← België

Arrest 145048 - - 26/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.048 Rolnummer: A. 72594/VII-15036 Zaak: Arrest 145048 - - 26/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 16:01 Fiche Arrest nr 145.048 van 26 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.048 van 26 mei 2005 in de zaak A. 72.594/VII-15.036 In zake : José DEFOUR, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Grote Hertstraat 12 tegen : het Vlaamse gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat José DEFOUR op 20 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 14 oktober 1996 houdende uitspraak over het beroep dat hij had ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 11 april 1996 houdende gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker om een varkensfokkerij, gelegen aan de Joos de ter Beerstlaan 75 te Pittem, verder te exploiteren; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-15.036-1/10 Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 14 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat J. DE CONINCK die, loco Advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de memorie van antwoord en het administratief dossier buiten de voorgeschreven termijn van zestig dagen werden ingediend; dat krachtens artikel 21, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de door de verzoekende partij aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn en dat krachtens het vijfde lid, van de voornoemde wetsbepaling de laattijdig ingediende memorie van antwoord ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; 2. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 2.1 Verzoeker baat te Pittem, aan de Joos de ter Beerstlaan 75, een varkensbedrijf uit. Hij beschikt daartoe over een exploitatievergunning voor 1.500 mestvarkens en 100 zeugen, dit tot 9 april 1996. 2.2. Op 8 december 1995 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunningsaanvraag in strekkende tot de verdere exploitatie en uitbreiding van het bedrijf met 850 varkens, om het aantal te brengen op 2.350 mestvarkens. VII-15.036-2/10 Op 11 april 1996 weigert de bestendige deputatie de gevraagde uitbreiding. De vergunning wordt voor het overige verleend voor een termijn tot 31 december 2003. Als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de 1.500 varkens worden gehuisvest in de grootste stal en dat de kleinere stal niet mag worden gebruikt voor het houden van varkens. 2.3. Verzoeker tekent daartegen hoger beroep aan met een op 17 mei 1996 gedateerd en verzonden beroepsschrift, dat op 20 mei 1996 door de verwerende partij wordt ontvangen. Deze verklaart op 14 oktober 1996 het beroep gegrond wat de bijzondere voorwaarde betreft. Voor het overige wordt de in eerste aanleg genomen beslissing bevestigd. De beroepsbeslissing wordt bij aangetekende brief van 23 oktober 1996 aan verzoeker ter kennis gebracht. 2.4. Overwegende dat de bestreden beslissing volgende overwegingen bevat : "(...) Overwegende dat krachtens art. 5.9.4.1. het aantal waarderingspunten van de op de inrichting aanwezige 2 stallen 90 bedraagt, rekening houdend met de stalvloer met een roosteroppervlakte van meer dan 50%, natuurlijk verluchtings- systeem zonder afdekking en mestkelder in het stalgebouw onder rooster met geurafsnijder met beperkte opslag; Overwegende dat de aanvraag de uitbreiding van een niet gesloten varkens- fokkerij behelst met 850 varkens tot een totaal van 2350 dieren; dat het dus gaat om een niet aanzienlijke verandering; dat art. 3.2.2.2 §2 weliswaar stelt, dat voor niet aanzienlijke veranderingen in het algemeen de inplantingsregels niet gelden, doch dat titel II van het Vlarem met betrekking tot de inplanting niettemin uitzondering maakt voor varkenshouderijen; dat bijzondere inplantingsregels vervat zijn in art. 5.9.4.4.

  1. b)van titel II van het Vlarem; dat art. 5.9.4.4.
  2. b)stelt dat voormelde inrichting minstens over 151 waarderingspunten moet beschikken om de gevraagde uitbreiding toe te laten, alsook dat de inrichting moet gelegen zijn op minstens 1500 m van elk hindergevoelig gebied; dat hieraan niet voldaan is; dat bijgevolg de uitbreiding moet geweigerd worden; Overwegende dat de aanvraag ook de hernieuwing van de vergunning van voormelde niet gesloten varkensfokkerij bevat; dat art. 5.9.4.5. stelt, in afwijking van de algemene overgangsregels met betrekking tot het niet van toepassing zijn van de verbods- en afstandsregels, dat op bestaande varkenshouderijen waarvan de op 1 januari 1993 lopende vergunning vervalt vóór 1 januari 2004, de verbodsbepalingen vervat in art. 5.9.4.4. van toepassing worden op de bestaande inrichting op 1 januari 2004 ; dat dit betekent dat, gezien onderhavige inrichting evenmin voldoet aan de afstandsregel vervat in art. 5.9.4.4.
  3. a)de exploitatie ervan na 1 januari 2004 zal verboden zijn; dat dit impliceert dat de vergunning- stermijn ambtshalve moet beperkt worden tot een termijn die verstrijkt op 31 december 2003; Overwegende dat uit het inrichtingsplan blijkt dat er op deze inrichting een stal is voor 1450 mestvarkens en een stal voor 900 mestvarkens; dat in het bestreden besluit enkel de hernieuwing van 1500 mestvarkens vergund werd, en VII-15.036-3/10 daarbij bepaald werd dat enkel de grootste stal mocht in exploitatie gehouden worden; dat de beroeper terecht aanhaalt dat dit volgens de inrichtingsplannen onmogelijk is; Overwegende dat slechts de hernieuwing van de vergunning gunstig kan beoordeeld worden, zij het voor een beperkte termijn; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd: - 'dat de oorspronkelijke vergunning uitdrukkelijk het houden van 1500 mestvarkens en 100 zeugen vermeldt; dat bijlage 1 van de aanvraag de hernieuwing vraagt voor 1600 gebruiksvarkens; dat blijkens Mestbankge- gevens er op deze inrichting gedurende minstens 5 opeenvolgende jaren nooit zeugen gehouden werden; dat krachtens art. 46 van titel I van het Vlarem de vergunning voor de zeugen bijgevolg vervallen is; dat slechts de toestand bestaande uit het houden van de 1500 mestvarkens opnieuw kan vergund worden; dat dus geen inkrimping van de bestaande toestand heeft plaatsgevonden in de besluitvorming; - dat art. 5.9.4.4.
  4. b)de gevraagde uitbreiding verbiedt; - de beperkingen opgenomen in het vergunningenbesluit (besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996) gelden niet in huidige beroeps- procedure; dat aangetoond is dat de mestafzet op een ecologisch verant- woorde manier gebeurt; - de reden voor de beperking van de vergunningstermijn wordt verklaard in het onderzoekend gedeelte; - het enkel in gebruik houden van de grootste stal om er zodoende 1500 mestvarkens in te houden is niet uitvoerbaar'; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt, behoudens voor wat het uitbreiden tot 2350 varkens betreft; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen"; 3. Beoordeling 3.1.1. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 23, § 2, 24, § 2 en 25, § 2,van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, en van de artikelen 52, 5/ a en 5/ b van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) en de verzoeker vraagt dat toepassing wordt gemaakt van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet; dat in dit middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing betekend is buiten de dwingende termijn van vijf maanden, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het beroep, dat de beslissing niet alleen moet zijn genomen binnen de bij artikel 23, § 2,van het milieuvergunningsdecreet voorgeschreven termijn van vijf maanden, maar tevens binnen diezelfde termijn aan de beroeper moet worden genotificeerd, dat VII-15.036-4/10 anders deze met toepassing van artikel 25, § 2,van het milieuvergunningsdecreet aanspraak maakt op een stilzwijgende milieuvergunning; dat verzoeker stelt dat artikel 52, 5/,
  5. a)en
  6. b)van Vlarem I luidens welke bepaling een bijkomende termijn van tien dagen om de beslissing mee te delen wordt voorzien, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet moet geweerd worden nu deze bepalingen strijdig zijn met de artikelen 23, § 2 en 25, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, en met artikel 24, § 2, van hetzelfde decreet, waarin aan de Vlaamse regering enkel opdracht gegeven wordt de modaliteiten van bekendmaking van het beroep te regelen, en niet de uitspraak ingevolge het beroep; 3.1.2. Overwegende dat de bestreden beslissing werd genomen binnen de termijn van vijf maanden zoals voorgeschreven door artikel 23, § 2, van het milieuvergunningsdecreet; dat zij aan verzoeker werd meegedeeld binnen de termijn van tien dagen zoals bepaald in artikel 52, 4/,
  7. a)en
  8. c)van Vlarem I; dat het milieuvergunningsdecreet inderdaad niet de termijn vaststelt binnen dewelke de beslissingen in beroep aan de uitbater moeten worden meegedeeld; dat artikel 24, §2, van dit decreet de Vlaamse Regering machtigt om de wijze van bekendmaking en behandeling van de beroepen te regelen; dat het evident is dat de in beroep genomen beslissing aan de aanvrager moet worden ter kennis gebracht; dat het reglementair vastleggen van de termijn binnen dewelke dit moet gebeuren, kadert binnen de verplichting van de Vlaamse Regering om de behandeling van de beroepen te regelen; dat het middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat een tweede middel is geput uit de schending van de artikelen 1.1.2 en 5.9.4.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II); dat verzoeker betoogt dat de verwerende partij, niettegenstaande de betrokken inrichting als een “bestaande veeteeltinrichting” zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van Vlarem II (Definities dieren/opslag mest) moet beschouwd worden, een afstandsregel van 1.500 meter heeft toegepast om de gevraagde uitbreiding te weigeren, terwijl artikel 5.9.4.5 van Vlarem II bepaalt dat afstands- en verbodsregels op bestaande bedrijven slechts van toepassing kunnen zijn vanaf 1 januari 2004 indien de basisvergunning verstrijkt tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2004 en dat aangezien de basisvergunning van verzoeker verstreek in 1996, de verwerende partij niet wettig een afstandsregel kon opleggen; 3.2.2.1. Overwegende dat artikel 5.9.4.5., van Vlarem II, zoals het van toepassing was op het ogenblik van de bestreden beslissing, luidt als volgt : VII-15.036-5/10 "In afwijking van de algemene overgangsregel met betrekking tot het niet van toepassing zijn van de verbods- en afstandsregels op bestaande inrichtingen en onverminderd de in de milieuvergunning opgelegde voorwaarden, dienen de bestaande varkenshouderijen bij hernieuwing van de milieuvergunning na het verstrijken van de vergunningstermijn van de op 1 januari 1993 lopende vergunning, tevens te voldoen aan de verbods- en afstandsbepalingen van de art. 5.9.4.3. en 5.9.4.4., behoudens wanneer de hernieuwing betrekking heeft op een bestaande gesloten varkenshouderij en het totaal aantal varkens, zeugen inbegrepen, niet meer bedraagt dan 1800. Indien de termijn van de in het eerste lid bedoelde lopende vergunning verstrijkt voor 1 januari 2004, worden de in het eerste lid bedoelde verbodsbepa- lingen slechts vanaf 1 januari 2004 van toepassing op de bestaande inrichting. In geval de hernieuwing of de verandering van de milieuvergunning voor een in het eerste lid bedoelde varkenshouderij, andere dan een gesloten varkenshou- derij, tegelijkertijd betrekking heeft op een omvorming tot een gesloten varkenshouderij, blijft de aldus omgevormde inrichting beschouwd als een bestaande inrichting, op voorwaarde evenwel dat het aantal varkens, zeugen inbegrepen na de vernieuwing of verandering lager is dan of gelijk aan 1800"; 3.2.2.2. Overwegende dat het in deze bepaling uitdrukkelijk en uitsluitend gaat over "de hernieuwing van de milieuvergunning na het verstrijken van de op 1 januari 1993 lopende vergunning"; dat de term "hernieuwing van de milieuvergun- ning" impliceert dat er een vergunning bestaat voor datgene waarvoor de hernieuwing wordt gevraagd en dat aldus een uitbreiding van de exploitatie van het aantal dieren niet als een hernieuwing geldt; dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker over een vergunning beschikte voor de exploitatie van 1.500 mestvarkens tot 9 april 1996; dat de in artikel 5.9.4.5. van Vlarem II voorziene overgangsmaatregel voor wat verzoekers inrichting betreft dan ook enkel geldt voor zover zijn aanvraag betrekking heeft op de hernieuwing van de lopende vergunning voor 1.500 varkens; dat met het bestreden besluit de in artikel 5.9.4.5. opgenomen overgangsmaatregel werd toegepast op de gevraagde hernieuwing; dat verzoeker dat ook niet betwist; dat aangezien de door verzoeker gevraagde uitbreidingen niet ressorteren onder deze bepaling, het niet relevant is in te gaan op de discussie of de definitie van bestaande inrichting dan wel van bestaande veeteeltinrichting op de inrichting van verzoeker moet worden toegepast; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie kritiek levert op de invoering van “hindergevoelige gebieden”; dat hij meent dat dergelijke afbakening zijn verworven rechten op onrechtmatige wijze aantast; dat zulk reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring had kunnen worden ingeroepen, zodat dit nieuw middelonderdeel niet ontvankelijk is; 3.3.1. Overwegende dat in een derde middel de schending wordt aangevoerd van artikel 3.2.2.2, § 2, van Vlarem II doordat de verwerende partij in VII-15.036-6/10 het bestreden besluit beaamt dat de aanvraag tot uitbreiding van het bedrijf van beroeper kan bestempeld worden als een "niet aanzienlijke verandering" van een inrichting in de zin van artikel 3.2.2.2, § 2, van Vlarem II, waarvoor de verbods- en afstandsregels niet gelden, doch stelt dat hierop dient uitzondering gemaakt te worden voor de varkenshouderijen ingevolge de regels van de artikelen 5.9.4.4 en 5.9.4.5 van Vlarem II, terwijl voormeld artikel 3.2.2.2, § 2, van Vlarem II de verandering van een inrichting mogelijk maakt voor zover de vergroting niet meer dan 100 % bedraagt, zonder dat inplantingsregels kunnen toegepast worden en terwijl de uitdrukkelijke uitzondering die in deze bepaling gemaakt wordt voor de inplantingsregels, noodzakelijkerwijze ook moet impliceren dat deze voor de door beroeper gevraagde uitbreiding, die voldoet aan voormelde veranderingsnorm, niet kunnen toegepast worden; 3.3.2. Overwegende dat artikel 3.2.2.2, § 2, van Vlarem II ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : "Voor onderdelen van de bestaande inrichtingen die na 1 januari 1993 werden of worden veranderd (gewijzigd, uitgebreid of toegevoegd), zonder dat de vergroting meer dan 100 % bedraagt, gelden eveneens de voorschriften van dit besluit voor nieuwe inrichtingen, met uitzondering van de inplantingsregels". dat uit de bespreking van het tweede middel volgt dat voor de hernieuwing van de vergunning van verzoeker op grond van artikel 5.9.4.5 (en in afwijking van artikel 3.2.1.1) de verbods- en afstandsbepalingen moesten toegepast worden (in casu artikel 5.9.4.4 b); dat het betoog van verzoeker er op neerkomt dat artikel 3.2.2.2, §2, impliceert dat voor de uitbreiding van bestaande inrichtingen onder geen enkel beding verbods- of afstandsregels kunnen opgelegd worden; dat een dergelijke interpretatie niet verenigbaar is met hetgeen in artikel 5.9.4.5 wordt gesteld: daar waar voor de hernieuwing van een bestaande vergunning de afstandsregels van o.m. artikel 5.9.4.4 wel toegepast moeten worden (weliswaar met uitgestelde werking), zou voor de uitbreiding van dezelfde bestaande inrichting geen enkele afstandsregel mogen toegepast worden; dat uit artikel 5.9.4.5, derde lid, van Vlarem II volgt dat een bestaande inrichting, die geen gesloten varkenshouderij is, waarvoor een omvorming tot gesloten varkenshouderij gevraagd wordt (n.a.v. een hernieuwing of verandering), na de omvorming slechts als een bestaande inrichting wordt beschouwd indien het aantal varkens na vernieuwing of verandering niet hoger is dan 1.800; dat aldus de voorwaarden worden bepaald waaronder de inrichting als bestaande inrichting kan blijven beschouwd worden, zodat op deze inrichting de afstandsregels niet toegepast kunnen worden; dat verzoekers aanvraag , die niet eens een omvorming tot gesloten VII-15.036-7/10 varkenshouderij inhield, een aanvraag betrof tot uitbreiding met 850 varkens tot een totaal van 2.350 varkens; dat uit artikel 5.9.4.5 blijkt dat zowel voor de hernieuwing van een bestaande inrichting, als voor de verandering van de bestaande inrichting (en dan nog enkel voor omvorming tot gesloten varkenshouderij), het aantal van 1.800 varkens bepalend is voor het al dan niet toepassen van de afstandsregels; dat de algemene overgangsbepalingen (artikel 3.2.2.2, § 2) en de bijzondere bepalingen m.b.t. varkenshouderijen (artikel 5.9.4.5) samen moeten worden gelezen en gezamenlijk moeten worden toegepast op de aanvraag; dat derhalve zowel aan de voorwaarden van artikel 3.2.2.2, § 2, als aan deze van artikel 5.9.4.5 moet voldaan zijn om te kunnen besluiten dat de afstandsregels niet van toepassing zijn; dat de aanvraag van verzoeker om twee redenen niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.9.4.5, vermits het geen omvorming tot gesloten varkenshouderij betreft en het aantal van 1.800 wordt overschreden; dat bijgevolg de voorwaarden niet waren vervuld om de afstandsregels niet toe te passen op de aanvraag in de mate dat ze de uitbreiding betrof; dat het middel niet gegrond is; 3.4.1. Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, van artikel 3, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 20, tweede lid, van het milieuvergunningsdecreet, van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van de artikelen 6, § 1, II en 6, § 1, V van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980, zoals gewijzigd door de Bijzondere Wetten van 8 augustus 1988 en 16 juli 1993, en met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet, “Doordat de minister zich baseert op afstandsregels vermeld in artikel 5.9.4.4 van het Vlarem II-besluit om aan beroeper de milieuvergunning te weigeren voor de uitbreiding van zijn inrichting. En doordat in het bestreden besluit meer bepaald wordt gesteld, dat met een stallenwaardering van 90 punten, voor een niet-gesloten bedrijf als dit van beroeper een afstand van 1.500 meter ten opzichte van hindergevoelige gebieden dient gerespecteerd te worden. Terwijl het bedrijf van beroeper gelegen is op ongeveer 600 meter van een woongebied, en op 700 meter van woonuitbreidingsgebied, zoals ook op pagina 6 van het bestreden besluit wordt bevestigd. En terwijl de normen van artikel 5.9.4.4 van het Vlarem II besluit bijvoor- beeld een gesloten inrichting van 1.800 varkens met hetzelfde aantal waarde- ringspunten toelaten op een afstand van 300 meter, en in het algemeen dient vastgesteld te worden dat de criteria voor gesloten bedrijven veel soepeler zijn dan voor niet-gesloten bedrijven. En terwijl het gesloten maken van een varkensbedrijf impliceert dat zeugen dienen toegevoegd te worden, die ongeveer drie maal meer mest produceren dan mestvarkens (zie in dat verband de tabel opgenomen in artikel 5 van het meststoffendecreet). VII-15.036-8/10 En terwijl het onderscheid dat in artikel 5.9.4.4 van het Vlarem II-besluit gemaakt wordt tussen gesloten en de open varkensbedrijven dan ook geen verband houdt met de leefmilieuproblematiek in het algemeen en de mest- en geurproblematiek in het bijzonder. En terwijl de vraag of een open dan wel een gesloten karakter de voorkeur verdient, een louter landbouwtechnische en sanitaire aangelegenheid is die overeenkomstig de bijzondere wetten duidelijk behoort tot de traditionele, federale landbouwbevoegdheden. En terwijl de sterk gedifferentieerde afstandsregels die artikel 5.9.4.4 van het Vlarem II-besluit bevat voor enerzijds de gesloten en anderzijds de niet-gesloten varkensbedrijven, derhalve elke rechtsgrond missen, minstens niet in evenredig verband staan tot de milieuhinder die door onderscheiden varkensbedrijven veroorzaakt wordt. En terwijl artikel 5.9.4.4 van het Vlarem II-besluit op leefmilieugebied een onwettige discriminatie creëert van de niet-gesloten varkensbedrijven, die op ecologisch vlak niet meer hinder veroorzaken dan de gesloten bedrijven. En terwijl de overheid ook in de uitoefening van haar reglementaire bevoegdheden erover moet waken dat geen niet te verantwoorden ongelijkheden worden in het leven geroepen, en dat de beginselen van behoorlijk bestuur geëerbiedigd worden. En terwijl artikel 5.9.4.4 van het Vlarem II-besluit dan ook onwettig is, in zoverre het een onderscheid maakt tussen de gesloten en de niet-gesloten varkensbedrijven en dit onderscheid als criterium hanteert voor het stellen van afstandsregels ten opzichte van hindergevoelige gebieden, en in zoverre dit onderscheid een niet-verantwoorde ongelijkheid creëert en voorwaarden oplegt aan de niet-gesloten bedrijven die buiten proportie zijn ten opzichte van de voorwaarden waaraan de gesloten bedrijven moeten voldoen. En terwijl het bestreden besluit, dat toepassing maakt van een onwettige bepaling, derhalve evenzeer onwettig is.”; 3.4.2. Overwegende dat de inrichting van verzoeker slechts 90 waarderingspunten kreeg toegekend; dat indien verzoeker zijn aanvraag tot uitbreiding zou hebben gecombineerd met een omvorming naar een gesloten varkenshouderij hij evenmin de vergunning had kunnen krijgen, vermits, op grond van artikel 5.9.4.4. van Vlarem II ook voor gesloten varkenshouderijen met meer dan 1.800 varkens een absoluut verbod gold wanneer de inrichting minder dan 151 waarderingspunten behaalt; dat verzoeker dan ook geen nadeel heeft ondervonden ten gevolge van het door hem aangeklaagde onderscheid en bijgevolg geen belang heeft bij het inroepen van dit onderdeel van het middel; 3.4.3. Overwegende dat verzoeker eveneens aanvoert dat het Vlaamse Gewest zijn bevoegdheid overschreden heeft door in artikel 5.9.4.4 van Vlarem II een onderscheid te maken tussen gesloten en niet-gesloten varkenshouderijen, terwijl dit onderscheid geen enkel verband zou houden met de leefmilieuproblematiek in het algemeen, en met de mest- en geurproblematiek in het bijzonder; dat verzoeker echter niet verduidelijkt op grond van welke specifieke bevoegdheidsverdelende regel VII-15.036-9/10 het instellen van een onderscheid tussen gesloten en open varkenshouderijen en de daarmee samenhangende onderscheiden afstandsregels, niet zou kunnen worden gekaderd binnen de aan de Gewesten toegewezen bevoegdheid inzake leefmilieu en dat het instellen van dit onderscheid in het kader van de federale bevoegdheid inzake landbouwbeleid exclusief zou voorbehouden zijn aan deze overheid; dat dit middelonderdeel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.036-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.