← België

Arrest 145040 - - 26/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.040 Rolnummer: A. 135901/XII-3844 Zaak: Arrest 145040 - - 26/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-08 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 15:58 Fiche Arrest nr 145.040 van 26 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.040 van 26 mei 2005 in de zaak A. 135.901/XII-

  1. In zake : Ronald FERNALD, die woonplaats kiest bij advocaat T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 33 tegen :
  2. de VZW INTERUNIVERSITAIR CENTRUM VOOR HUIS- ARTSENOPLEIDING, en
  3. het INTERUNIVERSITAIR SAMENWERKINGSVERBAND VOOR DE HUISARTSENOPLEIDING, UNIVERSITAIRE INSTELLING ANTWERPEN, die woonplaats kiezen bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ronald Fernald op 25 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :

(1)de “beslissing van de examencommissie van het interuniversitair centrum voor huisartsen opleiding” van 19 december 2002, “waarbij [hij] niet geslaagd werd verklaard voor de opleiding tot huisarts”;
(2)de “reactie van de Voorzitter van de Interuniversitaire Examenjury” van 27 januari 2003, “waarbij in antwoord op het hoger beroep van verzoeker tegen deze negatieve deliberatiebeslissing gesteld werd dat alles regelmatig verlopen is”;
(3)de “mondelinge kennisgeving van 26 februari 2003 waarin werd gesteld dat [hij] slechts tot een volgende zittijd zou toegelaten worden, indien hij 6 maanden extra seminaries zou volgen, hoewel hij voor dit onderdeel was geslaagd”, en
(4)de “niet-gedateerde beslissing van de Voorzitter van de Interuniversitaire Examenjury namens het Interuniversitair Centrum voor Huisartsen Opleiding”, hem ter kennis gebracht op 3 maart 2003, “houdende afwijzing van het hoger beroep van verzoeker tegen de negatieve deliberatiebeslissing”; XII-3844-1/11 Gelet op het arrest nr. 127.469 van 27 januari 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 28 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Peeters, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaten Chr. Coen en J. Deridder, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; XII-3844-2/11 De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker behaalt in 1996 het diploma van arts aan de Erasmus universiteit te Rotterdam. Hij schrijft zich op 15 februari 1999 in aan de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA) voor de opleiding tot huisarts. In juni 2002 neemt verzoeker een eerste maal, zonder succes, deel aan de examens. Op 30 september 2002 wordt hij voor een tweede keer niet geslaagd verklaard. Hem wordt gevraagd zowel het schriftelijk examen als de “stationsproef” opnieuw af te leggen. Uit een 15 januari 2003 gedateerd schrijven van de voorzitters van het Centrum Huisartsgeneeskunde op papier met briefhoofd van de UIA blijkt dat verzoeker op 19 december 2002 “gedelibereerd werd” en andermaal “niet geslaagd” verklaard, met volgend resultaat : seminaries
(12), capita selecta
(9), klinische en comm. vaardigheden
(11), stages
(9). Tegen deze beslissing reageert verzoeker met een 27 januari 2003 gedateerd maar -gezien het antwoord van de voorzitter van de examencommissie- mogelijk al eerder verzonden schrijven ter attentie van de voorzitter van de examencommissie als volgt : “Hierbij wil ik beroep aantekenen tegen de uitslag van het examen van 10 december 2002 en wel om de volgende redenen :
  1. Ik heb grote twijfels of het schriftelijk examen naar behoren is beoordeeld maar, kan deze twijfels op dit moment niet compleet beargumenteren omdat ik ondanks mijn verzoek niet in de gelegenheid ben gesteld het werk in te zien en te bespreken. Ook tegen het feit dat ik niet in de gelegenheid word gesteld het werk in te zien teken ik beroep aan. Verder werd mij voor het examen expliciet medegedeeld dat er een aantal punten werden afgetrokken om het gissen naar de antwoorden te compenseren, wat bij de andere examenkandidaten niet werd gedaan.
  2. De alternatieve stationsproef, die ik in de vorm van vijf consulten op de video heb gedaan, heb ik ook nog steeds niet kunnen bespreken. Verder heb ik voor het maken van de examenvideo, ondanks eerdere afspraken en herhaaldelijk verzoek, de criteria volgens welke de video zou worden beoordeeld niet ontvangen van meneer Degryse. Tevens heb ik volgens afspraak, voorafgaand aan de examenvideo een proefvideo gezonden aan meneer Degryse, die hij zou beoordelen en aanwijzingen bij zou geven, om de kans op het maken van een acceptabele examenvideo te vergroten. Ook hierop heb ik geen reactie vernomen. XII-3844-3/11
  3. De eerste zestig uren seminarie, van de tachtig uren seminarie die ik verplicht was minimaal te volgen, wat overeenkomt met twintig seminarie van het totaal van zeventwintig, heb ik gelopen bij de coördinator meneer Peter Dieleman en heb ik afgerond met een voldoende beoordeling volgens mevrouw Wies Beckers. De resterende twintig uren seminarie, wat neer komt op zeven seminarie, heb ik gevolgd bij de coördinator mevrouw Frieda Mast. Aan het eind van deze laatste serie gaf mevrouw Mast te kennen mij niet te kunnen beoordelen vanwege het korte contact dat wij hebben gehad. Hier was ik het ook mee eens. Dit gesprek vond plaats bij ons laatste contact tijdens de laatste seminarie, december
  4. In december 2002, drong mevrouw Beckers, ondanks het feit, dat ik had aangegeven dat mevrouw Mast één jaar tevoren zei mij niet te kunnen beoordelen, aan op een beoordeling van mevrouw Mast. Omdat ik mevrouw Mast hieropvolgend heb benaderd maar niets heb vernomen, heb ik het verzoek gedaan aan de administratie van het I.C.H.O. om haar rechtstreeks te benaderen. Naar nu blijkt is mevrouw Mast, hoewel ze eerder niet in staat was mij te beoordelen één jaar geleden, nu wel in staat gebleken dit te doen zonder verder contact met mij te hebben gehad. Dit oordeel, dat ik verder niet heb gezien, bleek naar zeggen van mevrouw Beckers negatief te zijn en dat woog veel zwaarder dan een voldoende beoordeling van de eerste coördinator, die mij over een periode van anderhalf jaar had meegemaakt.
  5. Hoewel ik in september 2001 met een voldoende ben beoordeeld voor het mondeling examen zie ik dit niet gereflecteerd in de einduitslag.
  6. De stages zijn door mijn stagemeesters met 14 uit 20 en 15 uit 20 beoordeeld. Ondanks het feit dat men vanuit het opleidingscentrum nooit direct contact heeft gehad met mijn toenmalige stagemeesters, heeft men toch gemeend mij op mijn eindlijst 12 uit 20 te moeten geven voor de stages.
  7. Verder wil ik aantekenen, dat hoewel bepaalde onderdelen van het herexamen voor het eerste examen waren afgerond en beoordeeld, de becijfering plotseling bleek te veranderen zonder dat er in het kader hiervan enige activiteit was ontplooid, die zou kunnen leiden tot een hernieuwde beoordeling. Op grond van het voorgenoemde vraag ik u om uw oordeel, zodat er klaarheid kan ontstaan”. De voorzitter van de examencommissie schrijft in een eveneens 27 januari 2003 gedateerde brief dat hij “officieel [wil] antwoorden op het aangetekend schrijven dat U mij stuurde dd. 23 januari 2003”. De voorzitter “wil [...] uitdrukkelijk vaststellen dat de procedure die in [dit] geval werd gevolgd volledig de normale weg heeft gevolgd die wij binnen de examencommissie sinds jaren gewoon zijn te volgen”. Voorts schrijft hij te hebben vernomen dat verzoeker “uiteindelijk toch een afspraak [heeft] gemaakt om deze [punten] met prof. Denekens te bespreken en volgens de officiële procedures in te zien”, en hij vervolgt: “Dit is wat U te doen staat. Tijdens deze afspraak, waarbij ook de ombudsman Prof. Goedhuys zal aanwezig zijn, dient de informatie te worden gegeven en de regels voor de toekomstige procedures met U te worden afgesproken. Alle andere kontakten tussendoor [...] zijn voorbarig en buiten procedure”. Aan verzoeker wordt een afspraak aangeboden op 18 februari 2003 met professor Denekens en de ombudsman, professor Goedhuys, in het XII-3844-4/11 Centrum voor Huisartsgeneeskunde van de Universiteit Antwerpen. In een ongedateerd, maar op 26 februari 2003 per e-mail rondgestuurd verslag over deze ontmoeting schrijft de ombudsman aan de voorzitter van de examencommissie : “Hieronder een kort verslag van het gesprek tussen hibo Fernald en Prof. Denekens, dat ik als ombuds bijwoonde. Hibo Fernald heeft naar eigen zeggen een 'beroepsprocedure' bij jou ingeleid. Hij wenste daarom niet in te gaan op het eigenlijk doel van het gesprek, nl. de formulering en concretisering van de adviezen van de examencommissie, om hem in staat te stellen zich beter voor te bereiden op zijn vierde en dus laatste zittijd. De student wil eerst de uitslag van de 'beroepsprocedure' afwachten. Als ombuds was ik ongerust dat hij met deze houding zichzelf in moeilijkheden zou brengen : als hij nu niet start met de opvolging van de adviezen van de examencommissie (6 maand extra seminaries), kan hij onmogelijk nog voor de juni-zittijd in aanmerking komen. Ik heb hem uitgelegd dat een 'beroeps- procedure' nochtans niet in de weg staat van het aanvangen met een extra begeleiding. De kandidaat heeft bevestigd dit duidelijk begrepen te hebben, maar wenste toch bij zijn standpunt te blijven. Ik heb hem toegezegd dat hij nog een inzage kan hebben in zijn schriftelijke toets en dat hem adviezen zullen gegeven worden over hoe hij zich daar nog beter kan op voorbereiden. (Dit is intussen geregeld.) Het gesprek verliep moeilijk omdat de kandidaat de leiding van het gesprek van Prof. Denekens geregeld overnam. De kandidaat wenste ook niet mee te delen of hij op dit ogenblik medisch werk verricht van waaruit hij casuïstiek zou kunnen meebrengen, zoals door de examencommissie aanbevolen is. Als ombuds maak ik me zorgen over deze kandidaat. Ik hoop dat hij na uw antwoord mbt de 'beroepsprocedure' contact met mij opneemt om de adviezen van de examencommissie alsnog ter harte te nemen”. Bij aangetekende brief van 3 maart 2003 schrijft de voorzitter van de examencommissie aan verzoeker wat volgt : “U tekende beroep aan tegen de uitslag van het examen van 10 december
  8. Dit beroep wordt niet ontvankelijk verklaard omwille van hiernavolgende redenen. Wij volgen de nummering uit uw schrijven dd. 27-01-
  9. Het schriftelijk examen dat u aflegde is een multiple choice examen, waar een vaste sleutel bij hoort die door een interuniversitaire expertencommissie is opgesteld. U heeft recht op inzage in de door u afgelegde schriftelijke proef. Elke test volgt andere procedures om de uitslag te berekenen. De door u gekozen test werkt met giscorrectie. Dit is geen procedure die tot lagere uitslagen leidt.
  10. U bent geslaagd voor de alternatieve stationsproef met video. Indien u dit examen toch wilt bespreken, kan u zich tot de ombudsman wenden.
  11. De procedure voor het tot stand komen van het stagepunt is de volgende : de student dient de benodigde formulieren in te zamelen bij de laatste coördinator die voor hem verantwoordelijk is. Deze coördinator dient op zijn beurt de punten in te zamelen bij vorige coördinatoren en praktijkopleiders. Het is de laatste coördinator die op grond van al deze gegevens in eer en geweten het stagepunt toekent. Deze procedure geldt voor alle studenten en werd ook hier gevolgd. XII-3844-5/11
  12. U haalde twee onvoldoendes op vier examenonderdelen. De examen- commissie legt autonoom de criteria vast volgens dewelke zij oordeelt over het al dan niet geslaagd zijn van een student.
  13. Zie procedure bij
  14. Ook hier : de examencommissie legt autonoom de criteria vast volgens dewelke zij oordeelt over het al dan niet geslaagd zijn van een student. De ombudsman die de verdediging van de student opneemt, nam kennis van uw vragen en meent in eer en geweten dat alle procedures correct gevolgd werden. In acht genomen al deze overwegingen zien wij geen grond om de door de examencommissie genomen beslissing met bijhorend remediëringsprogramma te herzien. Wij horen van diverse betrokkenen dat de communicatie moeilijk verloopt en dat u van verschillende betrokkenen, uiteenlopende boodschappen meent te ontvangen. Om hieraan te verhelpen vragen wij u om vanaf heden alle communicatie uitsluitend met de ombudsman (Jo Goedhuys) te laten verlopen. Wij adviseren u met aandrang om met de ombudsman contact op te nemen om kennis te nemen van het door de examencommissie opgestelde remediëringsprogramma. Na uitvoering van dit programma verwachten wij een nieuw stagepunt van de u toe te wijzen coördinator en kan u opnieuw deelnemen aan de schriftelijke proef”; De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de verwerende partijen in de memorie van antwoord bij het relaas van de feiten de volgende bemerking formuleren : “Hoewel artikel 41 van het examenreglement duidelijk voorschrijft dat een eventueel beroep tegen de beslissing van de examencommissie moet worden ingediend bij de coördinator studentenbegeleiding/ombudspersoon, tekent verzoekende partij per brief gedateerd op 27 januari 2003 beroep aan bij de voorzitter van de examencommissie. Als zoveelste teken van goodwill jegens verzoekende partij, wordt van deze vormfout op dat ogenblik door verwerende partij geen punt gemaakt. Verwerende partij laat het aan het oordeel van de Raad van State over, of deze procedurefout in hoofde van verzoekende partij thans desgevallend ambtshalve moet worden gesanctioneerd.”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert : “
  15. Verzoeker heeft overeenkomstig het examenreglement eerst alle interne procedures uitgeput en heeft ook eerst hoger beroep ingesteld bij de voorzitter van de examencommissie. Die heeft zijn eindbeslissing per aangetekende brief van 3 maart 2003 kenbaar gemaakt. Het antwoord van verwerende partijen op de vraag van verzoeker tot het verkrijgen van een afschrift van het administratief dossier dateert zelfs pas van 17 april
  16. Het verzoek tot nietigverklaring wordt tijdig ingediend vermits er minder dan zestig dagen verlopen zijn sedert die beslissing aan verzoeker werd meegedeeld en aan hem bekend geraakte. Dit wordt niet betwist. XII-3844-6/11
  17. Enkel ten overvloede wijst verzoeker erop dat op geen enkele beslissing staat vermeld waar, hoe en binnen welke termijn verzoeker rechtsmiddelen kon aanwenden, zoals nochtans vereist overeenkomstig artikel 26 van het Decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, zodat geen termijn voor het instellen van beroep loopt of kan aflopen.
  18. Zonder dat dit apart wordt behandeld stellen verweerders in het gedeelte 'IN FEITEN' van hun memorie van antwoord, dat verzoeker een vormfout zou hebben begaan, door in strijd met artikel 41 van het examenreglement een beroep tegen de beslissing van de examencommissie in te dienen bij de voorzitter van de examenco mmissie, i.p.v. van bij de co ördinat o r studentenbegeleiding/ombudspersoon. Verweerders zijn hier blijkbaar zelf ook niet zeker van en laat het oordeel hierover over aan de raad van state. Zelf menen zij alleszins voldoende goodwill te hebben getoond, door er geen punt van te maken en het beroep gewoon te behandelen. Zo simpel liggen de zaken echter niet. Artikel 41 voorziet enerzijds in een behandeling van problemen door de voorzitter van de examencommissie. Enkel wanneer dit niet tot een resultaat leidt, dient men zich binnen de 60 dagen na de proclamatie tot de coördinator studentenbeleid/ombudspersoon te wenden. Dit schema werd door verweerders compleet om zeep geholpen. Verzoeker mocht pas met een maand vertraging zijn examenuitslag ontvangen. Verzoeker heeft zich dan eerst tot de voorzitter van de examencommissie gewend op 27 januari 2003 (stuk 59). Dit verzoek werd op 3 maart 2003 verworpen (stuk 66). Die verwerping gebeurde kennelijk in overleg met de coördinator studentenbeleid/ombudspersoon. Tegelijkertijd heeft verzoeker veelvuldig contact gehad met de coördinator studentenbeleid/ombudspersoon. Eigenlijk heeft verzoeker niet meer geprobeerd dan inzage te krijgen in zijn examens. Dit werd geweigerd en uiteindelijk slechts gedeeltelijk ingewilligd (zie infra). Intussen verliep de tijd en bleef enkel nog een procedure voor de raad van state open.”; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie dezelfde argumentatie woordelijk herneemt; Overwegende dat het toepasselijke examenreglement voor de interuniversitaire opleiding in de huisartsgeneeskunde de volgende beroeps- procedures organiseert ingeval van examenbetwistingen : “Geschillenregeling Artikel 40 Onregelmatigheden of conflicten tussen examinatoren en studenten worden door de ombudspersoon of de betrokkenen zelf aan de voorzitter van de examencommissie meegedeeld. Die bemiddelt en neemt, zo nodig, voorlopige maatregelen om het correct verloop van de examens te waarborgen. De examencommissie neemt de uiteindelijke beslissing. Zij hoort vooraf de student die daarom verzoekt. Artikel 41 Materiële vergissingen die tot 60 dagen na de beraadslaging worden vastgesteld en die niet van aard zijn de beslissing van de examencommissie te beïnvloeden, worden onmiddellijk door de voorzitter hersteld. Vergissingen of onregelmatigheden die de geldigheid van een door de examencommissie genomen beslissing in het gedrang brengen, worden binnen de 60 dagen na de proclamatie door de examencommissie hersteld. De XII-3844-7/11 examencommissie wordt hiertoe in buitengewone zitting bijeengeroepen door haar voorzitter, eventueel op verzoek van de coördinator studentenbeleid/ombudspersoon, die de betrokkenen heeft gehoord. De nieuwe beslissing wordt door de voorzitter van de examencommissie aan de coördinator studentenbeleid/ombudspersoon meegedeeld, die ze ook schriftelijk aan de student meedeelt. Indien overleg niet leidt tot een nieuwe beslissing van de examencommissie, tekent de student die zijn klacht staande houdt binnen de 60 dagen na de pr o clamat ie schr ift elijk ber o ep aan bij de co ö r dinat o r studentenbeleid/ombudspersoon. Die kan beslissen dat de examencommissie opnieuw zal bijeenkomen. Hij deelt uiterlijk 60 dagen na ontvangst van de klacht, schriftelijk aan de verzoeker ofwel zijn beslissing om de examencommissie niet opnieuw bijeen te roepen, ofwel een nieuwe beslissing van de examencommissie mee. Elke nieuwe beslissing van de examencommissie of de beslissing van de coördinator studentenbeleid/ombudspersoon om de examencommissie niet bijeen te roepen, wordt uitdrukkelijk gemotiveerd. De herziening van de beslissing wordt via een openbare proclamatie bekend gemaakt. Artikel 42 Bij een eventuele geschillenregeling voor de Raad van State wordt het dossier behandeld door de universiteit waar de student is ingeschreven.”; Overwegende dat de geciteerde beroepsprocedure tegen beslissingen van de examencommissie huisartsgeneeskunde een georganiseerd administratief beroep vormt, dat moet worden uitgeput vooraleer de Raad van State kan worden geadieerd; dat, desnoods ambtshalve, de vraag rijst naar de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep wegens het niet uitputten van het georganiseerd administratief beroep; Overwegende dat verzoeker in wezen zijn niet geslaagd zijn bestrijdt; dat hij daarover de examencommissie tot een nieuwe beslissing wil bewegen; dat voor zijn grieven bijgevolg het geciteerde artikel 41, tweede tot vijfde lid, van het examenreglement in acht dient genomen; dat in de procedure blijkens artikel 41, vierde lid, twee stappen te onderscheiden zijn die een student die zich door een examenbeslissing gegriefd voelt achtereenvolgens moet ondernemen; dat de eerste stap een overleg is dat, hetzij onrechtstreeks via de coördinator studenten- beleid/ombudspersoon, hetzij rechtstreeks via de voorzitter van de examen- commissie, er toe kan leiden dat laatstgenoemde de examencommissie bijeenroept in buitengewone zitting; dat, “indien overleg niet leidt tot een nieuwe beslissing van de examencommissie”, de student “die zijn klacht staande houdt” als tweede stap schriftelijk beroep moet aantekenen bij de ombudspersoon; dat het de ombudspersoon is die vervolgens beslist of de examencommissie al dan niet opnieuw zal bijeenkomen; XII-3844-8/11 Overwegende dat bijgevolg de beslissing waarmee de desbetreffende beroepsprocedure afgesloten wordt, en die de eindbeslissing vormt vatbaar voor beroep bij de Raad van State, ofwel de “nieuwe beslissing van de examencommissie of de beslissing van de coördinator studentenbeleid/ombuds- persoon om de examencommissie niet bijeen te roepen” is, als bedoeld in artikel 41, vijfde lid, van het examenreglement; dat in de voorliggende zaak de ene noch de andere beslissing voorhanden blijkt te zijn; Overwegende dat verzoeker zich gewis tot het in eerste instantie voorgeschreven overleg heeft ingespannen; dat hij zich immers met zijn 27 januari 2003 gedateerde brief tot de examencommissie heeft gericht, via haar voorzitter; dat evenwel, gelet op de zo-even geciteerde en beschreven beroepsprocedure, het antwoord van de voorzitter -in feite heeft hij tweemaal geantwoord, een eerste keer op 27 januari 2003 en een tweede keer op 3 maart 2003- niet de “eindbeslissing” kan vormen welke vervolgens met een annulatieberoep voor de Raad van State kan worden aangevochten; Overwegende dat verzoeker daarentegen heeft nagelaten om de noodzakelijke tweede stap in de procedure te zetten; dat hij op geen ogenblik een schriftelijk beroep heeft ingesteld bij de ombudspersoon; dat die laatste dan ook geen beslissing heeft kunnen nemen, en niet heeft genomen, om de examencommissie al dan niet bijeen te roepen; dat bijgevolg dient vastgesteld dat geen aanvechtbare eindbeslissing is tot stand gekomen; Overwegende dat verzoeker voor zijn nalaten vergeefs verschoning zoekt in de beweerde laattijdigheid van het antwoord van de voorzitter van de examencommissie, dat hem pas heeft bereikt na de termijn van zestig dagen die, volgend op de proclamatie, hem ter beschikking stond voor de beroepsprocedure; dat immers het examenreglement de beide door hem te ondernemen stappen van de procedure binnen zestig dagen na de proclamatie situeert; dat een student dan ook reeds uit de aard zelf van de procedure in voege, weet dat hij niet steeds de zekerheid zal hebben of zijn overleg -eerste stap- gunstig resultaat zal sorteren; dat verzoeker zich dan ook vergist in zijn “schema” van de beroepsprocedure, door te veronderstellen dat het schriftelijk beroep bij de ombudsman slechts kan volgen op het antwoord van de voorzitter van de examencommissie; dat het examenreglement ook zo niet is gesteld; dat het schriftelijk beroep luidens het examenreglement dient te worden ingesteld door de student die zijn klacht na het overleg staande houdt XII-3844-9/11 indien dit overleg “niet leidt tot een nieuwe beslissing van de examencommissie”; dat verzoeker duidelijk zijn klacht staande houdt; dat hij eventueel reeds op grond van het eerste, als “officieel” bestempeld antwoordschrijven van de voorzitter van de examencommissie op 27 januari 2003, die overigens verwijst naar “de toekomstige procedures”, en alleszins bij het verder verstrijken van de beroepstermijn van zestig dagen en bij het uitblijven van nadere reactie, kon en diende vast te stellen dat het eerstelijnsoverleg niet “tot een nieuwe beslissing van de examencommissie” zou leiden en dat hij, dienovereenkomstig, kon en moest schriftelijk beroep instellen bij de ombudsman; Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verwerende partijen blijkt dat ook zij dolen in het eigen examenreglement; dat zij immers blijkens haar memories en de in de zaak gevoerde communicatie met verzoeker bij brief en e-mail, het onderscheid in artikel 41 van het reglement tussen het overleg -eerste stap- en het schriftelijk beroep -tweede stap- nooit duidelijk maken; dat, waar verwerende partijen beweren “goodwill” te hebben getoond om de 27 januari 2003 gedateerde brief van verzoeker aan de voorzitter van de examencommissie reeds als een “schriftelijk beroep” in de zin van het artikel 41 van het examenreglement te beschouwen, de vraag rijst of daarmee geen onwettigheid is begaan door, in strijd met het reglement, dit “beroepschrift” ten gronde te behandelen door een ander orgaan dan het orgaan dat volgens het examenreglement bevoegd is om over dergelijk schriftelijk beroep te statueren, namelijk de ombudsman; dat evenwel, daargelaten de vraag of het wel toegestaan is in individuele gevallen af te wijken van de regelgeving die zij bij examenreglement hebben uitgewerkt, uit hetgeen voorafgaat is gebleken dat verwerende partijen zelfs helemaal geen “goodwill” te tonen hadden voor verzoekers “beroep”; dat verzoeker als gezien met zijn brief aan de voorzitter van de examencommissie immers op correcte wijze de vereiste éérste stap van de in artikel 41 voorgeschreven beroepsprocedure heeft gezet; dat uit die vaststelling haast noodzakelijk moet worden afgeleid dat verwerende partij verzoeker nooit, minstens niet bij de kennisgeving van de hem grievende examenbeslissing, op de bestaande beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van dit beroep heeft gewezen; dat het administratief dossier zoals het voorligt het tegendeel alleszins niet aantoont; dat luidens artikel 26 van het toentertijd geldend decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, de verjaringstermijn voor het indienen van het schriftelijk beroep dan geen aanvang heeft genomen; dat evenwel, aangezien verzoeker het georganiseerd administratief beroep nog niet heeft uitgeput, aangenomen moet XII-3844-10/11 worden dat hij ook niet ontvankelijk de Raad van State met een annulatieberoep kan adiëren; dat hieruit volgt dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3844-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.040 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.