← België

Arrest 145093 - - 27/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.093 Rolnummer: A. 65992/X-10630 Zaak: Arrest 145093 - - 27/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 16:08 Fiche Arrest nr 145.093 van 27 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.093 van 27 mei 2005 in de zaak A. 65.992/X-10.

  1. In zake :
  2. de n.v. HERMACO,
  3. de n.v. GRALEX,
  4. de n.v. GROEFUITBATING MAASLAND,
  5. de n.v. LUGO,
  6. de n.v. NIEUWE GRINDMAATSCHAPPIJ, die woonplaats kiezen bij Advocaten H. GEYSKENS, A. VANDEURZEN, A. VAN der GRAESEN, C. COOMANS, M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. HERMACO, de n.v. GRALEX, de n.v. GROEFUITBATING MAASLAND, de n.v. LUGO en de n.v. NIEUWE GRINDMAATSCHAPPIJ op 16 oktober 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 juni 1995 van de Vlaamse regering "houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Maaseik, Dilsen-Stokkem, Kinrooi en Maasmechelen", bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 augustus 1995; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 31 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien laatste memorie van de verzoekende partijen; X-10.630-1/7 Gelet op de beschikking van 17 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. BOES, die verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen alle vennootschappen zijn en stellen dat zij aan grindwinning doen; dat overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgesteld gewestplan Limburgs Maasland het gebied "Armenbos-De Wateringen", gelegen op de grens van de gemeente Maaseik en Dilsen, als reservegebied voor de ontginning van grind wordt aangeduid; dat het thans bestreden besluit van 1 juni 1995 van de Vlaamse regering "houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Maaseik, Dilsen-Stokkem, Kinrooi en Maasmechelen", de oorspronkelijke gewestplanbestemming wijzigt; dat voormeld gebied "Armenbos-De Wateringen" thans niet meer wordt opgenomen als ontginningsgebied; Overwegende dat verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring onder de rubriek "I. Uiteenzetting der feiten", onder meer uiteenzetten wat volgt : "I.
  7. Wie zijn de verzoekende partijen ? * Het gewestplan Limburg Maasland, vastgesteld bij K.B. van 01.09.1980, heeft voor de ontginning van grind essentieel een aantal standpunten ingenomen, waaronder het principe dat voor de effectieve ontginning van de reservegebieden aan bepaalde voorwaarden moet voldaan worden (art. 7 van de aanvullende voorschriften). Deze voorwaarden betreffen voornamelijk de noodzaak van een voorafgaand goedgekeurd onteigeningsplan, de goedkeuring van een plan voor de nabestemming en de nodige garanties daartoe. Eén van de aldus aangeduide reserve-gebieden is het gebied 'Armenbos-De Wateringen', op de grens van de gemeente Maaseik en Dilsen. X-10.630-2/7 * Bij het vaststellen van het gewestplan was het de bedoeling van de overheid dat de overheid gronden, zoals het gebied Armenbos-De Wateringen, zou verwerven om ze daarna ter beschikking te stellen van de grindexploitanten die aan het einde van de lopende ontginningen waren gekomen. (...) I.
  8. Wat is het probleem? * De vijf verzoekende partijen richtten in 1989 een Tijdelijke Handelsvereniging, Becogri, op omwille van het feit dat elk van deze exploitanten het einde zag naderen van zijn lopende ontginningen en ook op aanraden van GOM-Limburg. Reeds eerder waren contacten gelegd met de bevoegde overheden om te vernemen waar de exploitanten in de reservegebieden verder zouden kunnen ontginnen. Er werd evenwel vastgesteld dat van overheidswege geen initiatieven te verwachten waren in verband met de ontsluiting van de reservegebieden. Bijgevolg bleef er voor de voormelde exploitanten geen andere keuze over dan zelf een initiatief te nemen, indien zij wilden vermijden dat de boeken niet zouden moeten neergelegd worden. Het doel van de Tijdelijke Handelsvereniging was om gronden in mede(-)eigendom te verwerven in het reservegebied 'Armenbos - De Wateringen'. Elk van de verzoekende partijen zag immers het einde van de lopende ontginningen naderen. Van overheidswege waren geen initiatieven te verwachten m.b.t. de ontsluiting van de reservegebieden ondanks artikel 7 van de aanvullende stede(n)bouwkundige voorschriften van gewestplan Limburgs Maasland. Daarnaast zou men ook samenwerken om het nodige te doen tot het bekomen van de vereiste vergunningen. Daarna zou men ook overgaan tot een gezamenlijke exploitatie. * Op 22.12.1994 hebben verzoekende partijen bezwaar ingediend tegen de beschikkingen van het voorlopig vastgesteld ontwerp-gewestplan Limburg-Maasland, vastgesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 25.05.1994 en verschenen in het Belgisch Staatsblad van 26.07.
  9. Met dat bezwaar werd in het alhier bestreden besluit in feite geen rekening gehouden. * Het bestreden besluit schrapt 'Armenbos - De Wateringen' als ontginningsgebied. Het bestaan van de Tijdelijke Vereniging heeft geen nut meer. Het is duidelijk dat dit voor verzoekers een catastrofe betekent. (...) Nu het grinddecreet goedgekeurd is, kan men niet onder de vaststelling uit dat buitenlandse groepen, die gronden aangekocht hebben buiten de thans voorziene ontginningsgebieden, bevoordeeld worden in vergelijking met de inheemse bedrijven, omdat de gebieden Boterakker en Meerheuvel bestemd zijn als ontginningsgebied, en dit vroeger niet waren."; Overwegende dat het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat met een schrijven van 27 juli 2001 de raadsman van de verzoekende partijen heeft verzocht, onder meer, hem mede te delen "waarin verzoeksters' belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing (nog) is gelegen, gelet op het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning, meer bepaald op, onder meer de artikelen 16 en 17", en hem tevens heeft gevraagd of "verzoeksters een vergunning bezitten of bezaten X-10.630-3/7 voor de exploitatie van een grindwinning in het zgn. gebied 'Armenbos-De Wateringen' en of zij eigenaar zijn van of ontginningsrechten hebben in voormeld gebied"; dat de raadsman van de verzoekende partijen met een brief van 28 september 2001 heeft geantwoord wat volgt : "Op basis van de gegevens die wij van cliënten mochten ontvangen kunnen wij u in antwoord op uw brief van 27/7 jl. meedelen dat onze cliënten nog steeds belang hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Het zijn juist de wijzigingen van het Gewestplan die onze cliënten belet hebben om een vergunning te krijgen in het gebied Armenbos-De Wateringen, waarin onze cliënten belangen hebben. De huidige aangeduide reserves zijn niet toereikend om alle quota in te vullen tot
  10. Er zullen derhalve nieuwe zones moeten ingekleurd worden. In die optiek is een vernietiging van het bestreden besluit nuttig. Onze cliënten zijn immers van mening dat de ecologische impact van het ontginnen in Armenbos-De Wateringen, niet groter zou geweest zijn dan het nu het geval is in de huidige ontginningszones. 2) Als bijlage vindt u de gevraagde publicaties in het Belgisch Staatsblad. Voor zover deze gegevens nog niet voldoende zouden zijn om te antwoorden op uw brief van 27/7 zijn wij vanzelfsprekend bereid op uw eerste verzoek bijkomende vragen van u aan onze cliënten voor te leggen."; Overwegende dat uit voormelde uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring volgt dat verzoeksters hun belang bij de nietigverklaring enkel en alleen situeren in de bestemming die door het bestreden besluit aan het zgn. gebied "Armenbos-De Wateringen" is gegeven, meer bepaald doordat dit gebied niet tot "ontginningsgebied" werd bestemd of minstens, zoals voorheen de bestemming "reservegebied voor ontginning" heeft behouden, doch integendeel als mogelijk ontginningsgebied werd geschrapt; dat verzoeksters noch in hun verzoekschrift, noch in hun toelichtende memorie, noch, hoewel daarom uitdrukkelijk gevraagd, in hun schrijven van 28 september 2001, enig concreet gestaafd gegeven hebben aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat zij, in voornoemd gebied, gronden en of vergunningen bezitten of bezaten voor de exploitatie van een grindwinning en/of er ontginningsrechten bezaten; dat het belang van verzoeksters zoals door hen voorafgaand aan het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat omschreven erin is gelegen dat zij als exploitanten van grindontginning ingevolge de bestreden bestemmingswijziging niet meer tot de effectieve grindontginning in het gebied "Armenbos-De Wateringen" kunnen overgaan, waardoor het bestaan van de tussen hen opgerichte Tijdelijke Handelsverenining BECOGRI geen nut meer zou hebben; dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat verzoekende partijen zich in wezen beroepen op hun hoedanigheid van grindproducenten om hun belang bij het beroep aan te tonen; X-10.630-4/7 Overwegende in zover verzoekende partijen zich op hun hoedanigheid van grindproducenten beroepen, uit het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het grindfonds en tot regeling van de grindwinning (Belgisch Staatsblad 14 oktober 1993) blijkt dat overeenkomstig artikel 14, §1, "vanaf 1 januari 2006 (...) er een einde wordt gemaakt aan elke activiteit van grindwinning in de provincie Limburg"; dat artikel 16, § 1, eerste lid, stelt dat "ten einde een planmatige en geleidelijke afbouw van de grindwinningssector te verwezenlijken tegen 1 januari 2006, de Vlaamse regering om de twee jaar het totaal productiequotum voor grindwinning bepaalt"; dat luidens artikel 16, §1, tweede lid, zoals van toepassing op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring, dit quotum "onder de houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van een grindwinning (wordt) verdeeld pro rata van het gemiddelde productievolume van de meest representatieve productiejaren tijdens de periode van vijftien jaar die voorafgaat aan de jaren waarop het productiequotum betrekking heeft"; dat, vermits het zgn. gebied "Armenbos-De Wateringen" voorheen bestemd was als een "reservegebied voor ontginning", het geen "effectief grindwinningsgebied" was als bedoeld in artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van 14 juli 1993, d.i. luidens deze bepaling een gebied waarop op de datum van het vaststellen van het betrokken ontwerp van gewestplan vergunde grindwinning plaatsvindt of mag plaatsvinden; dat daaruit volgt dat zélfs zo dit gebied door het bestreden gewestplan zou zijn aangemerkt als een "nieuw grindwinningsgebied", in de zin van artikel 2, 11/, van voornoemd decreet, een exploitatievergunning, luidens artikel 18, eerste lid, 3/, slechts kan worden verleend, nadat de GOM de eigendom van dit gebied heeft verworven en met de exploitant een concessie-overeenkomst heeft afgesloten; dat ook indien het betrokken gebied zijn bestemming als reservegebied zou hebben behouden, de daarin begrepen gronden overeenkomstig artikel 17, §3 door de GOM zouden worden verworven en dat, zo een reservegebied uiteindelijk nog zou worden aangesneden, luidens artikel 20, §1, eerste lid, "aan de houders van een in toepassing van artikel 16 toegewezen productiequotum (...) een trekkingsrecht (wordt) verleend" op dat gebied "rekening houdend met (het) hun toegewezen productiequotum"; dat uit het voorgaande blijkt dat de in voorkomend geval aan de verzoekende partijen toegewezen productiequota totaal losstaan van de bestemming van het betrokken gebied "Armenbos-De Wateringen"; dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste actueel belang; dat de argumentatie dat "de huidige aangeduide reserves niet toereikend zijn om alle quota in te vullen tot 2005" en "er derhalve nieuwe zones moeten ingekleurd worden" aan voormelde vaststellingen geen afbreuk doet; X-10.630-5/7 Overwegende dat verzoekende partijen in hun laatste memorie nog aanvoeren dat zij met een brief van 28 oktober 2001 kopieën van een aantal notariële akten aan de Raad van State hebben overgemaakt, waaruit blijkt dat zij wel degelijk eigenares zijn van gronden in het betrokken gebied, en dat zij alleen reeds in die hoedanigheid doen blijken van een rechtmatig belang, zodat de door de Auditeur- verslaggever in zijn verslag over de zaak, dat de brief van 28 oktober 2001 blijkbaar heeft gekruist, ambtshalve opgeworpen exceptie van gebrek aan belang niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de brief van 27 juli 2001 waarin de Auditeur- verslaggever de verzoekende partijen heeft verzocht hem mede te delen of zij "een vergunning bezitten of bezaten voor de exploitatie van een grindwinning in het zgn. gebied 'Armenbos-De Wateringen' en of zij eigenaar zijn van of ontginningsrechten hebben in voormeld gebied", door hen werd ontvangen op 30 juli 2001; dat zij in hun met een brief van 28 september 2001 verzonden antwoord geen melding hebben gemaakt van enige vergunning of eigendomsrecht in het betrokken gebied; dat de Auditeur-verslaggever op grond van de hem door de verzoekende partijen verstrekte gegevens in zijn verslag, dat is gedagtekend 16 oktober 2001, d.i. van voor de betrokken kopieën van de eigendomsakten aan de Raad van State werden verzonden, terecht heeft vastgesteld "dat verzoeksters noch in hun verzoekschrift, noch in hun toelichtende memorie en trouwens, hoewel daarom expliciet gevraagd, evenmin in hun schrijven van 28 september 2001, enig concreet gestaafd gegeven hebben aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat zij, in voornoemd gebied, gronden en of vergunningen bezitten of bezaten voor de exploitatie van een grindwinning en of er ontginningsrechten bezaten"; dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat verzoekende partijen hebben verzuimd op het gepaste ogenblik de gevraagde inlichtingen te verschaffen aan de magistraat gelast met het onderzoek van de zaak; dat deze terecht uit de gegevens waarover hij beschikte het gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen heeft afgeleid; dat het feit dat verzoekende partijen met een brief van 18 oktober 2001, dit is nadat het verslag reeds was opgesteld, alsnog op de vragen van de Auditeur-verslaggever met betrekking tot mogelijke eigendomsrechten hebben geantwoord, geen afbreuk doet aan deze vaststelling; dat daarenboven er nu anders over oordelen zou betekenen dat de Auditeur-verslaggever andermaal, maar nu bij arrest zou moeten worden gelast met het onderzoek van de grond van de zaak - onderzoek dat hij, toen het ogenblik daarvoor gekomen was, niet heeft kunnen doen ingevolge het gebrek aan medewerking van de verzoekende partijen; dat dergelijke opdracht, die het normale verloop van de procedure verstoort, niet kan worden X-10.630-6/7 gegeven terwille van partijen die zelf hebben nagelaten de vereiste medewerking aan de procedure te verlenen; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 495,80 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een vijfde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.630-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.