← België

Arrest 145050 - - 26/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.050 Rolnummer: A. 80095/VII-17079 Zaak: Arrest 145050 - - 26/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 16:01 Fiche Arrest nr 145.050 van 26 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.050 van 26 mei 2005 in de zaak A. 80.095/VII-17.

  1. In zake :
  2. Noël VAN CEUNEBROUCKE,
  3. Marie-Antoinette DE MERLIER,
  4. Bart DE BAERDEMAEKER, die woonplaats kiezen bij Advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  5. tussenkomende partij : Lode VAN WAMBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël VANCEUNEBROUCKE, Marie-Antoinette DE MERLIER en Bart DE BAERDEMAEKER op 1 september 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 22 juni 1998 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 11 december 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende het verlenen van de vergunning aan Lode VAN WAMBEKE om een landbouwbedrijf aan de Stooktestraat 4 te Kluisbergen, te veranderen. Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 5 maart 1999 ingediend door Lode VAN WAMBEKE; VII-17.079-1/7 Gelet op de beschikking van 18 maart 1999 die de tussenkomst van Lode VAN WAMBEKE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 7 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Gw. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat M. VAN MAELE die, loco Advocaat E. VAN ACKER, verschijnt voor de verwerende partij en van Advocaat E. RENTMEESTERS die, loco Advocaat W. DE CUYPER, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. De feiten 1.
  8. Op 17 september 1986 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kluisbergen aan een vorige exploitant een (ARAB)vergunning voor de exploitatie van een stal met 75 zeugen en 300 mestvarkens, voor een termijn van vijftien jaar. VII-17.079-2/7 1.
  9. Op 1 april 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een vergunning voor, onder meer, de regularisa- tie van 125 zeugen en 300 mestvarkens, en de uitbreiding met een mestvarkensstal voor 850 dieren. In beroep wordt deze vergunning op 8 oktober 1993 door de bevoegde minister gewijzigd in een vergunning ter regularisatie van 85 zeugen en 300 mestvarkens, en de uitbreiding met een stal voor 560 mestvarkens. Op 22 april 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen een bouwvergunning ter regularisatie van onder meer een varkensstal. Het college van burgemeester en schepenen weigert op 6 juni 1994 een bouwvergunning voor een nieuwe varkensstal voor de uitbreiding met 560 varkens. In beroep verleent de bestendige deputatie van de provincieraad deze bouwvergunning op 15 september 1994, maar ze wordt vervolgens door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 53.975 van 22 juni 1995 en vernietigd bij arrest nr. 62.643 van 22 oktober
  10. 1.
  11. Als gevolg van een aanvraag, door de tussenkomende partij ingediend op 23 juli 1997, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 11 december 1997 een vergunning voor het verplaatsen van 560 mestvarkens naar de te verbouwen aardappelloods. 1.
  12. Tegen deze beslissing tekenen onder meer de drie verzoekende partijen administratief beroep aan. 1.
  13. Op 22 juni 1998 wordt de bestreden beslissing genomen : het in eerste aanleg genomen besluit wordt bevestigd;
  14. Ontvankelijkheid Overwegende dat de bestreden beslissing een verandering toeliet van een lopende vergunning; dat deze basisvergunning is verstreken op 17 september 2001; dat het auditoraat met een brief van 1 juni 2004 aan de raadsman van de verzoekende partijen heeft gevraagd om te laten weten of zijn cliënten menen nog belang te hebben bij hun beroep, en om het actueel belang desgevallend toe te lichten; dat met een brief van 19 juli 2004 als volgt wordt geantwoord : "Als antwoord op uw brief van 1 juni 2004 laat ik U namens cliënten weten de procedure te willen voortzetten. VII-17.079-3/7 Verzoekers voldeden immers aan de vereiste van het persoonlijk belang gesteld door art. 19 van de gecoördineerde wetten Raad van State. In deze bepaling is geen vereiste gesteld over het behoud van het belang na indiening van het verzoekschrift. De vereiste van het actueel belang, i.c. bijna 6 jaar nadat het verzoekschrift werd ingediend (nl. op 1 september 1998) is dan ook m.i. niet noodzakelijk te bewijzen. Overigens zijn er wel degelijk verschillende aspecten van actueel belang, ook al is de termijn van de bestreden vergunning voorbij. Zo is een uitspraak ten gronde noodzakelijk opdat de wederpartij kan veroordeeld worden tot de gedingkosten. Het gaat dus om een materieel belang. Bovendien is een uitspraak ten gronde van belang om het recht op een gezond leefmilieu te helpen vrijwaren. Uit een uitspraak ten gronde kunnen immers zaken geleerd worden op het vlak van milieubescherming, waar het verzoekers vooral om te doen is. Zonder in de plaats van anderen te willen treden, is het trouwens i.c. ook voor de andere partijen belangrijk om te weten wat er nu goed of fout zit met dergelijke milieuvergunning. De nieuwe vergunning is trouwens zeer gelijkaardig: 160 zeugen, 600 mestvarkens, aanleggen van een groenscherm, geurfilter indien het aantal varkens groter is dan 160 zeugen en 600 mestvarkens. Een soort cognitief en dus moreel belang in feite, waarmee niets mis is. Is het ook niet logisch in een rechtsstaat dat wanneer een vordering tijdig wordt ingesteld, over deze vordering wordt beslist? Verscheidene arresten van het Arbitragehof wijzen toch ook in de richting dat de wijziging van een situatie tijdens het geding niet doorslaggevend mag zijn om het persoonlijk belang te beoordelen: zie bv. onlangs het arrest nr. 13/2004 van 21 januari 2004 (B.S. 3 mei 2004). Bovendien hebben verzoekers het recht om schadevergoeding te eisen wanneer blijkt dat gedurende de jaren van de inmiddels vervallen milieuvergun- ning, de exploitatie ten onrechte heeft plaatsgevonden. Zij zijn niet verplicht om nu reeds deze schade-eis te begroten of te formuleren. Tot zover enkele argumenten die reeds kunnen worden geformuleerd om het belang bij de vordering te behouden. Argumentatie die uiteraard zo nodig in een laatste memorie zal worden hernomen of aangevuld"; dat verzoekers in hun laatste memorie het volgende stellen : "(...) 2.
  15. Anderzijds verzetten verzoekers zich tegen de vereiste dat het belang een 'rechtstreeks' belang moet zijn. Over deze voorwaarde heeft het Arbitragehof zich nog niet uitgesproken. Verzoekers menen dat zowel hun rechtstreekse als hun onrechtstreekse belangen in aanmerking komen als 'belang' in de zin van art. 19 van de gecoördineerde wetten. Zie ook nog infra. 2.
  16. In huidig geval zou er geen actueel belang meer zijn omdat de vergun- ning vervallen is sinds 17 september
  17. Welk belang hebben verzoekers dan nog bij een vernietiging meer dan drie jaar later ? Het actueel belang is onder meer nog hierin gelegen : 1/) terugbetaling van drie maal fiscale zegels. In principe vergt dit een onderzoek van de grond van de zaak en dus een vernietiging. 2/) de vernietiging van de betwiste milieuvergunning heeft als rechtsgevolg dat deze ex tunc en erga omnes uit het rechtsverkeer verdwijnt. VII-17.079-4/7 Dit is onmiskenbaar een belangrijk rechtskundig voordeel voor verzoekers. Een vernietigde vergunning kan geen enkel voordeel meer opleveren aan degene die ze destijds heeft verkregen. Enkel de Raad van State heeft deze bevoegdheid; niet de burgerlijke rechtbank bv. o.g.v. art. 159 Grondwet. 3/) de vernietiging van de vergunning bewijst ontegensprekelijk dat de vergunning onrechtmatig werd afgeleverd. Uit hetgeen verzoekers in hun verzoekschrift hebben medegedeeld, is een annulatiearrest dan ook de bevestiging van deze klacht wegens onrechtmatig handelen door een onrechtmatig vergunde exploitatie, dit gedurende minstens 3 jaar, wat voor verzoekers een belangrijk moreel en materieel gegeven is. 4/) door de annulatie hebben verzoekers een titel op grond waarvan zij wegens onterecht geleden schade schadevergoeding kunnen eisen bij de burgerlijke rechtbank. Vordering die momenteel zeker nog niet verjaard is (art. 2262 bis B.W.). Schade als gevolg van o.a. de intensieve kweek van 1320 varkens waarvan 160 zeugen, de mestopslag van 2140 m³, ... met alle geur- en stofhinder, grondwatervervuiling e.d. vandien. 5/) de annulatie zal ook de rechtsgeldigheid van de huidige exploitatie aantasten; exploitatie die nog steeds heel wat milieuhinder voor verzoekers oplevert. De vernietiging zal immers voor gevolg hebben dat de exploitatie op basis van de vernietigde milieuvergunning gedurende minstens drie jaar moet geacht zijn illegaal uitgeoefend geweest te zijn. Aldus komt ook de rechtsgeldigheid van de nieuwe milieuvergunning dd. 26 april 2001 en de actename kleine verandering dd. 22 november 2001 op de helling te staan. (...) Verzoekers hebben deze nieuwe milieuvergunning van 26 april 2001 die een hernieuwing is van de voorgaande, niet aangevochten bij de Raad van State juist ook omdat zij van mening waren dat de vernietiging van de vorige vergunning ook tot een oplossing van het milieuprobleem zou leiden en dus tot een verbetering van hun persoonlijk leefmilieu. 2.
  18. Verzoekers beseffen dat het punt 5/ hiervoor in een bepaalde interpreta- tie kan beschouwd worden als een onrechtstreeks belang. Mocht Uw Raad van oordeel zijn dat een onrechtstreeks belang geen belang is in de zin van art.19 van de gecoördineerde wetten, vragen verzoekers dat vooraleer recht te doen aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou gesteld worden, nl. 'Is art. 19 van de gecoördineerde wetten Raad van State in strijd met – eerstens – art. 10 en 11 en art. 13 Grondwet op zich en – tweedens – met art. 10 en 11 Grondwet in samenhang met art. 13 en art. 160 Grondwet doordat een verzoeker die (...) een annulatievordering instelt tegen een administratieve rechtshandeling afgewezen wordt en dus van de rechter onttrokken wordt die de (Grond)wet hem toekent, wanneer hij enkel een onrechtstreeks belang heeft bij de vordering tot vernietiging, terwijl een verzoeker (...) die een rechtstreeks belang heeft bij de vordering tot vernietiging niet onttrokken wordt van de rechter die de (Grond)wet hem toekent, nl. de Raad van State; in ondergeschikte orde is art. 19 van de gecoördineerde wetten in strijd met voornoemde bepalingen indien het in die zin moet geïnterpreteerd worden dat enkel het rechtstreeks belang als een belang in aanmerking komt voor de vordering tot vernietiging ex. art. 14 van de gecoördineerde wetten ?'"; Overwegende dat de indiener van een annulatieberoep het vereiste belang dient te behouden tot aan de uitspraak ten gronde; dat het belang dat er in VII-17.079-5/7 bestaat dat een uitspraak ten gronde nuttige jurisprudentie zou kunnen opleveren, het annulatieberoep tot een loutere actio popularis herleidt; dat het arrest van het Arbitragehof waarnaar de verzoekers verwijzen stelt dat de wetgever de mogelijk- heid om bij de Raad van State de nietigverklaring van een administratieve rechtshan- deling te vorderen heeft voorbehouden aan de personen die doen blijken van een belang en dat de wetgever aan de Raad van State de zorg heeft overgelaten om dat begrip inhoud te geven; dat de verzoekers werden uitgenodigd aan te tonen welk voordeel de vernietiging van een bestuurlijke weigeringsbeslissing hun nog kan opleveren; dat het enige concrete wat de verzoekende partijen naar voor brengen om hun actueel belang aan te tonen de mogelijkheid is dat een vernietigingsarrest aan hen een titel zou verschaffen om schadevergoeding te vorderen; dat het belang dat erin bestaat een titel te bekomen om voor de "gewone" rechter schadevergoeding te vorderen, niet rechtstreeks is verbonden aan het uit het rechtsverkeer verwijderen van een onwettige bestuurshandeling, maar aan het gegrond horen verklaren van een middel; dat de "gewone" rechter in een procedure tot schadevergoeding de onwettigheid van een bestuurshandeling kan vaststellen; dat de bewering dat de vernietiging van de bestreden beslissing ook de rechtsgeldigheid van de huidige exploitatie zal aantasten te dezen niet opgaat; dat de vergunning met betrekking tot die exploitatie niet werd aangevochten en definitief is geworden; dat dit door verzoekers aangehaalde element een onbestaand belang betreft, en geen onrecht- streeks belang; dat het dan ook overbodig is de in dat verband door de verzoekers gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; dat de verzoekers niet meer doen blijken van het rechtens vereiste belang; dat het beroep bijgevolg moet worden verworpen; dat het beroep initieel niet kennelijk onontvankelijk of ongegrond werd bevonden en het verlies aan belang niet aan de verzoekers is te wijten; dat het past de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-17.079-6/7 De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.079-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.