← België

Arrest 145047 - - 26/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.047 Rolnummer: A. 77368/VII-16388 Zaak: Arrest 145047 - - 26/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 16:00 Fiche Arrest nr 145.047 van 26 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.047 van 26 mei 2005 in de zaak A. 77.368/VII-16.388. In zake : de n.v. St. CLEMENS ZUIVELFABRIEK, die woonplaats kiest bij Advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Ijzerenmolenstraat 105 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 39. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ST. CLEMENS ZUIVELFABRIEK op 3 februari 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 1 december 1997 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 mei 1997 houdende het gedeeltelijk verlenen aan de verzoekende partij van de vergunning om een zuivelfabriek gelegen te 2500 Lier, Anderstad 12, verder in bedrijf te houden en te veranderen door wijziging en uitbreiding gedeeltelijk gegrond wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 74.374 van 18 juni 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; VII-16.388-1/14 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 5 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H.-K. CARÊME die, loco Advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat M. DE PUYDT die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Het voorwerp van het beroep. 1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift preciseert dat zij de beslissing van 1 december 1997 bestrijdt met uitdrukkelijke uitsluiting van artikel 2 van het bestreden besluit; dat blijkens de inhoud van haar verzoekschrift zij haar beroep beperkt tot de weigering van de vergunning voor de exploitatie van de afvalwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van de lozing van het effluentwater, bestaande uit bedrijfsafvalwater, huishoudelijk afvalwater en regenwater in een vijver; dat aangezien dit gedeelte volledig afsplitsbaar is van de VII-16.388-2/14 overige bestanddelen van de vergunde inrichting, de gevraagde beperking kan worden aanvaard; 2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Op 15 mei 1997 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de verzoekende partij een vergunning met volgend voorwerp : "Aan N.V. St. CLEMENT, gevestigd Anderstad 12 te 2500 Lier, wordt onder de voorwaarden bepaald in onderhavig besluit vergunning verleend om een inrichting gelegen te 2500 Lier, Anderstad 12, op de kadastrale percelen (afdeling-sectie-perceelnummer) 03-D-363d2, 03-D-368e, 03-D-371n, 03-D- 371p, 03D-3721, 03-D-376t, 03-D-376v, verder in bedrijf te houden en te veranderen door wijziging en uitbreiding, zodat ze thans omvat : - het lozen van koelwater met een maximumdebiet van 40 m³/uur, 250 m³/dag en 44.200 m³/jaar in oppervlaktewater (3.5.2.) - een transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA (12.2.1.) - de stalling van maximum 7 voertuigen (15.1.1.) - 4 koelinstallaties voor het bewaren van voedingsmiddelen met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 186 kW (16.3.1.1.) - tien compressoren met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 80,34 kW (16.3.2.2.) - de opslag van maximum 800 liter propaan in verplaatsbare recipiënten (16.7.1.) - de opslag van 3.200 kg HNO3 (60%) en 4.615 kg NaOH in 2 bovengrondse, ingekuipte tanks van resp. 4.500 en 6.000 l (17.3.3.2.) - de opslag van 9.000 liter diesel, 5.000 liter lichte stookolie en 1 x 30.000 liter + 1 x 50.000 liter zeer zware stookolie in 4 bovengrondse tanks (17.3.6.2.) - een dieselgeneratorgroep van 160 kVA (31.1.1.) - een zuivelfabriek met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 645 kW (45.6.3.). VLAREM-rubrieken : 3.5.2. - 12.2.1. - 15.1.1. - 16.3.1.1. - 16.3.2.2. - 16.7.1. - 17.3.3.2. - 17.3.6.2 - 31.1.1. - 45.6.3". De vergunning wordt geweigerd voor het volgende onderdeel van de aanvraag : "- een afvalwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van de lozing van het effluentwater, bestaande uit bedrijfsafvalwater, huishoudelijk afvalwater en regenwater in een vijver (3.6.3.1.); - de opslag van 7.000 liter benzine in een enkelwandige, ondergrondse tank (17.3.4.2.); VLAREM-rubrieken : 3.6.3.1. - 17.3.4.2." VII-16.388-3/14 De vergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar, eindigend op 15 mei 2017. In de aanhef van het deputatiebesluit wordt onder meer overwogen : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Mechelen, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : deels industriegebied, deels natuurgebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, behalve voor wat betreft de inplanting van de waterzuiveringsinstallatie en de lozing van het effluent". 2.2. Met een aangetekend schrijven van 27 juni 1997 tekent de verzoekende partij beroep aan tegen het voormelde deputatiebesluit. In het beroepschrift wordt onder meer betoogd dat het betrokken deel van de percelen waarop zij gevraagd heeft een waterzuiveringsinstallatie in te planten volledig behoort tot het industriegebied. 2.3. In het kader van de beroepsprocedure worden een aantal adviezen uitgebracht. (

  1. a)Op 28 juli 1997 adviseert de OVAM gunstig. (
  2. b)Op 30 juli 1997 stelt de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg dat zij geen advies zal uitbrengen. (
  3. c)Op 22 augustus 1997 brengt de Vlaamse Milieumaatschappij volgend advies uit : "In antwoord op uw bovenvermelde brief van 24 juli jl. zijn wij zo vrij u hierbij het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij toe te sturen. Gelet op art. 21 van Vlarem I waarin gesteld wordt dat inzake afvalwater het advies van VMM een gemotiveerde beoordeling moet bevatten van de herkomst van het afvalwater en van de verenigbaarheid met het AWP, met de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en met de geplande investeringen. Indien er verenigbaarheid mogelijk is zal het advies eveneens een gemotiveerd voorstel bevatten van vergunningsvoorwaarden die betrekking hebben op de maximaal toelaatbare vuilvracht. Overwegende dat in het beroepschrift wordt vermeld dat de VMM een aangevraagd debiet van 400 m³/uur overweegt en niet het aangevraagde debiet van 400 m³/dag. VII-16.388-4/14 Het debiet van 400 m³/uur in het advies van de VMM van 4 april jl. is een schrijffout en had geen effect op de beredenering en formulatie van het uiteindelijke advies. De VMM oordeelt dat er wel degelijk BA met gevaarlijke stoffen wordt geloosd, hiervoor verwijzen we naar de lijst 2C van Vlarem I. Hier staat onder punt 8 van lijst II: stoffen die ongunstig inwerken op de zuurstofbalans, met name: ammoniak, nitrieten. Op basis van analyses van het niet gezuiverd afvalwater wordt door het bedrijf een typische concentratie van 12 mg/l Kjeldahl stikstof opgegeven. (bijlage 16 van de aanvraag) Het bedrijf voorziet dat na zuivering zal voldaan worden aan de sectorale norm voor lozing in oppervlaktewater, voor Kjeldahl stikstof is dit een concentratie kleiner of gelijk aan 60 mg/l. Na de zuivering zal de organische stikstof, aangeduid door de Kjeldahlstikstof, in het afvalwater voorkomen als ammonikale stikstof, die nadelig is voor de zuurstofbalans van het oppervlaktewater. In het beroepschrift van het bedrijf staat vermeld dat de VMM in het advies van 4 april jl. stelt dat 'het water van de vijver onmogelijk kan infiltreren zowel naar de ondergrond als zijdelings.' Deze opmerking staat echter niet in het vermelde advies en is dus niet in contradictie met het standpunt van de VMM dat de vijver behoort tot het hydrografisch net. In de overtuiging dat wij met deze voldoende geantwoord hebben op de punten in het beroepschrift die betrekking hebben op de VMM behoudt de VMM dan ook haar advies. (BH/AK-V/SW/ih/97/315) Advies VMM: De VMM adviseert gunstig voor: rubriek 3.5.2.: het lozen van 40 m³/uur, 250 m³/dag en 44.200 m³/jaar koelwater mits voldaan wordt aan de algemene normen voor het lozen van koelwater. rubriek 3.6.3.1.: het lozen van 15 m³/uur, 100 m³/dag en 22.500 m³/jaar BA met gevaarlijke stoffen mits voldaan wordt aan de algemene en sectorale voorwaarden (zuivelindustrie) voor het lozen op oppervlaktewater. Bovendien dienen jaarlijks de kwaliteit van het vijverwater gecontroleerd te worden. Als staalnamepunten worden W1 en W2 opgelegd cfr. de hydrologische studie van de RUG. De analyseresultaten voor de parameters CZV en Totaal N dienen meegedeeld te worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij, Belgiëlaan 6, 2200 Herentals". (
  4. d)Op 2 september 1997 brengt AROHM, afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, volgend advies uit : "(...) Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Mechelen (K.B. 5.8.1976) gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrieën (artikel 8.2.1.2. van het K.B. dd. 28 december 1972) en een natuurgebied (artikel 13.4.3.1. van het K.B. dd. 28 december 1972); dat de grens tussen deze beide ligt op de binnenzijde van de oude slotgracht, zoals duidelijk te zien is op een uittreksel uit het gewestplan op schaal 1/10.000. Overwegende dat voor de plaats in kwestie geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg bestaat. A. Overwegende dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, wat het deel in industriegebied betreft; B. Overwegende dat de exploitatie van het deel van de inrichting, gelegen in het natuurgebied de inrichting (sic) niet overeenstemt met de VII-16.388-5/14 bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gebied waarin de inrichting is gelegen; dat in toepassing van artikel 43, §6 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bij het verlenen van een gunstig advies betreffende de milieuvergunning van deze voorschriften kan afgeweken worden op voorwaarde dat de ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; Overwegende dat niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 43, §8, b van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aangezien de milieuvergunningsaanvraag geen van de volgende bepalingen als voorwerp heeft : (...) Overwegende dat de afwijkingsbepalingen van artikel 43, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 eveneens niet kunnen worden toegepast in het natuurgebied; Bijgevolg besluit de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen tot het uitbrengen van een principieel gunstig advies, met uitzondering van het deel van de inrichting gelegen in het natuurgebied (waterzuiveringsinstallatie), waarvoor een ongunstig advies dient te worden uitgebracht. (...)" (
  5. e)Op 2 september 1997 stelt het hoofdbestuur Milieuvergunningen van AMINAL voor het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en artikel 1, §1, van het bestreden besluit van de bestendige deputatie aan te vullen met: "een hogedruk stoomgenerator met een waterinhoud van 20.560 l.". In dit advies wordt onder meer overwogen "dat het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie in de ringgracht wordt gebouwd, zijnde het natuurgebied en is uitgerust met een beluchtingssysteem; dat hierdoor menging en een aërobe toestand wordt bekomen; dat het overige deel van de waterzuiveringsinstallatie gelegen is in het gebied voor milieubelastende industrieën en bestaat uit een bioreactor, een bezinkingstank en een slibsilo". Bij de evaluatie van de aanspraken en bezwaren van de beroepindiener wordt vermeld : "- de ringgracht behoort tot het natuurgebied; - het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie is gelegen in het natuurgebied en is bijgevolg onverenigbaar met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften". (
  6. f)Op 19 september 1997 doet de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie hetzelfde voorstel van beslissing als de afdeling Milieuvergunningen. In verband met de ligging van de inrichting wordt in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gesteld : VII-16.388-6/14 "Gelet op de ligging van de inrichting deels in een gebied voor milieubelastende industrieën en deels in natuurgebied volgens het gewestplan Mechelen vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976; Overwegende dat de grens tussen deze beide gebieden ligt op de binnengrens van de oude slotgracht, zoals duidelijk te zien is op een uittreksel uit het gewestplan op schaal 1/10.000". Voorts wordt in het advies nog overwogen wat volgt : "Overwegende dat de vijver dient beschouwd te worden als behorend tot het hydrografisch net, zodat de lozing in de vijver als lozing in oppervlaktewater moet beschouwd worden, zelfs al ligt deze vijver op privé-eigendom; dat dit blijkt uit de definities uit artikel 1.1.2. van titel II van het Vlarem; dat hiervoor dan ook het bereiken van de basiskwaliteitsobjectieven niet als doelstelling moet worden genomen; dat de lozing van bedrijfsafvalwater met zuurstofbindende stoffen in dit stilstaand water een ernstige verstoring van de waterkwaliteit dreigt; Overwegende dat het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie, voorzien van een beluchtingssysteem, in de ringgracht zou worden gebouwd, gelegen in een natuurgebied volgens het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, na een nieuwe gedetailleerde bepaling van de grens tussen beide gebieden; dat het overige deel van de waterzuiveringsinstallatie gelegen is in het gebied voor milieubelastende industrieën en bestaat uit een bioreactor, een bezinkingstank en een slibsilo. (...) Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van het deel van de inrichting gelegen in het natuurgebied niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gebied waarin deze installatie is gelegen." en wordt bij de evaluatie van de aanspraken en bezwaren gesteld : "• de ringgracht behoort tot het natuurgebied; • het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie is dus gelegen in het natuurgebied en is bijgevolg onverenigbaar met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; bovendien zal het afwateringssysteem verstoord worden". 2.4. Het weze nog aangestipt dat in een brief van 1 september 1997 de verzoekende partij aan de verwerende partij meedeelt dat het zoutgehalte in de vijver niet stijgt ingevolge de lozing van het effluent en dat in een faxbericht van 4 september 1997 Guido VERSTREKEN van de dienst Landinrichting en Mobiliteit meedeelt : "Er kan meegedeeld worden dat volgens het gewestplan Mechelen kaart 16-5 de ringgracht rond de hoeve Anderstad te Lier langs de noord-oostelijke kant begrepen is in de zonering voor milieu-belastende industrie". VII-16.388-7/14 2.5. Op 1 december 1997 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat nog een vergunning wordt verleend voor "een hogedruk stoomgenerator met een waterinhoud van 20.560 l" (artikel 2) en dat in artikel 3 wordt bepaald dat de overige bepalingen van het beroepen besluit worden bevestigd; 3. De gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij het eerste middel afleidt uit "de schending van artikel 2, §1, eerste, tweede en derde lid, van de Gecoördineerde Stedenbouwwet, en (...) uit de miskenning, minstens verkeerde toepassing van de bindende kracht van het Gewestplan MECHELEN, kaart 16-5, evenals uit de schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, en uit machtsoverschrijding"; dat zij in essentie betoogt dat de noordoostelijke kant van de ringgracht rond de hoeve Anderstad, alwaar het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie zou worden ingeplant, gelegen is in de zonering voor milieubelastende industrie, en niet in een natuurgebied zoals de bestreden beslissing ten onrechte aanneemt; dat zij stelt dat dit blijkt uit het gewestplan en uit diverse verklaringen van ambtenaren, met name de milieuambtenaar van de stad Lier, de gemachtigde ambtenaar Ruimtelijke Ordening Antwerpen en een ambtenaar van de dienst Landinrichtingen en Mobiliteit van de provincie Antwerpen; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat in het bestreden besluit met reden gesteld wordt dat na kennisname van alle mogelijke adviezen van de bevoegde adviesorganen en na inzage en kennisname van het gewestplan Mechelen, de inrichting deels gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrieën en deels in natuurgebied, dat volgens een uittreksel uit het gewestplan op schaal 1/10.000 de grens tussen deze beide gebieden ligt op de binnengrens van de oude slotgracht en dat de aangevraagde waterzuiveringsinstallatie is gelegen in een natuurgebied; 3.1.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij doet gelden dat de zienswijze van diverse ambtenaren ook nog bevestigd wordt door ereprofessor, architect en urbanist Paul DOMS, door landmeter-expert Jan BELMANS en door beëdigd landmeter J. WUYTS; dat vooreerst Jan BELMANS stelt dat door het vergelijken en op gelijke schaal brengen van de plans op 1/10.000 en 1/25.000 blijkt dat het noordoostelijk gedeelte van de VII-16.388-8/14 ringgracht rondom het bedrijf voor de binnenste helft in het gebied voor milieubelastende industrieën gelegen is en voor de buitenste helft in het natuurgebied en dat in de meest noordoostelijke hoek van dit gedeelte daarentegen de ringgracht ligt, dit nagenoeg over de volledige breedte in het gebied voor milieubelastende industrieën, dat vervolgens ook J. WUYTS stelt : "Na onderzoek van voormelde documenten en samenvoeging van het, fotografisch vergrote, topografische plan met het Gewestplan in een samengesteld plan geeft duidelijk aan dat de ringgracht deel(
  7. s)in het natuurgebied en deels in de zone voor milieubelastende industrie gelegen is, meer bepaald is dit het geval voor het noordelijke en noordoostelijke gedeelte van de ringgracht"; dat zij betoogt dat aldus de minister zich vergiste waar hij stelt dat de ringgracht integraal in natuurgebied gelegen is; dat zij er aan toevoegt dat de Raad van State de materiële juistheid van de ingeroepen feiten door expertises en onderzoek kan verifiëren; 3.1.4.1. Overwegende dat in de aanhef van de bestreden beslissing onder meer wordt overwogen wat volgt : "Gelet op de ligging van de inrichting deels in een gebied voor milieubelastende industrieën en deels in natuurgebied volgens het gewestplan Mechelen vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976; Overwegende dat de grens tussen deze beide gebieden ligt op de binnengrens van de oude slotgracht, zoals duidelijk te zien is op een uittreksel uit het gewestplan op schaal 1/10.000; (...) Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van het deel van de inrichting gelegen in het natuurgebied niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften die van toepassing zijn voor het gebied waarin deze installatie is gelegen"; dat bij de evaluatie van de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener staat te lezen : "• de ringgracht behoort tot het natuurgebied; • het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie is dus gelegen in het natuurgebied en is bijgevolg onverenigbaar met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften (...)"; dat met deze overwegingen de bestreden beslissing aansluit bij de adviezen van AROHM, afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie waarin wordt gesteld dat het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie in natuurgebied is gelegen; dat daartegenover staat, enerzijds, een brief van de gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM Antwerpen van 18 augustus 1997, VII-16.388-9/14 waarin deze stelt dat de waterzuivingsinstallatie wel grotendeels is gelegen in natuurgebied, maar dat de grens tussen natuurgebied en industriegebied is gelegen op de binnenoever van de slotgracht, zoals blijkt uit de kopie van het gewestplan op schaal 1/10.000 en, anderzijds, een faxbericht van e.a. ingenieur-diensthoofd G. VERSTREKEN van de dienst Landinrichting en Mobiliteit van 4 september 1997 waarin hij stelt : "Er kan meegedeeld worden dat volgens het gewestplan Mechelen kaart 16-5 de ringgracht rond de hoeve Anderstad te Lier langs de noord-oostelijke kant begrepen is in de zonering voor milieu-belastende industrie. In bijlage kopies van de militaire kaart en van het gewestplan"; 3.1.4.2. Overwegende dat alhoewel raadpleging van de kopies van het gewestplan die de verzoekende partij bij haar verzoekschrift heeft gevoegd -het gaat om uittreksels op schaal 1/10.000 en 1/25.000- prima facie de indruk geeft dat de slotgracht (ringgracht) zich in natuurgebied bevindt, bij nader toezien dit niet absoluut duidelijk blijkt wat het noordoostelijk deel van de ringgracht betreft, alwaar het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie zou moeten worden ingeplant; dat een deskundigenonderzoek desbetreffend uitsluitsel zou moeten brengen; 3.1.4.3. Overwegende dat de verzoekende partij met haar memorie van wederantwoord uittreksels uit verslagen van respectievelijk Jan BELMANS, landmeter-expert en J. WUYTS, beëdigd landmeter neerlegt; dat zij op vraag van de auditeur bij haar laatste memorie de volledige rapporten van genoemde personen neerlegt, alsook documenten waaruit blijkt dat zij voldoende garanties bieden op het vlak van de deskundigheid; dat de verwerende partij nergens de inhoud van die rapporten bestrijdt, noch de deskundigheid van deze personen in twijfel trekt; dat in die omstandigheden de Raad van State zijn oordeel kan steunen op het verslag van deze landmeters en het niet nodig is tot de aanstelling van een deskundige in de zin van artikel 20 van het algemeen procedurereglement over te gaan, hetgeen in casu vanuit proces-economisch standpunt niet verantwoord is; 3.1.4.4. Overwegende dat beide landmeters hun onderzoek gebaseerd hebben op een samengesteld plan van fotografische vergroting tot schaal 1/5.000 van enerzijds de topografische kaart 16/5 Lier-Anderstadhoeve van het toenmalig Militair Geografisch Instituut (thans het Nationaal Grafisch Instituut), herziening 1971, die als basiskaart heeft gediend voor het gewestplan Mechelen (kaartblad 16/5 Lier) en anderzijds van het gewestplan Mechelen vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 VII-16.388-10/14 augustus 1976, kaartblad 16/5 Lier-Anderstadhoeve; dat beëdigd landmeter J. WUYTS in zijn verslag tot de volgende conclusie komt : "Na onderzoek van voormelde documenten en samenvoeging van het, fotografisch vergrootte, topografische plan met het Gewestplan in een samengesteld plan geeft duidelijk aan dat de ringgracht deels in het natuurgebied en deels in de zone voor milieubelastende industrie gelegen is, meer bepaald is dit het geval voor het noordelijke en noordoostelijke gedeelte van de ringgracht"; dat landmeter Jan BELMANS als besluit in zijn rapport stelt : "Uit vergelijking van beide dokumenten blijkt nu dat het noordoostelijk gedeelte van de ringgracht rondom voormeld bedrijf voor de binnenste helft in het gebied voor milieubelastende industrieën gelegen is en voor de buitenste helft in het natuurgebied. In de meest noordelijke hoek van dit gedeelte daarentegen ligt de ringgracht nagenoeg over de volle breedte in het gebied voor milieubelastende industrieën"; dat dienvolgens kan worden aangenomen dat, in tegenstelling tot wat het bestreden besluit vermeldt, de ringgracht niet volledig tot het natuurgebied behoort; dat dienvolgens niet zonder meer kan worden gesteld dat “het bufferbekken van de waterzuiveringsinstallatie is (...) gelegen in natuurgebied” en “bijgevolg onverenigbaar (
  8. is)met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften”; dat het eerste middel gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat in het tweede onderdeel van het derde middel kritiek wordt gegeven over volgende overweging in het bestreden besluit die als een bijkomend weigeringsmotief kan worden aangemerkt : "(Overwegende) dat door de lozing van bedrijfsafvalwater met zuurstofbindende stoffen in dit stilstaand water een ernstige verstoring van de waterkwaliteit dreigt"; dat de verzoekende partij samengevat betoogt dat, in tegenstelling tot de motivering van de bestreden beslissing, de verwerende partij had dienen vast te stellen dat het water van de vijver van de verzoekende partij geenszins op biochemisch en op chemisch gebied ernstig verstoord wordt door het lozen van het effluent, en dat de ringgracht geen afwateringssysteem bevat, dat de verwerende partij op geen enkele wijze motiveert dat het lozen van het effluent door de verzoekende partij niet zou voldoen aan welkdanige norm in het licht van de kwaliteitsnormen; dat de verzoekende partij verwijst naar de resultaten van de hydrogeologische studie die op de bedrijfsterreinen werd uitgevoerd door professor W. DE BREUCK in maart 1994, evenals naar diens aanvullende nota van 5 oktober 1994 waaruit blijkt dat het voldoende is om het waterpeil van de vijver van de verzoekende partij onder het VII-16.388-11/14 gemiddelde peil van de Benedennete te houden, zodat het water in de freatische laag naar de vijver toe zal bewegen en alle water in de vijver blijft; dat zij ook nog verwijst naar een studie van EPAS waaruit blijkt dat de lozing van 2,5 kg BZV-vracht per dag geen ernstige verstoring van de waterkwaliteit tot gevolg kan hebben; dat zij stelt dat de vaststellingen van EPAS worden bevestigd en versterkt door Professor FROMENT en dat deze deskundige besluit dat gemakkelijk wordt voldaan aan de verlaagde normen en aan de sectorale normen terzake; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord daarop repliceert dat aan de hand van de adviezen van de diverse adviesorganen en het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, alsook de voorhanden zijnde gegevens die in het kader van de milieuvergunningsaanvraag door de verzoekende partij werden meegedeeld, zoals bijvoorbeeld de hydrogeologische studie van de Universiteit van Gent van Professor DE BREUCK, de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, mede gelet op zijn discretionaire appreciatiebevoegdheid, tot de vaststelling kon komen dat door de lozing van bedrijfsafvalwater met zuurstofbindende stoffen in de vijver een ernstige verstoring van de waterkwaliteit dreigt; dat zij stelt dat uit het ingewonnen advies van de Vlaamse Milieumaatschappij blijkt, in weerwil van wat de verzoekende partij voorhoudt, dat na zuivering de organische stof aangeduid als Kjedhalstikstof, in het afvalwater zal voorkomen als ammoniakale stikstof, die nadelig is voor de zuurstofbalans van het oppervlaktewater, in casu de vijver, en dat hierdoor het bereiken van de basiskwaliteitsobjectieven als doelstelling voor de vijver uiteraard in het gedrang komt; 3.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in wezen herhaalt wat reeds in het verzoekschrift werd uiteengezet; dat zij er aan toevoegt dat het de Raad van State toegelaten is de materiële juistheid van de ingeroepen feiten door expertises en onderzoek te verifiëren; 3.2.4. Overwegende dat nergens in het bestreden besluit wordt gemotiveerd waarom "door de lozing van bedrijfsafvalwater met zuurstofbindende stoffen in dit stilstaand water een ernstige verstoring van de waterkwaliteit dreigt"; dat het aldus niet duidelijk is of de "ernstige verstoring van de waterkwaliteit" in casu betekent dat er een overschrijding zal zijn van bepaalde lozingsnormen en of het onmogelijk is de doelstelling van basiskwaliteitsnormen te halen; dat daarbij nog komt dat de minister er is van uitgegaan dat de waterzuiveringsinstallatie niet kan worden vergund terwijl bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de VII-16.388-12/14 stedenbouwkundige reden om die waterzuiveringsinstallatie te weigeren niet correct is; dat aangezien het een substantieel verschil uitmaakt voor de kwaliteit van het effluent of het geloosd water al dan niet vooraf behandeld is geworden in een waterzuiveringsinstallatie, het verre van zeker is of de minister tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen indien hij de waterzuiveringsinstallatie wel zou hebben vergund; dat het tweede onderdeel van het derde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 1 december 1997 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 mei 1997 houdende het gedeeltelijk verlenen aan de n.v. St. CLEMENS ZUIVELFABRIEK van de vergunning om een zuivelfabriek gelegen te 2500 Lier, Anderstad 12, verder in bedrijf te houden en te veranderen door wijziging en uitbreiding gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, in zoverre de vergunning wordt geweigerd voor de exploitatie van een afvalwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van de lozing van het effluentwater, bestaande uit bedrijfsafvalwater, huishoudelijk afvalwater en regenwater in een vijver . Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-16.388-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.388-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.047 Gerelateerde publicatie(
  9. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.74.374 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.