id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.135 Rolnummer: A. 159691/IX-4778 Zaak: Arrest 145135 - - 30/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 16:14 Fiche Arrest nr 145.135 van 30 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.135 van 30 mei 2005 in de zaak A. 159.691/IX-4778. In zake : Beatrix VAN ROEY, die woonplaats kiest bij advocaat M. DE GROOTE, kantoor houdende te ERPS-KWERPS, Peperstraat 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Beatrix VAN ROEY op 1 februari 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de “beslissing, genomen door de Raad FOD Sociale Zekerheid, Bestuur van de Sociale zekerheid van de zelfstandigen, Commissie voor vrijstelling van Bijdragen op 2 december 2004 (C.V.B. nummer : 540702.484.57 N 01), waarbij de aanvraag niet ontvankelijk werd verklaard voor de driemaandelijkse bijdragen van 2/1995 t.e.m. 1/2002, vrijstelling werd verleend voor de driemaandelijkse bijdragen van 2/2002 t.e.m. 3/2003, vrijstelling wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse bijdragen van 4/2003 t.e.m. 4/2004”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 18 april 2005; IX-4778-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. PETITAT die, loco advocaat M. DE GROOTE verschijnt voor de verzoekende partij, en van adjunct- adviseur P. BOSMAN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoekster is vennoot en (samen met Patrick STROOBANTS) zaakvoerder van de BVBA THE COSY. De vennootschap heeft tot doel “de uitbating van ijssalons, tea-rooms, verbruikerssalons, tavernes, bistro’s, snackbars en restaurants, de uitbating van brood- en banketbakkerijen; de kleinhandel in de produkten van de brood- en banketbakkerij en suikergoed; de fabrikatie en de verkoop van ijsroom en ijsroombereidingen en van chocoladegoed, pralines en confiserie”. 1.2. Door een samenloop van omstandigheden geraakt THE COSY in financiële moeilijkheden. 1.3. Op 25 juni 2003 vullen Patrick STROOBANTS en Beatrix VAN ROEY een formulier in “vrijstelling van sociale bijdragen door een zelfstandige”. Uit de aanvraag blijkt dat zij wensen te worden vrijgesteld van volgende bijdragen : - voor het verleden van 17 mei 1995 tot 25 juni 2003; - voor de toekomst van 26 juni 2003 tot 26 juni 2004; en dit voor alle kwartalen. Als verantwoording wordt opgegeven : “behartenswaardigheid”, “overmacht” en “onwetendheid”. IX-4778-2/6 1.4. Op 2 december 2004 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Zij luidt als volgt : “Beslissingsnr : 540702.484.57 N 01 Inzake : VAN ROEY BEATRIX (...) Gelet op het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 15, 17 en 22; Gelet op het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, inzonderheid op de artikelen 80 tot 94 bis; Gelet op artikel 17, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit nr. 38, luidend als volgt : ‘De zelfstandigen die zich in staat van behoefte bevinden of in een toestand die de staat van behoefte benadert, kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling aanvragen van de verschuldigde bijdragen door zich te wenden tot de in artikel 22 voorziene Commissie.’; Gelet op artikel 88, § 1 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘De onderworpenen die een vrijstelling wensen te bekomen en de personen bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, die van hun solidaire verantwoordelijkheid wensen ontheven te worden, moeten een aanvraag indienen (...).’; Gelet op artikel 88, § 2 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘Opdat de aanvraag van een onderworpene ontvankelijk zou zijn, dient er te worden voldaan aan de twee volgende voorwaarden : 1- de aanvraag moet worden ingediend bij de sociale verzekeringskas waaraan de bijdragen, waarvoor vrijstelling wordt gevraagd, verschuldigd zijn, hetzij bij een ter plaatse neer te leggen verzoekschrift, hetzij bij een ter post aangetekend schrijven (...); 2- de aanvraag dient gedaan te zijn binnen de twaalf maanden. Naar gelang van het geval, begint deze termijn te lopen :
- a)vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de door de aanvraag beoogde bijdrage betrekking heeft;
- b)onverminderd het in littera
- c)bepaalde, vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene in de loop waarvan een afrekening van een bijdragenregularisatie werd verstuurd, voor wat betreft het bijdragesupplement dat die regularisatie met zich brengt;
- c)vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarop de in de afrekening van een bijdrageregularisatie vervatte bijdrage betrekking heeft voor wat betreft het bijdragesupplement dat die regularisatie met zich brengt, indien deze voortkomt van een begin of hervatting van een beroepsbezigheid en de onderworpene zich bij een sociale verzekeringskas heeft laten aansluiten na 31 december van het derde kalenderjaar volgend op datgene in de loop waarvan de bezigheid een aanvang nam of hervat werd; (...)’; Gelet op artikel 88, § 4 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘Zo de in § 2 of § 3 bedoelde persoon overleden is in de periode gedurende welke de termijn loopt om, naar gelang van het geval, een aanvraag tot vrijstelling of tot ontheffing van hoofdelijke aansprakelijkheid in te dienen, moet de aanvraag van zijn of haar rechthebbenden, om ontvankelijk te zijn, binnen de IX-4778-3/6 zes maanden die volgen op het kalenderkwartaal in de loop waarvan zij werden verzocht te betalen in de plaats van de verzekeringsplichtige ingediend worden op de wijze voorzien in § 2, 1 van dit artikel.’; Gelet op artikel 90, § 2, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1967, luidend als volgt : ‘De aanwezigheid ter zitting van de aanvrager is niet vereist. Indien hij hiertoe de wens uitdrukt, kan hij persoonlijk verschijnen of zich laten vertegen- woordigen of bijstaan hetzij door een advocaat, drager in voorkomend geval van stukken, hetzij door iedere andere persoon voorzien van een geschreven volmacht en voor ieder geval aanvaard door de voorzitter.’; Gelet op de aanvraag ingediend op 25/06/2003 en geregistreerd op 26/06/2003; Overwegende dat deze aanvraag op de volgende driemaandelijkse bijdragen betrekking heeft : van 2/1995 t.e.m. 4/2004; Gelet op de andere stukken van het dossier; Overwegende dat de aanvraag niet aan de in voornoemd artikel 88, § 2,2-,
- a)gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/1995 t.e.m. 1/2002; Overwegende dat de aanvraag aan de in voornoemd artikel 88, § 2, 2-,
- a)gestelde voorwaarde voldoet voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/2002 t.e.m. 4/2004; Overwegende dat uit de gegevens betreffende de inkomsten van betrokkene tijdens de jaren 2001-2002, kan worden afgeleid dat betrokkene momenteel niet te verwaarlozen financiële moeilijkheden ondervindt; Overwegende dat enkele elementen in het dossier aanwezig zijn die de huidige toestand van betrokkene, die de staat van behoefte benadert, aantonen; BESLIST : De aanvraag is niet ontvankelijk voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/1995 t.e.m. 1/2002. Vrijstelling wordt verleend voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 2/2002 t.e.m. 3/2003. Vrijstelling wordt geweigerd voor de volgende driemaandelijkse bijdragen : van 4/2003 t.e.m. 4/2004”; 2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt dat de vordering niet ontvankelijk is, aangezien volgens haar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond wordt; dat die problematiek evenwel niet de ontvankelijkheid van de vordering aangaat, maar het vervuld zijn van de grondvoorwaarden om de schorsing te bevelen; Overwegende dat het bestreden besluit gedeeltelijk genoegdoening geeft aan verzoekster, met name waar haar aanvraag tot vrijstelling van bijdragen wordt ingewilligd voor de kwartalen 2/2002 tot 3/2003; dat verzoekster er geen belang bij heeft de bestreden beslissing op dat vlak geschorst te zien; IX-4778-4/6 3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster betoogt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar “in de loop der volgende maanden en jaren” een dermate financieel nadeel meebrengt “dat een faillissement niet meer af te wenden valt”; dat zij daarbij toelicht dat de terugbetaling van de bijdragen, waarop zij mogelijkerwijs na een vernietigingsarrest aanspraak zal kunnen maken, niet zal beletten dat zij de gevolgen van het faillissement zal blijven ondergaan en dat deze terugbetaling het herstel van de onwettigheid, die zij met een schorsing beoogt, niet geheel verwezenlijkt; dat zij erop wijst dat het faillissement dat zij verwacht ook voor haar echtgenoot en het personeel dat zij in dienst heeft “niet te overziene gevolgen met zich meebrengt” en dat enkel een schorsing van het bestreden besluit op adequate wijze de gevreesde moeilijkheden kan voorkomen; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij er in haar nota met opmerkingen op wijst dat het “de algemene regel is dat de indiening van een aanvraag bij de Commissie voor vrijstelling van bijdragen voorlopig de invordering van bijdragen via gerechtelijke weg schorst”; dat zij daarvoor verwijst naar de “nota’s aan de sociale verzekeringsfondsen van 10 april 1968, 20 juni 1969 en 27 april 1978” en naar een arrest van het Arbeidshof te Brussel “waarin wordt gesteld dat de verplichting bijdragen te betalen bezwaard is met een ontbindende voorwaarde indien een aanvraag is ingediend bij de Commissie voor vrijstelling van bijdragen”; dat zij dan stelt dat “onderhavig beroep voor de Raad van State de periode van schorsing verlengt aangezien de schuldvordering onzeker blijft”; dat zij daaraan toevoegt dat een financieel nadeel herstelbaar is en dat geen enkele bijzondere omstandigheid wordt aangevoerd die het geldelijk nadeel moeilijk herstelbaar zou maken; 3.3. Overwegende dat, zo een financieel nadeel in beginsel niet als moeilijk te herstellen wordt beschouwd, in dit geval verzoekster verwijst naar het gevaar dat zij in de loop van de procedure failliet zal gaan; dat uit het overzicht dat verzoekster geeft van de kredieten die zij heeft gekregen, opgemaakt kan worden dat een faillissement helemaal niet hypothetisch is; IX-4778-5/6 Overwegende evenwel dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen het engagement aangaat om de bestreden beslissing, in de mate dat er voor verzoekster betalingsverplichtingen uit volgen, niet ten uitvoer te leggen zolang er geen uitspraak gedaan is over het annulatieberoep; dat verzoekster dan ook in afwachting van een uitspraak over het annulatieberoep geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan; dat om die reden vastgesteld wordt dat niet voldaan is aan de tweede grondvoorwaarde om de schorsing te bevelen; BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig mei 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4778-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.135 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div