id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.961 Rolnummer: A. 156153/VII-32847 Zaak: Arrest 144961 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 15:48 Fiche Arrest nr 144.961 van 25 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 144.961 van 25 mei 2005 in de zaak A. 156.153/VII-32.847 In zake :
- XXX,
- XXX, handelend in eigen naam en in naam van hun minderjarige dochter XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat J. KEMPINAIRE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Koning Leopold I-straat 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, handelend in eigen naam en in naam van hun minderjarige dochter XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 1 oktober 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 augustus 2004 waarbij de aanvraag van de verzoekende partijen om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard; Gelet op de beschikking van 5 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; VII-32.847-1/5 Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat J. KEMPINAIRE, verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Eerste verzoekende partij kwam België binnen op 6 november 1997 en verklaarde zich op 7 november 1997 vluchteling. Op 13 januari 1998 werd zijn asielaanvraag ontvankelijk verklaard. 1.
- In augustus 1998 kwam de minderjarige dochter, XXX, in België aan en begon hier school te lopen. Enkele tijd later kwam haar moeder in België aan en verklaarde zich eveneens vluchteling. Ook haar aanvraag werd ontvankelijk verklaard bij beslissing van 14 juni
- 1.
- De asielaanvragen van de verzoekende partijen werden ongegrond verklaard bij beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen van 21 maart
- De annulatieberoepen tegen deze beslissing werden door de Raad van State verworpen bij arresten nrs. 106.614 en 106.615 van 16 mei
- 1.
- De aanvraag om machtiging tot verblijf die de verzoekende partijen op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) op 25 april 2001 hadden ingediend werd door de verwerende partij verworpen op 27 juni
- Tegen deze beslissing werden een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een annulatieberoep ingediend bij de Raad van State (A. 124.986/VII-27.471). VII-32.847-2/5 1.
- De verzoekende partijen dienden op 13 september 2002 een tweede aanvraag om machtiging tot verblijf in op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; deze aanvraag werd verworpen op 26 augustus 2004 omwille van volgende motieven: "(...) De aangehaalde elementen vormen geen uitzonderlijke omstandigheid waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienden via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consultaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat hun dochter hier al jaren naar school gaat, kan niet aanzien worden als een buitengewone omstandigheid daar betrokkenen niet aantonen dat een scholing niet in het land van herkomst kan verkregen worden. Tevens behoeft de scholing van het kind geen gespecialiseerd onderwijs, noch een gespecialiseerde infrastructuur die niet in het land van herkomst te vinden zijn. Bovendien implicieert de verplichting om terug te keren naar het land van herkomst slechts een eventuele tijdelijke verwijdering, wat geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel met zich meebrengt. Betrokkenen ontvingen op 31/03/2000 een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, waarmee hun asielaanvraag werd afgesloten. Op 12/03/2001 werd hen een bevel om het grondgebied te verlaten betekend. Daarop dienden zij een aanvraag tot regularisatie op basis van art. 9.3 van de wet van 15/12/1980 in; deze werd afgewezen op 27/06/2002 en de beslissing werd hen betekend op 09/07/
- Betrokkenen verkozen echter opnieuw geen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten en zij dienden een tweede aanvraag art. 9.3 in. Hun langdurig verblijf in België is bijgevolg het resultaat van hun eigen houding. De gevolgen hiervan - hun integratie en het feit dat hun dochter reeds jaren in België naar school gaat - vormen derhalve geen uitzonderlijke omstandigheid aangezien uit illegaal verblijf geen rechten kunnen geput worden met het oog op regularisatie. Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van het feit dat hun tweede kindje hier geboren en gestorven is, verantwoordt dit gegeven evenmin dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 van de wet van 1980 in België wordt ingediend. Tot slot, de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Niets verhindert betrokkenen derhalve om terug te keren naar het land van herkomst en via de reguliere weg een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen evenwel het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9.2 van de wet van 15/12/
- Bijgevolg dienen betrokkenen dringend gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hen betekend op 12/03/2001.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verwerende partij - op verdoken wijze (bij de weerlegging van het eerste middel en dan nog in bijkomende orde) - aan de verzoekende partijen het belang bij onderhavige procedure ontzegt omdat een eventuele vernietiging niets verandert aan hun illegale verblijfsstatuut; Overwegende dat het belang van de verzoekende partijen bij hun aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de VII-32.847-3/5 toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) er juist in bestaat hun verblijf in het Rijk een legaal karakter te verlenen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 3.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen betogen dat “als buitengewone omstandigheden dient te worden aanvaard het feit dat XXX het 1ste middelbaar heeft aangevangen en daarbij in België in het Nederlands reeds het 2de, 3de, 4de, 5de en 6de studiejaar heeft doorlopen met zeer goede resultaten. Dat dochter XXX geen andere taal dan het Nederlands kan lezen en schrijven. Dat het onverantwoord zou zijn dit kind haar onderwijs in de Nederlandse taal te laten onderbreken door het te verplichten met haar ouders het land te verlaten.” Overwegende dat de verwerende partij in wezen stelt dat de verzoekende partijen zich louter op hun integratie en verblijfsduur beroepen, welke echter geen buitengewone omstandigheden vormen in het licht van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat niet wordt betwist dat het minderjarige kind XXX het onderwijs in België aanvatte in 1998, op een ogenblik waarop de eerste verzoekende partij, haar vader, in het Rijk mocht verblijven, vermits de asielaanvraag ontvankelijk was verklaard; dat het de verzoekende partijen hoegenaamd niet ten kwade kan worden geduid dat zij het kind in België, in één van de landstalen school lieten lopen, en dit onderwijs gedurende meerdere jaren hebben laten verderzetten; dat het moeilijk te verantwoorden is dat dit kind de onderwijscyclus, die het in 1998 heeft aangevat, zou moeten stopzetten om terug te keren naar het land van herkomst, waarvan het de aldaar gangbare taal nooit heeft onderwezen gekregen; dat de bestreden beslissing botweg stelt dat uit een illegaal verblijf geen rechten kunnen worden geput, zonder dat uit de motivering blijkt dat ook maar het minste onderzoek werd gewijd aan de moeilijkheden die een verwijdering van het kind naar het land van herkomst zouden teweegbrengen op pedagogisch en menselijk vlak; dat het middel gegrond is; BESLUIT: Artikel
- VII-32.847-4/5 Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 augustus 2004 waarbij de aanvraag van de verzoekende partijen om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.847-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.961 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.