id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.128 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 145128 - / - 30/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 16:11 Versie(s): Vertaling in voorbereiding Fiche Arrest nr 145.128 van 30 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.128 van 30 mei 2005 in de zaken A. 97.384/IX-2592 101.755/IX-2763. In zake : Jan MEULEMAN, wonende te WEZEMBEEK-OPPEM, Hermelijnlaan 4 tegen : 1. het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder, 2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7. tussenkomende partij : William DE BAETS, die woonplaats kiest bij advocaat R. HEIJSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan MEULEMAN op 13 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1. de processen-verbaal tot afsluiting van de examenverrichtingen (...) bevattende de uitslag en rangschikking van de kandidaten geslaagd in het vergelijkend wervingsexamen (AG/99822) voor Nederlandstalige en Franstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst (...) voor het IX-2592-1/20 minist erie van Buit enlandse Zaken, Buit enlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (...) zoals deze aldus door de eerste verweerster bij schrijven d.d. 30.08.2000 (diplomatiek examen AFG99822) en 20.09.2000 (diplomatiek examen ANG99822) aan tweede verweerster werden meegedeeld (...); 2. de (niet nader gekende noch gedateerde) beslissing/besluit vanwege de minister van Buitenlandse Zaken (...) waarbij de kandidaten, geslaagd in het vergelijkend wervingsexamen (AG/99822) (...) tot de stage van de carrière Buitenlandse Dienst worden toegelaten; 3. de beslissing(
- en)van de minister van Buitenlandse Zaken (...) houdende oproeping van de kandidaten uit de wervingsreserve (...) teneinde in dienst te treden als stagiair van de carrière Buitenlandse Dienst (...) zoals meegedeeld in de brieven d.d. 12.10.2000 en 17.10.2000 vanwege tweede verweerster; 4. de akte dd. 20.09.2000 (...) waarbij het Selectiebureau van de Federale Overheid (...) aan verzoeker mededeelde dat verzoeker niet geslaagd is voor het vergelijkend examen (...) en waarbij werd meegedeeld dat verzoeker voor het gedeelte over de kennis van het Frans (minimumvereiste: 24 punten op 40) - 13 punten op 20 voor het computergestuurd gedeelte (minimumvereiste: 10 punten op 20) en 9 punten op 20 voor het mondeling gedeelte (minimumvereiste: 10 punten op 20) behaalde, alsmede, voor zover nodig, van de meegedeelde beslissing(en)" (A. 97.384/IX-2592)”; Gezien het verzoekschrift dat Jan MEULEMAN voornoemd op 14 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het ministerieel besluit van 8 januari 2001 waarbij Luc TRUYENS, William ROELANTS de STAPPERS, Patrick DEBOECK, Emmanuelle DEFOY, Bart PENNEWAERT, Christophe PAYOT, Jürgen VAN MEIRVENNE, Roxane de BILDERLING, William DE BAETS, Pierre CARTUYVELS, Christian DOOMS, Karin DE KELVER, Antoine EVRARD, Dominique MINEUR, Didier VANDERHASSELT, Philippe DE MUELENAERE, Pascal GREGOIRE, Denis IX-2592-2/20 LEBEAU en Pierre DRESCIGH, laureaten van de vergelijkende wervingsexamens voor Nederlandstalige en voor Franstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op datum van 1 november 2000 worden toegelaten tot de proeftijd in de carrière Buitenlandse Dienst; 2. het ministerieel besluit van eveneens 8 januari 2001 waarbij Geert DE PROOST en Bart DE GROOF, laureaten van het vergelijkend wervingsexamen voor Nederlandstalige ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op datum van 1 december 2000 worden toegelaten tot de proeftijd in de carrière Buitenlandse Dienst (A. 101.755/IX-2763); Gelet op het arrest nr. 139.890 van 27 januari 2005 waarbij de beroepen worden verworpen voor zover zij strekken tot de nietigverklaring van : - het proces-verbaal van 19 september 2000 tot afsluiting van en bevattende de uitslag en rangschikking van de kandidaten geslaagd voor het vergelijkend examen (AG/99822) met het oog op de werving en de samenstelling van een wervingsreserve van ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, doch enkel voor zover het slagen en de rangschikking wordt vastgesteld van Franstalige kandidaten, namelijk : William ROELANTS de STAPPERS, Patrick DEBOECK, Emmanuelle DEFOY, Christophe PAYOT, Roxane de BILDERLING, Pierre CARTUYVELS, Antoine EVRARD, Dominique MINEUR, Philippe DE MUELENAERE, Pascal GREGOIRE, Denis LEBEAU en Pierre DRESCIGH, en van de volgende Nederlandstalige kandidaten : Veerle VERLINDEN, Karin DE KELVER en Geert DE PROOST (eerste voorwerp in de zaak A. 97.384); - de ministeriële besluiten van 8 januari 2001 in zoverre zij de voornoemde Franstalige laureaten van het wervingsexamen en de eveneens Franstalige laureaat van een ander vergelijkend wervingsexamen, Denis LEBEAU, alsook de eveneens hiervoor genoemde Nederlandstalige kandidaten Karin DE KELVER en Geert DE IX-2592-3/20 PROOST toelaten tot de stage in de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst (derde voorwerp in de zaak A. 97.384 en eerste en tweede voorwerp in de zaak A. 101.755); - de zogenoemde beslissingen van de minister van Buitenlandse Zaken vervat in zijn brieven van 12 en 17 oktober 2000, waarbij de kandidaten van de wervingsreserve opgeroepen worden om zich aan te melden teneinde in dienst te treden als stagiair van de carrière Buitenlandse Dienst (derde voorwerp in de zaak A. 97.384); de debatten worden in de aldus beperkte zaken heropend en de zaken worden verwezen naar de algemene rol om te worden toegewezen aan een Nederlandstalige kamer; Gelet op de beschikking van 16 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2005, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 9 mei 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzittter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat E. JACUBOWITZ, die loco advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat R. HEIJSE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaken werden samengevat in het voormelde arrest nr.139.890, van 27 januari 2005; dat ingevolge dat arrest het voorwerp van de onderhavige beroepen beperkt is tot : IX-2592-4/20 - het proces-verbaal van 19 september 2000 tot afsluiting van en bevattende de uitslag en rangschikking van de kandidaten geslaagd voor het vergelijkend examen (AG/99822) met het oog op de werving en de samenstelling van een wervingsreserve van ambtenaren van de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst voor het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, doch enkel voor zover het slagen en de rangschikking wordt vastgesteld van de volgende Nederlandstalige kandidaten : Luc TRUYENS, Bart PENNEWAERT, Jürgen VAN MEIRVENNE, William DE BAETS, Bart DE GROOF, Christian DOOMS, Didier VANDERHASSELT (eerste voorwerp in de zaak A.97.384); - de ministeriële besluiten van 8 januari 2001 in zoverre zij de voornoemde Nederlandstalige kandidaten toelaten tot de stage in de vierde administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst (derde voorwerp in de zaak A.97.384 en eerste en tweede voorwerp in de zaak A. 101.755); 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in de beide zaken een nieuw middel aanvoert , de schending van artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut van de personeelsleden van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; dat hij daarbij uiteenzet dat, in overtreding van de genoemde bepaling welke stelt dat de aanwijzing van de leden van de jury voor het examen betreffende de kennis van de tweede landstaal tot de uitsluitende bevoegdheid van de vaste wervingssecretaris behoort, in casu deze aanstelling gebeurde door de minister van Buitenlandse Zaken; dat hij daarbij verwijst naar het arrest nr. 87.646, de LANNOY, van 25 mei 2000, volgens welk aan het ingeroepen voorschrift niet is voldaan indien de minister aan de vaste wervingssecretaris niet minstens twee kandidaat-leden voor de jury voorstelt, waaruit de vaste wervingssecretaris kan kiezen; 2.1.2. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie er nog de aandacht op vestigt dat er voor het afleggen van de taalproef onder de weinige overblijvende kandidaten drie ambtenaren waren van het ministerie van Buitenlandse IX-2592-5/20 Zaken en dat een strikte naleving van de taalwetgeving dan ook specifiek in dat geval vereist was in het licht van de omstandigheid dat een jurylid van de FOD Buitenlandse Zaken zetelde in de examenjury; dat verzoeker ook opmerkt dat het automatisch aanvaarden van het door die FOD voorgesteld jurylid in feite betekent dat de vaste wervingssecretaris afstand doet van de hem exclusief toegewezen bevoegdheid; 2.2.1. Overwegende dat het middel steunt op gegevens die verzoeker put uit stukken die hem pas op 18 mei 2001 werden meegedeeld; dat het derhalve ontvankelijk is; 2.2.2. Overwegende dat artikel 6, § 5, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 april 1956 als volgt luidt: “ De leden van de jury worden aangewezen door de Vaste Wervingssecretaris, in overleg met de Minister van Buitenlandse zaken, behalve deze van de jury belast met het nagaan van de kennis van de tweede landstaal waarvan de samenstelling tot de uitsluitende bevoegdheid van de Vaste Wervingssecretaris behoort”; 2.2.3. Overwegende dat in dezen de minister slechts één diplomaat heeft aangewezen, zoals dat trouwens door de vaste wervingssecretaris werd gevraagd, en dat hij daarna uit eigen initiatief een andere diplomaat in diens plaats heeft aangewezen; dat ofschoon volgens de aangehaalde bepaling uitsluitend de vaste wervingssecretaris de jury voor het taalexamen vaststelt, in tegenstelling tot die voor de andere deelproeven die wordt vastgesteld door de vaste wervingssecretaris “in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken”, niets hem evenwel verhindert om aan die minister een voorstel van leden voor die jury te vragen, zoals hij te dezen heeft gedaan; dat ook indien aldus slechts één persoon voorgesteld zou worden, de vaste wervingssecretaris het recht behoudt om het voorgestelde jurylid niet te aanvaarden en om hetzij ambtshalve een ander persoon aan te duiden hetzij een ander voorstel te vragen; dat, ook indien hij het voorgesteld jurylid aanvaardt, hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de jury aan te stellen; dat het middel niet gegrond is; IX-2592-6/20 3.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel in de zaak A. 97.384, als tweede in de zaak A.101.755, de schending aanvoert van de artikelen 2, 3, 4, 5, 15 en 18 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; dat hij in een eerste onderdeel stelt dat de jury op een onregelmatige wijze was samengesteld; dat hij die stelling als volgt argumenteert : overeenkomstig de artikelen 3 tot 5 van het genoemde besluit moet de examencommissie bestaan uit een voorzitter, zijnde de vaste wervingssecretaris of zijn afgevaardigde, tenminste drie bijzitters en een secretaris met raadgevende stem, indien het gaat om een examen voor functies die betrekkingen in niveau 1 betreffen moeten die bijzitters bestaan uit een ambtenaar van niveau 1 en twee professoren uit het hoger onderwijs, eventueel kan de ambtenaar worden weggelaten, terwijl in casu de examenjury was samengesteld uit een afgevaardigde van de vaste wervingssecretaris, een professor en een ambtenaar; dat verzoeker in een tweede onderdeel betoogt dat de inhoud van het examen onregelmatig was, stellende dat overeenkomstig artikel 15 van het genoemde besluit het mondelinge gedeelte van het kwestieuze taalexamen moet bestaan uit het lezen van een tekst, de uiteenzetting van die tekst en een conversatie, terwijl hij enkel een conversatieproef heeft moeten afleggen en geen tekst heeft moeten lezen noch uiteenzetten; dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat hij met overtreding van de artikelen 2 en 18 van het genoemde besluit geen kennis heeft gekregen van de modaliteiten of wijze van organisatie van het mondeling taalexamen Frans; 3.1.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij zich niet verweert tegen dit middel; dat de tweede verwerende partij meent dat de teksten van de artikelen 6 en 9 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 er geen twijfel over laten bestaan dat het examen vermeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 niet onder het toepassingsgebied valt van het koninklijk besluit van 30 november 1966, terwijl het examen vermeld in artikel 9 er wel onder valt aangezien uitsluitend in dat laatste artikel uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van het koninklijk besluit van 1966; dat de letterlijke interpretatie van een duidelijke tekst IX-2592-7/20 volgens haar niet kan wijken voor een interpretatie op basis van voorbereidende werken of een advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, zeker wanneer dit dateert van 1965; dat zij voorts argumenteert dat artikel 6, §§ 2 en 3 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 gewijzigd werden door een koninklijk besluit van 19 oktober 1993 en dat de afwezigheid van verwijzing naar het koninklijk besluit van 30 november 1966 werd behouden; dat zij tenslotte nog stelt dat de stagiairs- diplomaten geen titularissen zijn van betrekkingen in de zin van artikel 47, § 5, van de gecoördineerde taalwetten omdat zij geen deel uitmaken van de “buitenlandse diensten” en alleszins geen titularissen zijn van een betrekking in de zin van artikel 47, § 5, omdat zij hun ambt niet definitief en voor onbepaalde tijd bekleden; 3.1.3.1. Overwegende dat ook de tussenkomende partij van mening is dat de bepalingen van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet van toepassing zijn op de stagiairs-diplomaten; dat zulks volgens haar in de eerste plaats blijkt uit de tekst zelf van het koninklijk besluit van 25 april 1956 en meer bepaald uit het feit dat artikel 6, § 3, dat handelt over het vergelijkend wervingsexamen voor toelating en artikel 9, 1/, dat handelt over het eindestage- examen dat toegang geeft tot een definitieve benoeming, elk aparte regelingen bevatten aangaande het deelexamen over de kennis van de tweede landstaal dat in elk van beide examens vervat is en waarbij alleen in artikel 9, 1/, verwezen wordt naar het koninklijk besluit van 30 november 1966 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de gecoördineerde taalwetten; dat zij daaruit afleidt dat het door de kandidaat-stagiairs af te leggen examen niet gelijk te schakelen is met het taalexamen dat zij na de stage moeten afleggen om in vaste dienst te kunnen worden benoemd en bijgevolg ook niet met de taalexamens bedoeld in de taalwetgeving; dat volgens haar niet voorbij kan worden gegaan aan de stilzwijgende maar duidelijke wil van de Koning zoals die uit de bewoordingen van de artikelen 6 en 9 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 blijkt en meer bepaald aan het feit dat ondanks de vele wijzigingen die aan dat besluit zijn aangebracht en met kennis van het advies dat de Vaste Commissie voor Taaltoezicht erover uitbracht, het opvallend verschil in bewoordingen tussen de artikelen 6 en 9 behouden is gebleven; dat dit er op wijst, IX-2592-8/20 volgens haar, dat de Koning dat verschil wenste te behouden; dat zij een tweede argument voor de niet toepasselijkheid van de gecoördineerde taalwetten op de stagiairs-diplomaten ziet in de samenlezing van de artikelen 10 en 12 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 met de artikelen 1 en 28 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel en de artikelen 43 en 47, § 5, van de gecoördineerde taalwetten; dat aangezien de stagiairs-diplomaten nog niet zijn opgenomen in de hiërarchie van de ambtenaren van de Buitenlandse Dienst en niet te beschouwen zijn als ambtenaren in vast verband, ze niet verrekend zijn in de trappen van de taalhiërarchie en de taalwetgeving dan ook niet op hen van toepassing is ; dat zij ten derde meent dat het onderscheid tussen de beide taalexamens ook aansluit bij de inhoudelijke bepalingen van artikel 47, § 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, inzonderheid doordat de stagiairs van de buitenlandse diensten niet te vergelijken zijn met de stagiairs voor een betrekking in de centrale diensten daar de taalvereisten die aan de eerstgenoemden worden gesteld groter zijn dan die welke worden gesteld voor de laatstgenoemden, dat zij het bewijs moeten leveren van een aan hun functie aangepaste taalkennis en het precies het koninklijk besluit van 25 april 1956 is dat bepaalt welke graad van taalkennis vereist is opdat ze aangepast zou zijn aan de beklede functie, namelijk een voldoende kennis om stagiair te kunnen worden en een gebruikelijke kennis om vast benoemd te kunnen worden, waarbij het niet onredelijk is dat deze beide kennisniveau’s elk op een eigen manier worden getoetst; dat de tussenkomende partij ten slotte aanvoert dat een taalexamen in de zin van het koninklijk besluit van 30 november 1966 altijd leidt tot een taalbrevet en dat dit tot gevolg zou hebben dat het tweede taalexamen op grond van artikel 9 geen zin meer zou hebben omdat er reeds een onweerlegbaar bewijs van taalkennis is; dat volgens haar dit daarbij voor gevolg zou hebben dat indien de kandidaat-stagiair voor het taalexamen slaagt maar zich niet nuttig kan rangschikken, hij bij het opnieuw deelnemen aan het toelatingsexamen niet meer kan deelnemen aan de taalproef van het vergelijkend examen en dat er dan ook geen rangschikking van de kandidaat- stagiairs zou kunnen worden opgesteld omdat één kandidaat niet meer deel diende te nemen aan alle proeven en dus geen punten heeft gekregen voor dat onderdeel: het wervingsexamen verliest dus zijn vergelijkend karakter; IX-2592-9/20 3.1.3.2. Overwegende dat de tussenkomende partij in verband met het tweede onderdeel antwoordt dat de afwezigheid van een secretaris de examenuitslag niet kan hebben beïnvloed vermits hij slechts een raadgevende stem heeft; dat wat de inhoud van het taalexamen betreft er volgens haar ook geen probleem kan zijn, want indien het bewuste taalexamen onder de toepassing van de gecoördineerde taalwetten zou vallen, dan de inhoud ervan zou worden bepaald door artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 en het schriftelijk (lees: mondeling) gedeelte alleen maar een conversatie over een onderwerp van algemene aard zou hebben moeten omvatten, wat in casu het geval was; dat volgens de tussenkomende partij ook het derde onderdeel, de grief met betrekking tot de kennisgeving van de jurysamenstelling, elke grond ontbeert, omdat die samenstelling niet tot de modaliteiten van het examen behoort; 3.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat, hoewel een duidelijke tekst geen interpretatie behoeft, zulks niet betekent dat wanneer een tekst over een probleem zwijgt een andere wetgeving dit niet zou kunnen opvullen, zeker wanneer die tekst van dwingende aard is; dat in casu zulks het geval is waar de taalwetgeving zelf de lacune in het koninklijk besluit van 1956 opvult; dat in die optiek het dan ook van geen belang is dat tijdens latere wijzigingen het verschil in tekst tussen de artikelen 6 en 9 ongewijzigd is behouden; dat een advies nr. 1055, van 11 februari 1965, van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht bevestigt dat de beide taalexamens ex artikel 6 en ex artikel 9 taalexamens zijn die vallen onder de taalwetgeving zoals deze in 1963 tot stand kwam, meer bepaald artikel 47, § 5, van de gecoördineerde taalwetten; dat het volgens verzoeker dan ook logisch is dat het uitvoeringsbesluit van 30 november 1966 integraal van toepassing is op het taalexamen “voldoende kennis van de tweede landstaal”; dat volgens verzoeker de tekst van het koninklijk besluit van 30 november 1966, zoals hernomen in het koninklijk besluit van 8 maart 2001 in zijn geheel moet worden gelezen; dat waar artikel 15 van genoemd besluit spreekt van “andere door de Afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid te organiseren taalexamens”, het duidelijk aantoont dat de taalwetgeving ook van toepassing is op het examen over de voldoende kennis van de tweede taal dat is IX-2592-10/20 vervat in het wervingsexamen voor diplomaten, zo niet zou dat het enige taalexamen tweede landstaal behorend tot een wervingsexamen zijn dat niet onder de taalwetgeving valt; dat verzoeker voorts stelt dat de stagiairs wel degelijk onder de taalwetgeving vallen en dat het wettelijk vereist taalexamen dan ook al afgelegd moet worden bij het begin van de stage : zij zijn nog geen titularissen van een betrekking in de Buitenlandse Dienst maar maken wel reeds deel uit van de carrière Buitenlandse Dienst en oefenen taken uit welke ook de titularissen van een betrekking in de Buitenlandse Dienst uitoefenen; dat tijdens de proeftijd weliswaar nog niet voldaan moet zijn aan de taalkennisvereiste van artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 1966, thans 8 maart 2001; dat het onderscheid tussen een taalexamen “voldoende kennis” en “gebruikelijke kennis” van de tweede landstaal dan ook wettelijk verzoenbaar is met de taalkennisvereisten vervat in artikel 47, § 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en het examen van artikel 6 overeenkomstig artikel 15 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 georganiseerd moet worden volgens de bepalingen van artikel 9, § 2, van dat besluit; dat verzoeker ten slotte nog argumenteert in zijn memorie van wederantwoord dat de taalproef “voldoende kennis” die is welke is voorgeschreven in artikel 15 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 en dat ze dus moet verlopen volgens het examen van artikel 9, § 2, van dat besluit; dat samengevat verzoekers argumentatie de volgende is : -het begrip “aan de functie aangepaste kennis” dat wordt gebruikt in artikel 47, § 5, van de taalwetgeving moet aldus worden geïnterpreteerd dat daarmee zowel de “voldoende kennis” van artikel 6 als de “gebruikelijke” van artikel 9 wordt bedoeld; dit blijkt uit de bespreking van de taalwet in het Parlement en uit het advies 1055 van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht; - terwijl voor artikel 9 de inhoud van de taaltest uitdrukkelijk werd gedefinieerd door er aan toe te voegen dat het deze van artikel 14 was, werd de inhoud van het examen “voldoende kennis” nooit gedefinieerd; - vermits alle taalexamens exhaustief worden opgesomd in het koninklijk besluit van 30 november 1966 en de test “voldoende kennis” dus onder één van de daarin opgesomde examens moet vallen, moet het een taaltest zijn bedoeld in artikel 15 van IX-2592-11/20 genoemd koninklijk besluit dat langs een verwijzing naar artikel 9, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit een taaltest “voldoende kennis” van de andere landstaal bevat; 3.2.1. Overwegende dat de organisatie van het vergelijkend examen voor de werving in de carrière buitenlandse dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken waarvoor verzoeker niet geslaagd werd verklaard, geregeld is door artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel; dat inzonderheid § 3 van dat artikel, zoals het gewijzigd werd bij de koninklijke besluiten van 13 april 1973, 19 oktober 1993 en 11 juni 1997 als volgt luidt : “Het programma van het vergelijkend examen wordt vastgesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken op advies van de Vaste Wervingssecretaris. Het behelst inzonderheid volgende gedeelten : 1/ (...); 2/ (...); 3/ een examen over de voldoende kennis van het Nederlands of het Frans, alsook een examen over de voldoende kennis van het Engels, telkens bestaande uit een schriftelijke en een mondelinge oefening.”; Dat met betrekking tot het in § 3, tweede lid, 3/, bedoelde examengedeelte over de voldoende kennis van het Nederlands of het Frans verzoeker zoals vermeld stelt dat het moet beantwoorden aan de vereisten van het toen nog geldende koninklijk besluit (IX) van 30 november 1966, tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, thans opgeheven en vervangen door een koninklijk besluit van 8 maart 2001, dat dezelfde tekst herneemt; 3.2.2. Overwegende dat artikel 53 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, waaraan het voormeld koninklijk besluit van 30 november 1966 zijn rechtsgrond ontleende, bepaalt dat de vaste wervingssecretaris alleen bevoegd is om bewijzen omtrent de bij de wet van 2 augustus 1963 vereiste taalkennis uit te reiken; dat artikel 47, § 5, van dezelfde gecoördineerde taalwetten onder meer bepaalt dat de buitenlandse diensten zo IX-2592-12/20 worden georganiseerd dat aan voorgaande - dat is deze bedoeld in de paragrafen 1 tot 4 - bepalingen voldaan kan worden en dat het Belgisch publiek zonder enige moeite in het Nederlands of in het Frans te woord gestaan kan worden, en dat de titularissen van de betrekkingen die voor de gezamenlijke buitenlandse diensten aangewezen zijn voor een examencommissie, samengesteld door de vaste wervingssecretaris, het bewijs moeten leveren dat zij een aan hun functie aangepaste kennis van de tweede taal n het Frans of het Nederlands n bezitten; dat de daar bedoelde examens speciaal geviseerd worden in artikel 14 van het vorenbedoelde koninklijk besluit van 30 november 1996, waar is bepaald onder meer, dat het taalexamen bedoeld bij artikel 47, § 5, van de gecoördineerde wetten, bestaat uit, voor de tot niveau 1 behorende personeelsleden, uit 1. een schriftelijk gedeelte dat omvat:
- a)een vertaling uit de tweede in de eerste taal (versie),
- b)een opstel, en 2. een conversatie over onderwerpen van algemene aard, en verder de voorwaarden om te slagen nader bepaald worden; dat dit bepaalde examen, daar genoemd : examen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal, afgelegd wordt bij het einde van de stage en het slagen ervoor een van de voorwaarden uitmaakt om vast benoemd te worden, zoals bepaald in artikel 9, § 1, 1/, van het voormelde koninklijk besluit van 25 april 1956, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 1966 en artikel 53 van de gecoördineerde taalwetten; 3.2.3. Overwegende dat die tekst er geen twijfel over laat bestaan dat het taalexamen over de gebruikelijke kennis van de tweede landstaal, in casu het Frans, dat in het einde stage-examen is vervat het examen is dat is bedoeld in artikel 47, § 5, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken; dat de omstandigheid dat in artikel 9 uitdrukkelijk naar de bestuurstaalwet wordt verwezen terwijl zulks niet het geval is in artikel 6, de conclusie wettigt dat het taalexamen van artikel 6 niet -mede- het taalexamen is dat is voorgeschreven door artikel 47 voornoemd; dat ook niet in te zien valt waarom een kandidaat diplomaat twee maal hetzelfde taalexamen zou moeten afleggen; dat het taalexamen van artikel 6 moet worden beschouwd als een specifieke taalproef met als doel na te gaan of de kandidaat wel voldoende taalkennis -ook van het Engels- IX-2592-13/20 heeft om zinvol, met het oog op het bij het einde van de stage af te leggen taalexamen, de stage te kunnen aanvatten en te kunnen doorlopen; dat het taalexamen dat deel uitmaakt van het vergelijkend toelatingsexamen waaraan verzoeker heeft deelgenomen dan ook, als specifiek taalexamen, niet beheerst wordt door de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 november 1966 maar wel door de bepalingen van het destijds geldende koninklijk besluit van 17 september 1969 betreffende de vergelijkende examens en examens georganiseerd voor de werving en de loopbaan van het rijkspersoneel; dat in zoverre artikel 53 van de taalwetten voorschrijft en artikel 47, § 5, bevestigt dat bewijzen van taalkennis -ook “voldoende” taalkennis - enkel door de vaste wervingssecretaris kunnen worden uitgereikt, zulks niet noodzakelijk impliceert dat het koninklijk besluit van 30 november 1966 exclusief van toepassing is; dat in dezen aan het voorschrift -in zoverre het van toepassing zou zijn- wordt voldaan doordat artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 25 april 1956 bepaalt dat de samenstelling van de jury belast met het nagaan van de - voldoende - kennis van de tweede landstaal uitsluitend tot de bevoegdheid van de vaste wervingssecretaris behoort; dat het door verzoeker aangehaalde advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht hiermee niet strijdt, aangezien er enkel uit volgt dat het begrip “aangepaste kennis” in artikel 47, § 5, van de taalwetgeving zowel de “voldoende” kennis van artikel 6 als de “gebruikelijke” kennis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 omvat en het niet verwijst noch uiteraard kon verwijzen naar het koninklijk besluit van 30 november 1966; dat het eerste onderdeel van het middel niet gegrond is; 3.2.4. Overwegende dat uit de conclusie dat terzake het koninklijk besluit van 30 november 1966 niet van toepassing was, volgt dat ook het tweede en het derde onderdeel van het middel niet gegrond zijn; 4.1.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel -het tweede in de zaak A.97.384/V-1591, het derde in de zaak A.101.755/V-2763- de schending aanvoert van een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat hij in een eerste onderdeel aanvoert dat het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden omdat hij er rechtmatig mocht op vertrouwen dat het kwestieuze IX-2592-14/20 mondelinge taalexamen op wettige en correcte wijze zou worden georganiseerd, meer bepaald wat zowel de inhoud ervan als de samenstelling van de jury betreft; dat hij in een tweede onderdeel aanvoert dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat de vaste wervingssecretaris onzorgvuldig tewerk is gegaan nu noch de samenstelling van de jury, noch de inhoud van het taalexamen, noch de bekendmaking van de modaliteiten van dat taalexamen conform de wet waren; dat verzoeker in een derde onderdeel ten slotte aanvoert dat het motiveringsbeginsel is geschonden omdat hij bij ongemotiveerd schrijven van 20 september 2000 vernam dat hij niet geslaagd was voor het vergelijkend wervingsexamen nu hij een onvoldoende had op het mondeling taalexamen Frans en dat de bijkomende motivering die hij ontving op 6 oktober 2000 in reactie op zijn schrijven van 21 september 2000 allesbehalve volledig was, mede gelet op het wettelijk criterium van “voldoende“kennis van de tweede landstaal en het ontbreken van het lezen en analyseren van een tekst, zodat volgens hem zijn niet slagen niet afdoende gemotiveerd werd; 4.1.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij wat het eerste en het tweede onderdeel betreft verwijst naar haar verweer bij het tweede middel; dat wat het derde onderdeel betreft, zij verwijst naar de stelling die werd ingenomen in het auditoraatsverslag dat werd opgesteld in de kort geding procedure; 4.1.3. Overwegende dat ook de tussenkomende partij voor wat het eerste en tweede onderdeel betreft verwijst naar haar uiteenzetting betreffende het tweede middel; dat wat het derde onderdeel, de schending van de motiveringsplicht betreft, zij stelt dat de brief van 20 september 2000 wel degelijk gemotiveerd was, waarbij zij verwijst naar de rechtspraak volgens welke de motieven voor een beslissing in verband met een examen in principe vervat zijn in de punten zelf, zodat de bijkomende motivering die werd meegedeeld met de brief van 5 oktober 2000 ook niet als laattijdig te kwalificeren is : zij is ten overvloede verleend en verwoordt in extenso de materiële motieven die ter ondersteuning van de punten in het dossier werden opgenomen; IX-2592-15/20 4.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie eraan herinnert dat SELOR nooit het volledige dossier van het examen heeft neergelegd; 4.2.1. Overwegende dat het eerste en het tweede onderdeel van het middel teruggaan op het tweede middel en, gezien de conclusies betreffende dat tweede middel, als ongegrond moeten worden beschouwd; 4.2.2. Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat de motieven voor een beslissing in verband met een examen zoals het onderhavige, waar het in wezen gaat om een kennisexamen, hier kennis van de Franse taal, in principe vervat zijn in de punten zelf; dat die punten alleen dan niet als motivering volstaan indien er aanwijzingen bestaan die doen twijfelen aan de ernst van de quotering; dat te dezen SELOR verzoeker bovendien met een brief van 5 oktober 2000 bijkomende uitleg verstrekt heeft over de motieven van zijn puntentoekenning namelijk het gebruik van een verkeerde woordenschat en syntaxis; dat die gegevens in redelijkheid het oordeel schragen dat verzoekers kennis van de Franse taal niet toereikend was; dat verzoeker geen gegevens aanbrengt welke de redelijkheid van die puntentoekenning in twijfel trekken; dat ten slotte het feit dat er geen lezing en analyse van een tekst werd gevraagd niet terzake dient, vermits verzoeker die verplichting vindt in artikel 15 van het koninklijk besluit van 30 november 1966, dat zoals volgt uit de behandeling van het tweede middel, niet van toepassing is op het onderhavige taalexamen; dat verzoeker de examenuitslagen van de andere kandidaten niet betwist, zodat hij geen belang heeft om de overlegging van het volledige dossier te eisen; dat het derde onderdeel van het middel ook niet gegrond is; 5.1.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel - het eerste in de zaak A.101.755/IX-2763 - de schending aanvoert van de bepalingen van artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, doordat de minister alvorens hij de kandidaten tot de stage toeliet er zich niet van heeft vergewist of ze wel van onberispelijk gedrag zijn en IX-2592-16/20 doordat ze werden opgeroepen om hun stage aan te vatten alvorens hun benoemingsbesluit was genomen; 5.1.2. Overwegende dat volgens de tweede verwerende partij verzoeker geen belang heeft bij dit middel omdat alle opgeroepen kandidaten van onberispelijk gedrag blijken te zijn enerzijds en er anderzijds uit het administratief dossier, namelijk uit de brieven van SELOR van 13 en 16 oktober 2000, blijkt dat de kandidaten aan de voorwaarden voldeden om opgeroepen te worden; dat zij bovendien niet inziet hoe het herstel van de aangevoerde onregelmatigheid aan verzoeker enig voordeel zou kunnen opleveren, aangezien hij in geen geval zelf tot de stage kan worden toegelaten; 5.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat het middel niet ontvankelijk is omdat het niet kan bijdragen tot verzoekers toelating tot de stage; dat zij voorts betoogt dat het middel niet gegrond is omdat het evident is dat een geslaagde kandidaat eerst wordt opgeroepen om zijn stage aan te vangen alvorens hij wordt benoemd: hij moet immers nog kunnen meedelen of hij wenst in te gaan op de oproeping, pas wanneer de kandidaat ingaat op de uitnodiging gaat de minister na of voldaan is aan de voorwaarde van artikel 5, § 2 voornoemd en, indien dit zo is, wordt de kandidaat benoemd; dat verzoeker volgens de tussenkomende partij voorts niet aantoont dat deze chronologie niet zou zijn gerespecteerd noch dat één van de kandidaten niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 5, § 2; dat volgens haar de omstandigheid dat de geslaagde kandidaten reeds werden toegelaten tot de stage op een datum voorafgaand aan die van het aanstellingsbesluit geen afbreuk doet aan de geldigheid van dat besluit daar nergens wordt bepaald dat die besluiten geen retroactieve werking mogen hebben; 5.2.1. Overwegende dat de artikelen 4 en 5 van het meergenoemde koninklijk besluit van 25 april 1956 als volgt luiden : "Art.4. Om tot de carrière Buitenlandse Dienst te worden toegelaten, moet de kandidaat aan de in artikel 5 gestelde toelatingsvoorwaarden voldoen, met goed gevolg het bij artikel 6 voorgeschreven toelatingsexamen afleggen, een IX-2592-17/20 proeftijd hebben doorgemaakt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 7 en 8 en geslaagd zijn voor het examen voor vaste benoeming dat bij de artikelen 9, 10, 10bis, 10ter en 10quater wordt geregeld. Art.5. § 1. De toelatingseisen zijn de volgende: (...) 4/ van onberispelijk gedrag zijn; (...) § 2. De Minister van Buitenlandse Zaken vergewist er zich van of de kandidaten voldoen aan de eisen in §1,4/ in dit artikel gesteld."; 5.2.2. Overwegende dat uit artikel 4 blijkt dat wanneer er daar sprake is van te worden "toegelaten tot de carrière Buitenlandse Dienst", daarmee de vaste benoeming bedoeld wordt; dat immers ook het doorlopen van de proeftijd en het slagen in het examen voor vaste benoeming onder de voorwaarden vermeld wordt; dat wanneer er in artikel 5 dan sprake is van toelatingseisen, dat begrip ook in dezelfde zin, namelijk als toelatingseisen voor een vaste benoeming moet worden gezien zodat, behalve wat betreft die vereisten waarvan uitdrukkelijk voorgeschreven is dat ze reeds op een vroeger moment vervuld moeten zijn, de andere pas vervuld dienen te zijn bij de definitieve benoeming; dat het dan ook van geen belang is of de controle op het gedrag van de kandidaten al dan niet reeds gebeurd is vooraleer ze werden aangesteld tot stagiair; dat evenmin kan worden ingezien welke onregelmatigheid er zou kleven aan het feit dat de laureaten reeds werden opgeroepen alvorens ze tot stagiair waren benoemd; dat vooreerst het evident is dat een geslaagde kandidaat eerst wordt opgeroepen om zijn stage aan te vangen alvorens hij wordt benoemd, aangezien hij nog moet kunnen meedelen of hij wenst in te gaan op de oproeping; dat ten tweede niet blijkt dat ze hun stage hebben aangevangen op een datum die voorafgaat aan die waarop zij nadien tot stagiair werden aangesteld; dat weliswaar dat laatste met terugwerkende kracht gebeurde, maar de terugwerking beperkt is en niet verder gaat dan de effectieve indiensttreding van de betrokkenen, bijgevolg niet verder dan de goede werking van de dienst vereist; dat daarin geen onregelmatigheid wordt onderkend; dat het middel niet gegrond is; IX-2592-18/20 6. Overwegende dat verzoeker in beide zaken zowel op zijn verzoekschrift tot schorsing als dat tot nietigverklaring telkens 173,53 euro fiscale zegels heeft aangebracht en ook zijn verzoekschrift tot voortzetting heeft gezegeld, en dit ten bedrage van 175 euro; dat het ten onrechte betaalde zegelrecht op de verzoekschriften tot voortzetting hem dient te worden terugbetaald, BESLUIT: Artikel 1. De beroepen worden verworpen. Artikel 2. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst van William DE BAETS, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-2592-19/20 Artikel 3. Het door verzoeker ten onrechte gekweten zegelrecht ten belope van 350 euro dient hem te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig mei 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2592-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div