id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.134 Rolnummer: A. 159690/IX-4777 Zaak: Arrest 145134 - - 30/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 16:14 Fiche Arrest nr 145.134 van 30 mei 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.134 van 30 mei 2005 in de zaak A. 159.690/IX-
- In zake : de BVBA THE COSY, die woonplaats kiest bij advocaat M. DE GROOTE, kantoor houdende te ERPS-KWERPS, Peperstraat 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA THE COSY op 1 februari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de “beslissing, genomen door de Raad FOD Sociale Zekerheid, Bestuur van de Sociale zekerheid van de zelfstandigen, Commissie voor vrijstelling van Bijdragen op 2 december 2004 (C.V.B. nummer : 045517.358.70 N 02), waarbij de aanvraag voor de ontheffing van de hoofdelijke aansprakelijkheid niet ontvankelijk werd verklaard voor de driemaan- delijkse bijdragen van 4/2000, ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid werd verleend voor de driemaandelijkse bijdragen van 2/2002 t.e.m. 3/2003, ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt geweigerd voor de volgorde driemaandelijkse bijdragen van 2/1995 t.e.m. 3/2000 -van 1/2001 t.e.m. 1/2002- van 4/2003 t.e.m. 4/2004”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT, op grond van de artikelen 93 en 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; IX-4777-1/8 Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikkingen van 10 maart 2005, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 april 2005; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. PETITAT die, loco advocaat M. DE GROOTE verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct- adviseur P. BOSMAN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Bij notariële akte van 9 mei 1995 richtten Beatrix VAN ROEY, zelfstandig helpster, en Patrick STROOBANTS, zelfstandige, een BVBA op onder de benaming “THE COSY”. De vennootschap heeft tot doel “de uitbating van ijssalons, tea-rooms, verbruikerssalons, tavernes, bistro’s, snackbars en restaurants, de uitbating van brood- en banketbakkerijen; de kleinhandel in de produkten van de brood- en banketbakkerij en suikergoed; de fabrikatie en de verkoop van ijsroom en ijsroombereidingen en van chocoladegoed, pralines en confiserie”. 1.
- Door een samenloop van omstandigheden geraakt THE COSY in financiële moeilijkheden. IX-4777-2/8 1.
- Op 25 juni 2003 vullen Patrick STROOBANTS en Beatrix VAN ROEY een formulier in “vrijstelling van sociale bijdragen gevraagd door een vennootschap. Opheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid”. Uit de aanvraag blijkt dat de vennootschap wenst te worden vrijgesteld van de bijdragen : - voor het verleden van 17 mei 1995 tot 25 juni 2003; - voor de toekomst van 26 juni 2003 tot 26 juni 2004; en dit voor alle kwartalen. Als verantwoording wordt opgegeven : “behartenswaardigheid”, “overmacht” en “onwetendheid”. 1.
- Op 2 december 2004 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Zij luidt als volgt : “Beslissingsnr : 045517.358.70 N 02 Inzake : THE COSY STROOBANTS PATRICK, (...) Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17 en 22; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94 bis; Gelet op artikel 15, § 1, derde, vierde en vijfde lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : ‘De zelfstandige is, samen met de helper, hoofdelijk gehouden tot de betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdragen. Hetzelfde geldt voor de rechtspersonen voor de bijdragen verschuldigd door hun vennoten of mandatarissen. Wanneer de echtgenoot-helper is onderworpen in de plaats van zijn echtgenote, is deze laatste hoofdelijk gehouden tot betaling van de bijdragen welke haar man verschuldigd is. In de gevallen voorzien in de twee voorgaande alinea’s kunnen de bijdragen gevorderd worden van de hoofdelijk aansprakelijke personen, zelfs indien de onderworpene vrijstelling heeft bekomen bij beslissing van de Commissie bedoeld in artikel 22.’; Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : ‘De zelfstandigen die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling aanvragen van de verschuldigde bijdragen door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie.’; Gelet op artikel 17, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : ‘De personen hoofdelijk aansprakelijk krachtens artikel 15, § 1, kunnen, onder dezelfde voorwaarden, vragen van deze aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk te worden ontheven.’; IX-4777-3/8 Gelet op artikel 88, § 1 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘De onderworpenen die een vrijstelling wensen te bekomen en de personen bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, die van hun solidaire verantwoordelijkheid wensen ontheven te worden, moeten een aanvraag indienen (...).’; Gelet op artikel 88, § 3 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘Opdat de aanvraag van een persoon bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 ontvankelijk zou zijn, moet zij worden ingediend op de wijze bepaald in § 2, 1, van dit artikel, binnen twaalf maanden volgend op het kalenderkwartaal in de loop waarvan het sociaal verzekeringsfonds hem verzocht heeft te betalen in de plaats van de onderworpene.’; Gelet op artikel 88, § 4 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘Zo de in § 2 of § 3 bedoelde persoon overleden is in de periode gedurende welke de termijn loopt om, naar gelang van het geval, een aanvraag tot vrijstelling of tot ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid in te dienen, moet de aanvraag van zijn of haar rechthebbenden, om ontvankelijk te zijn, binnen de zes maanden die volgen op het kalenderkwartaal in de loop waarvan zij werden verzocht te betalen in de plaats van de verzekeringsplichtige ingediend worden op de wijze voorzien in § 2, 1 van dit artikel.’; Gelet op artikel 90, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘De aanwezigheid ter zitting van de aanvrager is niet vereist. Indien hij hiertoe de wens uitdrukt, kan hij persoonlijk verschijnen of zich laten vertegen- woordigen of bijstaan hetzij door een advocaat, drager in voorkomend geval van stukken, hetzij door iedere andere persoon voorzien van een geschreven volmacht en voor ieder geval aanvaard door de voorzitter.’; Overwegende dat uit de gegevens betreffende de balansen en rekeningen van de vennootschap tijdens de jaren 2001-2002, kan worden afgeleid dat genoemde vennootschap momenteel niet te verwaarlozen financiële moeilijkheden ondervindt; Overwegende dat enkele elementen in het dossier aanwezig zijn die de huidige toestand van genoemde vennootschap, die de staat van behoefte benadert, aantonen; Gelet op de aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid ingediend op 25/06/2003 en geregistreerd op 26/06/2003; Overwegende dat deze aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aan- sprakelijkheid op de volgende driemaandelijkse bijdragen betrekking heeft : van 2/1995 t.e.m. 4/2003; Gelet op de andere stukken van het dossier; Overwegende dat de aanvraag niet aan de in voornoemd artikel 88, § 3 gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : 4/2000; Overwegende dat de aanvraag aan de in voornoemd artikel 88, § 3 gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/1995 t.e.m. 3/2000 - van 1/2001 t.e.m. 4/2003; Gehoord betrokkene in zijn uiteenzetting; BESLIST : De aanvraag om ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid is niet ontvankelijk voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : 4/
- Ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt verleend voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/2002 t.e.m. 3/
- IX-4777-4/8 Ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/1995 t.e.m. 3/2000 - van 1/2001 t.e.m. 1/2002 - van 4/2003 t.e.m. 4/2004”;
- Overwegende dat het bestreden besluit gedeeltelijk genoegdoening geeft aan verzoekster, met name waar haar aanvraag tot opheffing van haar hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ingewilligd voor de kwartalen 2/2002 tot 3/2003; dat verzoekster er kennelijk geen belang bij heeft de bestreden beslissing op dat vlak vernietigd te zien; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting voorzien in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij betoogt dat er een “leemte (bestaat) tussen de aanvraag, de motivering en het dictum in het nadeel van verzoeker”, aangezien de aanvraag betrekking had op een periode lopend van het tweede kwartaal 1995 (2/1995) tot het tweede kwartaal 2004 (2/2004) en niet tot 4/2004, aangezien de weigering voor de periode 4/2003 tot 4/2004 niet gemotiveerd wordt terwijl zij het bewijs had voorgelegd dat zij in 2003 financiële moeilijkheden had en aangezien de aanvraag wordt geweigerd voor de periodes van 2/1995 tot 3/2000, van 1/2001 tot 1/2002 en van 4/2003 tot 4/2004, terwijl in de motivering wordt gesteld dat de aanvraag voldoet aan de in artikel 88, § 3, van het koninklijk besluit nr. 38 voor de periode van 2/1995 tot 3/2000 en van 1/2001 tot 4/2003; 3.2.
- Overwegende dat verzoekster niet betwist dat het bestreden besluit een afdoend motief bevat voor de weigering van haar aanvraag voor het vierde kwartaal 2000, met name dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde bepaald in artikel 88, § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, krachtens dewelke de aanvraag tot ontheffing ingediend moet worden binnen twaalf maanden volgend op het kalenderkwartaal in de loop waarvan het sociaal verzekeringsfonds de aanvrager heeft verzocht te betalen in de plaats van de onderworpene; 3.2.
- Overwegende dat, aangezien het bestreden besluit een administratieve beslissing is die onderworpen is aan de motiveringsverplichting ingesteld door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoekster in de motieven van het bestreden besluit de IX-4777-5/8 redenen moet kunnen vinden waarom haar aanvraag verworpen wordt; dat een tegenstrijdigheid tussen de motieven en het dictum gelijk staat met een afwezigheid van motieven; Overwegende dat uit de in het bestreden besluit vermelde motieven blijkt dat de verwerende partij uit de voor de jaren 2001 en 2002 voorgelegde gegevens afgeleid heeft dat de verzoekende vennootschap “momenteel niet te verwaarlozen financiële moeilijkheden ondervindt” en dat enkele elementen in het dossier aanwezig zijn die aantonen dat de toestand van verzoekster de staat van behoefte benadert; Overwegende dat in de aanhef van het bestreden besluit overwogen wordt dat de aanvraag tot ontheffing betrekking heeft op de bijdragen van 2/1995 tot 4/2003; dat die vermelding onjuist is aangezien de ontheffing van aansprakelijkheid ook voor de eerste twee kwartalen van 2004 was aangevraagd; dat de verwerende partij die periode dan blijkbaar toch in haar beslissing betrokken heeft, maar zulks zonder opgave van enig motief waarom zij haar hoger aangegeven standpunt dat de vennootschap “momenteel” financiële moeilijkheden ondervindt en dat zij de staat van behoefte benadert voor die periode niet gestand kan doen; dat overigens dezelfde bemerking geldt voor de weigering van de ontheffing voor het derde en vierde kwartaal 2004, die -zoals gebleken is uit de debatten ter terechtzitting- de verweren- de partij krachtens artikel 91, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 ambtshalve in haar besluit moest betrekken; Overwegende dat in de aanhef van het bestreden besluit ook overwogen wordt dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 88, § 3, van het koninklijk besluit van 19 december 1967, voor de driemaandelijkse bijdragen van 2/1995 tot 3/2000 en van 1/2001 tot 4/2003; dat in het beschikkend gedeelte de aanvraag dan toch geweigerd wordt voor de bijdragen van 2/1995 tot 3/2000, van 1/2001 tot 1/2002 en van 4/2003 tot 4/2004 zonder dat in de aanhef enige bijzonder reden aangetroffen wordt die deze weigering -in weerwil van de eerdere vaststelling dat de staat van behoefte benaderd was- rechtsgeldig zou kunnen onderbouwen; 3.2.
- Overwegende dat het middel in de hiervoor aangegeven mate kennelijk gegrond is; IX-4777-6/8
- Overwegende dat de vernietiging van de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 2 december 2004 van de commissie voor vrijstelling van bijdragen in de mate dat de aanvraag van de BVBA THE COSY om ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid te verkrijgen voor de betaling van de bijdragen verschuldigd door Patrick STROOBANTS voor de kwartalen 2/1995 tot 3/2000, 1/2001 tot 1/2002 en van 4/2003 tot 4/2004, wordt geweigerd. Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-4777-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig mei 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4777-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.