenen liepen met deze informatie niet te koop en hielden dit liever voor zich. Overdag dienden zij in het woud te werken en was er geen tijd om een gesprek aan te knopen. ‘s Nachts verbleven ze in een cel met ongeveer zeventig gevangenen samen; dit maakte elk privé-gesprek van man tot man onmogelijk. Verzoeker heeft nooit de naam van een bewaker of van de directeur van de gevangenis gehoord. Dit neemt geheel niet weg dat verzoeker in de gevangenis heeft verbleven. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen houdt geen rekening met de plaatselijke toestand en gebruiken in de gevangenis en met de aard van verzoeker (stil, teruggetrokken). Als de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen stelt dat verzoeker redelijkerwijze in staat zou moeten geweest zijn meer details te verschaffen, dan is dit misschien correct vanuit een Europees Westers denken en voor een mondige burger, maar gaat dit niet op voor verzoeker. De gevangenis van Mobuku is geen Europese gevangenis. Alleszins is het onvoldoende om de asielaanvraag te verwerpen. Wat betreft de ontsnapping kan hetzelfde gesteld worden. Het is niet omdat volgens de Commissaris-generaal het weinig aannemelijk is dat verzoeker op een tijdspanne van een etmaal de afstand tussen Mobuku en Mubende zou hebben afgelegd, dat het ook onmogelijk is. Er mag niet uit het oog verloren worden dat verzoeker hard heeft gelopen aangezien zijn leven ervan afhing. Hij heeft geen gewone wandeltocht gemaakt. De redenen om een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te nemen zijn dus onjuist. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de Staatlozen is dus onterecht."; Overwegende dat de verzoekende partij niet aangeeft welke de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel zou zijn en evenmin verduidelijkt op welke wijze de bestreden beslissing deze rechtsregel of dit beginsel zou hebben geschonden; dat de verzoekende partij in wezen betoogt dat de motieven van de bestreden beslissing onjuist VII-28.302-4/6 zijn en aldus de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht, aangezien de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich ten onrechte zou baseren op een aantal onduidelijkheden/tegenstrijdigheden in haar verklaringen; Overwegende dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat dit in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat de Raad enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat de verzoekende partij in wezen vraagt de feiten opnieuw te beoordelen, maar niet aantoont, en zelfs geen poging daartoe onderneemt, dat het oordeel van de commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; Overwegende dat de commissaris-generaal in deze in laatste aanleg uitspraak doet over de feitelijke elementen van de zaak; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk is; dat de verzoekende partij wel beweert, maar niet bewijst dat haar verklaringen “onjuist (werden) begrepen en/of genoteerd door de interviewer”; dat het oordeel van de commissaris-generaal om de asielaanvraag van de verzoekende partij als bedrieglijk te bestempelen niet kennelijk onredelijk is, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij, in haar toelichtende memorie, een nieuw middel formuleert nu zij de vernietiging van de betwiste beslissing vraagt wegens schending van de substantiële vormen voorgeschreven op straffe van nietigheid, machtsoverschrijding of afwending; dat een nieuw middel enkel voor het eerst ontvankelijk kan worden opgeworpen in de memorie van wederantwoord wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt; dat dit in casu niet het geval is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-28.302-5/6 BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V.VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-28.302-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.