← België

Arrest 145095 - - 27/05/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.095 Rolnummer: A. 111407/X-10596 Zaak: Arrest 145095 - - 27/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 16:09 Fiche Arrest nr 145.095 van 27 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.095 van 27 mei 2005 in de zaak A. 111.407/X-10.596 In zake :

  1. Goedewille DE LILLE,
  2. Monica VAN HYFTE, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Goedewille DE LILLE en Monica VAN HYFTE op 11 oktober 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 augustus 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van hun beroep tegen het uitblijven van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over hun beroep tegen het besluit van 11 december 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse houdende weigering van de verkavelingsvergunning voor een perceel gelegen aan de Keersmaekerstraat te Asse, kadastraal bekend Sectie A, nr. 67/c; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 24 februari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.596-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. DE PRETER die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat T. DE KETELAERE die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen eigenaar zijn van een perceel gelegen aan de Keersmaekerstraat te Asse, kadastraal bekend Sectie A, nr. 67/c; dat het betrokken perceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is gelegen in een "reservegebied voor woonwijken", dat dit een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift betreft; dat naar luid van dit voorschrift het gebied "bestemd (is) voor de aanleg van woonwijken die als stedenbouwkundig geheel zijn opgevat" en dat die bestemming evenwel "maar kan worden verwezenlijkt nadat zij in een door de Koning - thans de Vlaamse regering - goedgekeurd bijzonder plan van aanleg is vastgesteld"; dat dit perceel niet is gelegen binnen een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling; dat het voormeld perceel, onder meer samen met het perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 79/c, deel uitmaakt van hetzelfde "reservegebied voor woonwijken" en dat de Raad van State bij arrest nr. 26.736 van 26 juni 1986, het voornoemd gewestplan heeft vernietigd "in zoverre het de grond gelegen in de gemeente Zellik, en kadastraal bekend onder sectie A, nr. 79/c, tot reservegebied voor woonwijken bestemt"; dat de verzoekende partijen op 14 december 1999 met een ter post aangetekend schrijven de bevoegde minister hebben gewezen op de onwettigheid van het X-10.596-2/7 voormeld gewestplanvoorschrift ook wat hun perceel betreft en dat zij de minister hebben verzocht om de fout recht te zetten; dat hun verzoek zonder gevolg is gebleven; dat de verzoekende partijen op 3 augustus 2000 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse de vergunning hebben aangevraagd voor het verkavelen van hun perceel in twee loten; dat zij bij hun aanvraag een nota hebben gevoegd waarin zij wijzen op de onwettigheid van het gewestplan; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse bij besluit van 11 december 2000 de verkavelingsvergunning heeft geweigerd ingevolge het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van 4 december 2000; dat de verzoekende partijen op 2 mei 2001 een beroep hebben ingesteld bij de bevoegde Vlaamse minister ingevolge het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over hun beroep tegen de voormelde weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening bij het thans bestreden besluit van 16 augustus 2001 het beroep ingediend door de verzoekende partijen heeft verworpen; Overwegende dat de verwerende partij een exceptie van ontvankelijkheid opwerpt; dat zij stelt dat het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring niet op pertinente wijze is geformuleerd, doordat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift tot nietigverklaring bij het voorwerp van het beroep vermelden dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse de verkavelingsvergunning heeft geweigerd voor het perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 76/c, dat zij echter een verkavelingsaanvraag hebben ingediend voor het perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 67/c en dat de bestreden beslissing eveneens verwijst naar het perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 67/c; Overwegende dat de verzoekende partijen repliceren dat het duidelijk een verschrijving betreft met betrekking tot de perceelnummers, dat de aanduiding van de bestreden beslissing overduidelijk op een voldoende wijze is gebeurd om de verwerende partij in staat te stellen om een verweer op te stellen, dat de bestreden beslissing bovendien bijgevoegd was aan het verzoekschrift tot nietigverklaring, dat de verwerende partij zeer goed weet over welke beslissing het gaat nu zij deze beslissing woordelijk overneemt in haar memorie van antwoord, dat de gemelde schrijffout geenszins een reden is om het verzoekschrift als onontvanke- lijk te verwerpen; X-10.596-3/7 Overwegende dat de materiële vergissing in de vermelding van het betrokken perceelnummer niet heeft belet dat de bestreden beslissing, die overigens in bijlage bij het verzoekschrift was gevoegd, probleemloos geïdentificeerd kon worden, ook door de verwerende partij die het door de verzoekende partijen aangevoerde middel heeft behandeld en besproken; dat de exceptie moet worden verworpen; Overwegende dat de verzoekende partijen als enig middel de schending aanvoeren van artikel 159 van de Grondwet en van de artikelen 9 en 13 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw doordat de bestreden beslissing is gegrond op een gewestplanvoorschrift dat tot stand is gekomen in strijd met de in het middel vermelde bepalingen, terwijl een beslissing omtrent een verkavelingsaanvraag niet kan zijn gesteund op een gewestplanvoorschrift dat onwettig tot stand is gekomen; dat zij in de toelichting bij het middel uiteenzetten dat het perceel volgens het ontwerp- gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is gelegen in woonuitbreidingsgebied, dat het ontwerp niet het voorwerp is geweest van bezwaren of opmerkingen in verplicht in te winnen adviezen, dat niettemin de bestemming in het uiteindelijke gewestplan is gewijzigd in "reservegebied voor woonwijken", dat dit volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State in strijd is met de wettelijke regels in verband met het organiseren van het openbaar onderzoek, dat zulks in deze ook blijkt uit het arrest van de Raad van State nummer 26.736 van 26 juni 1986 dat handelt over een ander perceel in hetzelfde woonuitbreidingsgebied, dat de verwerende partij dit gegeven niet betwist en zelfs impliciet lijkt te bevestigen, dat het middel alleen al gegrond is omdat de bestreden beslissing is gesteund op een onwettig gewestplanvoorschrift, dat het verweer van de verwerende partij als zou de gewestplanbestemming nog uitdrukkelijk moeten worden opgeheven wel correct is maar niet dienstig juist omdat men die opheffing niet doorvoert, dat over het beroep nochtans uitspraak is gedaan door de Vlaamse regering en dat deze Vlaamse regering ook bevoegd is om het gewestplan op te heffen, dat men ten onrechte aan de verzoekende partijen verwijt om via een rappelbrief een beslissing te hebben afgedwongen waardoor er geen tijd was om tot de opheffing over te gaan, dat het een recht is van de burger om van de overheid te verlangen dat over zijn aanvraag uitspraak wordt gedaan binnen de wettelijke termijnen, dat de overheid bezwaarlijk kan stellen dat zij niet voldoende tijd heeft gehad om daadwerkelijk tot opheffing over te gaan, dat de onwettigheid van het gewestplan en de daarbij horende verplichting tot opheffing reeds werd gemeld in een brief van 14 december 1999, dat ook in de aanvraag van 3 augustus X-10.596-4/7 2000 wordt gewezen op de onwettigheid van het gewestplan en op de verplichting tot opheffing die hieruit voortvloeit, dat het geenszins aan de verzoekende partijen te wijten is dat hieromtrent niet tijdig actie werd ondernomen; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat het middel op een tegenstrijdige wijze wordt geformuleerd daar waar de verzoekende partijen in de aanhef stellen dat "de bestreden beslissing gegrond is en gegrond blijft op een gewestplanvoorschrift dat tot stand is gekomen in strijd met de in het middel vermelde bepalingen" terwijl zij het in de toelichting hebben over een procedurefout bij de totstandkoming van een "gewestplanbestemming", dat een gewestplanvoorschrift wordt toegepast op een stedenbouwkundige bestemming, dat deze twee begrippen van elkaar moeten worden onderscheiden, dat het middel op een tegenstrijdige en onduidelijke manier wordt geformuleerd en derhalve dient te worden verworpen met toepassing van de exceptio obscuri libelli, dat in de bestreden beslissing terecht wordt geoordeeld dat het niet aan het bestuur toekomt om het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in een individueel geval buiten toepassing te verklaren wegens een beweerdelijke onwettigheid; Overwegende dat de verzoekende partijen dupliceren dat een gewestplan een verbindende en verordenende kracht heeft, dat dit ook zo is voor de bestemming in een gewestplan, dat een gewestplanbestemming dan ook een voorschrift is, dat er geen sprake is van begripsverwarring, dat het middel noch onduidelijk, noch tegenstrijdig is, dat de verwerende partij zeer goed weet dat er geen verweer tegen valt in te brengen, zodat zij zich beperkt tot "muggenzifterij" om de kern van discussie niet te moeten aanvatten; Overwegende dat moet worden vastgesteld dat het middel op een duidelijke wijze de geschonden geachte rechtsregels aanduidt, alsook de wijze waarop die zijn geschonden; dat de exceptie obscuri libelli niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verwerende partij geenszins betwist dat de onwettigheid van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij het arrest nr. 26.736 van 26 juni 1986 ten aanzien van het kadastraal perceel Sectie A, nr. 79/c, in dezelfde mate geldt ten aanzien van het perceel van de verzoekende partijen, kadastraal bekend Sectie A, nr. 67/c vermits dit perceel deel uitmaakt van hetzelfde reservegebied voor woningen; dat dit onder meer blijkt uit de nota van 31 juli 2001 X-10.596-5/7 van de Afdeling juridische dienstverlening waarin wordt gesteld "gelet op het identieke karakter van de juridische toestand van het perceel in casu en het perceel dat het voorwerp was van het vernietigingsarrest is de gewestplanbestemming van het perceel in casu onwettig te noemen"; dat de bestreden beslissing stelt dat "het aan de Vlaamse regering toekomt de eventuele onwettigheid van het gewestplan te herstellen door, zo de aanvrager de wettigheid van het gewestplan terecht blijkt te hebben betwist , over te gaan tot de gedeeltelijke opheffing van het gewestplanvoorschrift en tot de vaststelling van een nieuw aanvullend ontwerp- gewestplan" en "dat het nodige wordt gedaan om deze aangelegenheid aan de Vlaamse regering ter beslissing voor te leggen tijdens een van de eerstvolgende samenkomsten"; Overwegende dat in de gevallen waarin de overheid wettelijk ertoe gehouden is op een vergunningsaanvraag betreffende een in het betrokken gebied gelegen eigendom te beschikken vooraleer zij de onwettigheid in het gewestplan heeft kunnen herstellen, zij de onwettigheid in twee fasen dient te herstellen, te weten, vooreerst het gedeelte van het plan waaraan de onwettigheid kleeft opheffen en vervolgens na de opheffing van dat gedeelte van het plan en in afwachting van een nieuw besluit dat in de vervanging hiervan voorziet, over de vergunningsaanvraag beslissen overeenkomstig de regelen vastgesteld door artikel 43, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  4. Vernietigd wordt het besluit van 16 augustus 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van Goedewille DE LILLE en Monica VAN HYFTE ingevolge het uitblijven van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over hun beroep ingesteld tegen het besluit van 11 december 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse houdende weigering van de verkavelingsvergunning voor een perceel gelegen aan de Keersmaekerstraat te Asse, kadastraal bekend Sectie A, nr. 67/c. Artikel
  5. X-10.596-6/7 De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.596-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.