id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.960 Rolnummer: A. 124986/VII-27471 Zaak: Arrest 144960 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 15:47 Fiche Arrest nr 144.960 van 25 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.960 van 25 mei 2005 in de zaak A. 124.986/VII-27.471 In zake :
- XXX en minderjarig kind,
- XXX, verblijvende te 8930 MENEN, Ter Beke 118/0101 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 5 augustus 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2002 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard, aan verzoekende partijen betekend op 9 juli 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-27.471-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat D. VANTOMME, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen respectievelijk op 6 november 1997 en 23 februari 1999 en verklaarden zich op 7 november 1997 en 26 februari 1999 vluchteling. 1.
- Op 27 juni 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard. "(...) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkenen een procedure gestart hebben bij de Raad van State, hun dochter school loopt aan de Vrije Basisschool in Menen, zij Nederlands begrijpt en zeer behoorlijk spreekt, leergierig is en goed meewerkt in de klas, de Heer XXX tewerkgesteld was als assistent machinebediener en landbouwer, tijdelijk werkonbekwaam is geweest door een zwaar verkeersongeval en samen met zijn echtgenote lessen Nederlands voor anderstaligen, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt- niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Betrokkenen wisten dat hun verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten. De duur van de procedure (2 jaar en 5 maanden voor de man en 1 jaar en 1 maand voor de vrouw) was ook niet van die aard dat ze als onredelijk lang kan beschouwd worden, VII-27.471-2/5 Bovendien kunnen onze diensten niet verantwoordelijk gesteld worden voor het feit dat betrokkenen geen gebruik hebben gemaakt van de wet van 22/12/1999 betreffende de eenmalige regularisatie. Het feit dat zij hier eventueel voor in aanmerking zouden gekomen zijn, heeft geen invloed op de aard van de beslissing van hun huidige regularisatie-aanvraag. Tot slot. de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen.". Dit is de bestreden beslissing. 2.1 Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partijen betogen dat er wel sprake is van buitengewone omstandigheden gezien het conflict met de overheden in hun land van herkomst en dat hen bovendien de financiële middelen ontbreken om terug te keren om aldaar hun aanvraag in te dienen; Overwegende dat artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland, maar dat het in buitengewone omstandigheden is toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat die buitengewone omstandigheden, die het voor de vreemdeling zouden onmogelijk maken om de verblijfsmachtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger in het buitenland aan te vragen, niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om de verblijfsmachtiging te bekomen; dat de door de verzoekende partijen in hun aanvraag aangehaalde argumenten niet konden beschouwd worden als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet gezien de verzoekende partijen wisten dat hun verblijf in het kader van hun asielprocedure voorlopig was en wisten dat ze bij een negatieve beslissing het land moeten verlaten; dat derhalve de verwerende partij in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen; 2.2 Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van het Verdrag van 20 november 1989 inzake de Rechten van het Kind, goedgekeurd bij de wet van 25 november 1991; dat zij beweren dat de beste garanties voor overleving en ontwikkeling voor hun minderjarig kind in België te vinden zijn en dat dit verdere verblijf in België de enige humanitaire verantwoorde maatregel is die voorrang dient te hebben op het principe dat de aanvraag in het kader van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet in het land van herkomst dient te gebeuren; VII-27.471-3/5 Overwegende dat, daar gelaten of de bepalingen van het ingeroepen verdrag rechtstreekse werking hebben in de Belgische rechtsorde of niet, de verzoekende partijen zich uit eigen beweging naar België hebben begeven om een asielaanvraag in te dienen; dat zij wisten dat hun verblijf in het kader van deze procedure voorlopig was en dat ze bij een negatieve beslissing het land moeten verlaten; dat zij vervolgens gedurende meerdere jaren illegaal in het land hebben verbleven; dat het hierboven uiteengezette nadeel dat aan hun kind zou berokkend worden derhalve niet het gevolg is van de bestreden beslissing; dat bovendien niet wordt aangetoond dat een eventuele terugkeer naar het land van herkomst het minderjarig kind het recht op onderwijs en ontwikkeling zou ontnemen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3 Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van de elementaire beginselen van behoorlijk bestuur in zoverre bij de toepassing van artikel 9, derde lid, Vreemdelingenwet geen rekening werd gehouden met de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van bepaalde categorieën van vreemdelingen (Regularisatiewet); Overwegende dat de verwerende partij niet geacht wordt rekening te houden met de Regularisatiewet voor de toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat de wet van 22 december 1999 niet van toepassing is op onderhavige zaak nu de voorgeschreven indieningstermijn voor een regularisatieaanvraag reeds verstreken is; dat de bewering van de verzoekende partijen dat de verwerende partij de beginselen van behoorlijk bestuur zou geschonden hebben niet kan gevolgd worden; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-27.471-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.471-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.