id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.007 Rolnummer: A. 83603/X-8898 Zaak: Arrest 145007 - - 25/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 15:49 Fiche Arrest nr 145.007 van 25 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.007 van 25 mei 2005 in de zaak A. 83.603/X-
- In zake :
- de n.v. LAMINVEST,
- de n.v. PATRILAM, die woonplaats kiezen bij Advocaat P. COOREMAN, kantoor houdende te 9240 ZELE, Kouterstraat 76,
- - Advocaat E. DEBUSCHERE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Rooseveltplein 1, - Advocaat L. VANDENBROUCKE, kantoor houdende te 8570 ANZEGEM-VICHTE, Beukenhofstraat 9, - Stefaan LANNOO, kantoor houdende te 8501 KORTRIJK-HEULE, Magerstraat 85, in hun hoedanigheid van curatoren voor het voor het faillissement van de n.v. SUPERSPAN tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij: De West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand (W.V.I.), die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. LAMINVEST en de n.v. PATRILAM op 19 april 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 december 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, X-8898-1/10 Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari 1999, "weze het enkel in de mate dit besluit de bestemming 'gemengd woon- en industriegebied' wijzigt in 'woongebied'"; Gelet op het arrest nr. 86.008 van 15 maart 2000 waarbij de afstand van de curatoren over het faillissement van de n.v. SUPERSPAN wordt toegewezen, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 28 april 2000 ingediend door de n.v. LAMINVEST en de n.v. PATRILAM; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 21 augustus 2001 ingediend door de West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbeleid en Technische Bijstand (W.V.I.); Gelet op de beschikking van 29 augustus 2001 die de tussenkomst van de West-Vlaamse Intercommunale voor Economische Expansie, Huisvestingsbe- leid en Technische Bijstand (W.V.I.) toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 23 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-8898-2/10 Gelet op de beschikking van 13 januari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 25 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. COOREMAN, die verschijnt voor de n.v. LAMINVEST en de n.v. PATRILAM, en van Advocaat L. BRONDEEL die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Hoofdgriffier bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat derde verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat op grond van voornoemd artikel 15ter, § 1, de kamer de afstand van geding vaststelt; dat niets de toepassing van die bepaling in de weg staat; Overwegende dat de eerste en de tweede verzoekende partij eigenaar zijn van percelen gelegen te Wielsbeke, tussen de Stationsstraat, de Lobeekstraat en de Kapellestraat, te weten de percelen kadastraal bekend nr. 142 m6, X-8898-3/10 eigendom van eerste verzoekster en nrs. 142 g6, 143 f4, 142 16, 142 k6, 142 d6 eigendom van tweede verzoekster; dat de betrokken percelen volgens de bestem- mingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare-Tielt zijn gelegen in gemengd woon- en industriegebied; dat ze niet zijn gelegen binnen een door de Koning -thans Vlaamse regering- goedge- keurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling; dat de Vlaamse regering bij besluit van 19 december 1997 heeft beslist tot de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van onder meer de gemeente Wielsbeke; dat de percelen van verzoekende partijen in dit ontwerpplan worden bestemd tot woongebied; dat van 20 april 1998 tot 18 juni 1998 een openbaar onderzoek wordt georganiseerd; dat de Regionale Commissie van Advies op 25 september 1998 advies heeft uitgebracht; dat de bevoegde Vlaamse minister op 9 december 1998 de Raad van State, afdeling wetgeving, heeft verzocht om een advies te verlenen over het ontwerp van besluit "houdende de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare- Tielt" binnen een termijn van ten hoogste drie dagen; dat de Raad van State, afdeling wetgeving, op 10 december 1998 advies heeft uitgebracht; dat de Vlaamse regering bij het thans bestreden besluit van 15 december 1998 heeft beslist tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare- Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebe- ke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene; dat voormeld besluit werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 februari 1999; dat de kwestieuze percelen de bestemming "woongebied" voorzien in het ontwerpgewest- plan behouden; Overwegende dat verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring stellen dat ze eigenaar zijn van een aantal percelen gelegen te Wielsbeke tussen de Stationsstraat, de Lobeekstraat en de Kapellestraat; dat ze bij de omschrijving van het voorwerp van hun beroep tot nietigverklaring de perceel- nummers aanduiden van de terreinen waarvan ze eigenaar zijn; dat hun percelen de terreinen van de failliete vennootschap de n.v. SUPERSPAN omsluiten en dat ze grote interesse vertonen voor deze terreinen en beogen ze aan te kopen van de curatoren; X-8898-4/10 Overwegende dat de tussenkomende partij in de toelichtende memorie opwerpt dat de verzoekende partijen niet over het rechtens vereiste actueel belang beschikken; dat de eigendommen van de verzoekende partijen één groot oud en vervallen industrieel complex vormen, dat dit complex ofschoon het toebehoorde aan drie verschillende vennootschappen in zijn geheel gebruikt werd door de n.v. SUPERSPAN die op 12 oktober 1993 door de rechtbank van koophandel te Kortrijk failliet werd verklaard, dat ingevolge dit faillissement de industriële bedrijvigheid geheel is stilgevallen en het complex kwam leeg te staan, dat later een of meerdere gebouwen werden verhuurd voor stockage hetgeen niets te maken heeft met de industriële activiteit, dat de kwestieuze terreinen volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, in gemengd woon- en industriegebied zijn gelegen, dat het toepasselijk stedenbouwkundig voorschrift echter stelt "wanneer die bedrijven hun huidige bedrijfsactiviteiten niet meer voortzetten en geen andere activiteiten die tot dezelfde bedrijfssector behoren, uitoefenen, krijgt het betrokken gebied uitsluitend en definitief de bestemming woongebied", dat bij het opmaken van het gewestplan rekening is gehouden met de bestaande toestand, dat door het stilvallen van alle activiteiten ingevolge de faling van de n.v. SUPERSPAN de stedenbouwkundige evolutie zich heeft voltrokken, dat de enige bestemming voor het terrein deze is bedoeld door artikel 5, 1.0., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, met name woongebied, dat de eigendommen van de verzoekende partijen minstens sedert 12 oktober 1993 de bestemming woongebied hebben, dat het beëindigen van de "huidige" bedrijfsactivi- teit en/of het niet wijzigen van de bestaande activiteit in een andere maar tot dezelfde sector behorende activiteit die nabestemming van rechtswege tot stand heeft doen komen, dat het bestreden besluit, althans wat de eigendommen van de verzoekende partijen betreft, niets aan de bestaande bestemmingssituatie heeft gewijzigd, dat verzoeksters derhalve niet door het bestreden besluit zijn benadeeld of geschaad, dat ze geen nut kunnen halen uit de nietigverklaring van het bestreden besluit; Overwegende dat uit de uiteenzetting van de tussenkomende partij, die niet aan de hand van concrete stukken wordt gestaafd, niet met zekerheid blijkt dat de betrokken percelen ingevolge de toepassing van voormeld stedenbouwkundig voorschrift "uitsluitend en definitief de bestemming woongebied" hebben verkregen; dat de bestemming zoals vastgesteld door het bestreden besluit elke mogelijkheid ontneemt aan verzoeksters om op hun percelen nog een industriële activiteit te X-8898-5/10 ontwikkelen; dat zij op grond daarvan alleszins van het vereiste belang doen blijken; dat de exceptie van ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen; Overwegende dat artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichting- en en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; Overwegende dat de Raad van State zijn adviesverlenende taak ontleent aan artikel 160 van de Grondwet; dat in zoverre de raadpleging van de Raad van State betrekking heeft op het onderzoek van wetgevende en verordenende teksten, die raadpleging voortvloeit uit het streven van de Grondwetgever om de eerbiediging van de rechtsstaat en de kwaliteit van die teksten uit wetgevingstechnisch en formeel oogpunt te waarborgen, en bijgevolg ook de rechtszekerheid; dat de raadpleging van de afdeling wetgeving, zoals ze is geregeld bij de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ter uitvoering van de Grondwet, als dusdanig een vormvereiste is die van openbare orde en derhalve substantieel is; dat de nadere regels waarin is voorzien met het oog op de regelmatige afhandeling van die raadpleging, eveneens van die aard zijn en niet uitsluitend bedoeld zijn om een goede organisatie van de werkzaamheden van de Raad van State te garanderen; dat daaruit voortvloeit dat wanneer de wet de bevoegde overheid toestaat om onder bepaalde voorwaarden na te laten de afdeling wetgeving te raadplegen of om haar volgens een versnelde rechtspleging om advies te verzoeken, die voorwaarden op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd; dat elke onregelmatigheid in dat verband zo nodig ambtshalve dient te worden opgeworpen; Overwegende dat artikel 84, eerste lid, van die wetten, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer "wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4"; X-8898-6/10 dat in dit geval de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, moet worden overgenomen in de aanhef van de verordening; Overwegende dat het in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toekomt te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrond- heid van de "bijzondere redenen" die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, met toepassing van meer vermeld artikel 84, eerste lid, er in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet op kan beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig of verkeerd heeft voorgelicht omtrent de "bijzondere redenen" die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat in dat geval de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat de Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 9 december 1998 door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over "een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene"; dat de Vlaamse regering, ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan motiveert : "door de termijnen die moeten gerespecteerd worden ingevolge het decreet van 22.12.1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting van 1994 (art. 94 tot 105) waarbij de termijn tussen het begin van het openbaar onderzoek en de definitieve vaststelling door de Vlaamse regering wordt vastgesteld op 240 dagen. De vergadering van de Vlaamse regering voor het desbetreffende besluit van Antwerpen is voorzien op dinsdag 15 december 1998, nl. tegelijk met de vervaldag van (de) gewestplanprocedureperiode van 240 dagen."; dat de afdeling wetgeving op 10 december 1998 advies heeft uitgebracht; dat het advies vermeldt : X-8898-7/10 "Met toepassing van het bepaalde in artikel 84, tweede lid, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State heeft de afdeling wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot 'het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan'"; dat het advies tevens vermeldt in de "Opmerkingen bij de tekst" in voetnoot 1 onder punt 1 : "
(1)Bij de overname van de hierboven aangehaalde motivering dient deze te worden verbeterd. Wellicht werd daarin immers, inzake een ontwerp dat het gewestplan Roeselare-Tielt betreft, niet bedoeld te verwijzen naar 'besluiten van Antwerpen'"; Overwegende dat bij nader toezien de Vlaamse regering voor de verantwoording van het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag zich bezwaarlijk kan beroepen op de artikelen 94, 95, 96 en 97 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, aangezien deze artikelen behoren tot het hoofdstuk XVI - Welzijn; dat voorts geen van de opgegeven artikelen 98, 100, 101, 102, 103, 104 en 105 ter zake relevant is; dat enkel artikel 99 met de aangelegenheid uitstaans kan hebben en dan nog de bedoelde bepaling overigens sedert 22 oktober 1996 is opgenomen in het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, met name artikel 11, § 7; dat naar luid van dat artikel de Vlaamse regering op straffe van verval van het ontwerpgewestplan, het gewestplan moet vaststellen binnen een termijn van 180 dagen na het verstrijken van de termijn van 60 dagen gedurende welke het gewestplan ter inzage wordt gelegd van het publiek - of, anders berekend, binnen een termijn van 240 dagen te rekenen vanaf het begin van de termijn van 60 dagen van inzage door het publiek, en zij deze termijn van 180 dagen - of, anders berekend 240 dagen - met 60 dagen kan verlengen; dat de gegeven verantwoording voorts steunt op de dagorde van de Vlaamse regering op 15 december 1998; dat derhalve de verantwoording van het spoedeisend karakter is gelegen in het verstrijken van de termijn van 180 (= 240) dagen en het feit dat over het besluit op 15 december 1998 zou worden beslist; dat de verantwoording niet gewaagt van de mogelijkheid van verlenging van de vervaltermijn, noch van de redenen die een verlenging in de weg stonden; X-8898-8/10 Overwegende dat in een geval als het voorliggende, met name in het geval dat de regering expressis verbis verklaart aan een welbepaalde termijn te zijn gebonden en zij daarbij aangeeft dat die termijn zeer binnenkort verstrijkt, niet valt in te zien waarom de afdeling wetgeving hieraan diende te twijfelen; dat het advies dat reeds daags na de aanvraag werd uitgebracht ter zake zich trouwens ertoe beperkt akte te nemen van de redenen van de spoed; dat, aangezien aan de afdeling wetgeving geen inzage wordt gegeven van de dossiers van het openbaar onderzoek en van de raadplegingen en haar evenmin mededeling wordt gedaan van de feitelijke gegevens waarop de verstrekte verantwoording berust, zij, in de uiterst korte tijd die haar is toegemeten en die zij uiteraard en logischerwijze in de eerste plaats besteedt aan het onderzoek van de verordening die voorligt, niet hoeft na te gaan in het arsenaal van de vigerende teksten -ter zake in de adviesaanvraag niet eens correct geciteerd- of de vervaltermijn waaraan de regering naar eigen zeggen gebonden is, niet zou kunnen worden verlengd; dat het de Vlaamse regering -de allereerste beoordelaar van de spoed- toekwam in haar adviesaanvraag mededeling te doen van die mogelijkheid tot verlenging alsmede de met het spoedeisend karakter van het bestreden besluit verband houdende redenen uiteen te zetten waarom geen gebruik werd, of kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging van de vervalter- mijn; dat in de adviesaanvraag op dat stuk de redengeving helemaal niets vermeldt; dat dient te worden vastgesteld dat het spoedeisend karakter van de adviesaanvraag op grond van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet afdoende is gemotiveerd; dat de door de gecoördineerde wetten op de Raad van State in uitvoering van artikel 160 van de Grondwet vastgestelde regels met betrekking tot de adviesaanvragen substantiële vormvoorschriften uitmaken; dat een onregelmatigheid in de toepassing van deze regels ambtshalve dient te worden opgeworpen, BESLUIT: Artikel 1. De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de derde verzoekende partij. X-8898-9/10 Artikel 2. Vernietigd wordt het besluit van 15 december 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Roeselare-Tielt op het grondgebied van de gemeenten Ardooie, Dentergem, Hooglede, Ingelmunster, Izegem, Ledegem, Lichtervelde, Meulebeke, Moorslede, Oostrozebeke, Pittem, Roeselare, Ruiselede, Staden, Tielt, Wielsbeke, Wingene, in zoverre het betrekking heeft op de percelen gelegen te Wielsbeke, tussen de Stationsstraat, de Lobeekstraat en de Kapellestraat, kadastraal bekend nrs. 142 m6, 142 d6, 142 g6, 143 f4, 142 l6 en 142 k6. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 867,65 euro, komen ten laste van de verwerende partij ten belope van 694,12 euro en ten laste van de failliete boedel van de n.v. SUPERSPAN, ten belope van 173,53 euro. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8898-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.007 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div