id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.136 Rolnummer: A. 159981/IX-4801 Zaak: Arrest 145136 - - 30/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-02 16:14 Fiche Arrest nr 145.136 van 30 mei 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.136 van 30 mei 2005 in de zaak A. 159.981/IX-
- In zake : Willy VANDERPIJPEN, wonende te SINT-KRUIS-BRUGGE, Disbos 17 tegen : het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegen- woordigd door zijn afgevaardigd bestuurder, dat woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Willy VANDERPIJPEN op 14 februari 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van de hem bij schrijven van 16 december 2004 medegedeelde beslissing van de selectiecommissie van SELOR waarbij hij “minder geschikt” wordt bevonden voor de managementfunctie van directeur-generaal bij de Koninklijke Bibliotheek van België en zijn kandidatuur voor die betrekking niet in aanmerking genomen wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4801-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker is hoofd van het departement Logistiek en van de afdeling Nationale en Internationale Samenwerking van de Koninklijke Bibliotheek van België. 1.2.
- Op 7 april 2003 stelt verzoeker zich kandidaat voor de functie van directeur-generaal van de Koninklijke Bibliotheek van België. De selectie van de kandidaten geschiedt op basis van het koninklijk besluit van 22 januari 2003 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de wetenschappelijke instellingen van de Staat en dat diverse wijzigingen aanbrengt in de personeelsstatuten van de wetenschappelijke instellingen van de Staat. Na de selectieprocedure wordt bij brief van 2 december 2003 aan verzoeker medegedeeld dat hij wordt ingedeeld in groep A (“zeer geschikt”). 1.2.
- In het arrest DEWAIDE, nr. 126.511, van 17 december 2003 oordeelt de Raad van State dat de bepalingen van artikel 8 van het voormeld koninklijk besluit van 22 januari 2003 die een vergelijkende selectie voor manage- mentfuncties per taalrol invoeren en daarbij voorzien in twee afzonderlijke selectiecommissies, in strijd zijn met het grondwettelijk beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt. 1.2.
- Ingevolge dit arrest wordt de selectieprocedure gewijzigd. IX-4801-2/7 1.
- Op 27 september 2004 wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten gedaan. Verzoeker stelt zich opnieuw kandidaat. 1.
- Na een nieuwe selectieprocedure wordt bij brief van 16 december 2004 aan verzoeker medegedeeld dat hij werd ingedeeld in groep C “minder geschikt” en zijn kandidatuur niet in aanmerking kan worden genomen. Dit is de thans bestreden beslissing. 1.
- Met een e-mail van 7 januari 2005, herhaald bij brief van 21 januari 2005, vraagt verzoeker “feedback” bij die beslissing. 1.
- Op 14 februari 2005 dient verzoeker de voorliggende vordering tot schorsing in. 1.
- Op 23 februari 2005 zendt de verwerende partij een uittreksel uit het eindverslag van de selectiecommissie alsmede de notuleringsfiche van het mondeling gedeelte van de proef aan verzoeker.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in zijn derde middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen; dat hij aanvoert dat de bestreden beslissing niet gemotiveerd is, dat het hem bijgevolg onmogelijk is terzake kritiek te formuleren, maar dat hij er wel op wijst dat hij bij de vorige selectieprocedure voor dezelfde betrekking de vermelding “zeer geschikt” heeft gekregen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt enerzijds dat de brief waarbij het bestreden besluit aan verzoeker ter kennis gebracht is inderdaad geen motivering bevat maar dat zulks in het kader IX-4801-3/7 van de wet van 29 juli 1991 ook niet vereist is en anderzijds dat het bestreden besluit zelf wel formeel gemotiveerd is en dat die motivering ook afdoende is; dat zij voorts uiteenzet dat het verschillend resultaat van verzoeker in de twee proeven verklaard kan worden door de grondige wijziging in de samenstelling van de selectiecommissie, het veel grotere aantal kandidaten, de gewijzigde aard van de schriftelijke proef en de verschillende vaardigheden die in de tweede proef werden getest en dat de motivering de beoordeling ook begrijpbaar maakt -omdat het om een leidinggevende functie gaat kan het gebrek aan zekere vaardigheden zoals innovatief denken, prospectievermogen en managementvaardigheden een kandidaat minder geschikt maken; 3.3.1.
- Overwegende dat uit de stukken van de zaak blijkt dat het bestreden besluit -stuk 14 van het administratief dossier- een motivering bevat voor het minder geschikt verklaren van verzoeker; dat vanuit dat oogpunt bekeken, het middel niet ernstig is; 3.3.1.
- Overwegende evenwel dat deze motivering niet tezamen met het besluit ter kennis van verzoeker gebracht is; dat zij hem ook niet bezorgd is binnen de termijn voor het indienen van een annulatieberoep; dat de verwerende partij daarmee tekort gekomen is aan de in de wet van 29 juli 1991 besloten verplichting om niet alleen de beslissing, maar ook de motieven die tot het besluit hebben geleid aan de betrokkenen mede te delen; dat die verplichting past in de doelstelling van de wetgever om de adressaat van een beslissing in kennis te stellen van de redenen waarom een bepaald besluit getroffen is zodat hij kan oordelen of het nuttig is zich ertegen te verzetten; dat vanuit dat oogpunt het middel ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de verwerende partij de motivering en de notuleringsfiche van het mondelinge gedeelte met een brief van 23 februari 2005 naar verzoeker heeft opgestuurd, niet belet dat de Raad van State in het kader van de onderhavige schorsingszaak het middel ernstig bevindt, aangezien die mededeling hem na het verstrijken van de beroepstermijn bezorgd is; dat verzoeker aldus immers niet de gelegenheid heeft gehad in zijn verzoekschrift de motivering inhoudelijk te betwisten, terwijl nochtans het verzoek tot schorsing alle middelen dient te bevatten die een schorsing kunnen rechtvaardigen en het een verzoeker niet toegelaten is in de loop van de schorsingsprocedure zijn middelen aan te vullen; IX-4801-4/7 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting nog aanstipt dat het middel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit zal leiden, aangezien verzoeker inmiddels daadwerkelijk in kennis gesteld is van de motieven van het bestreden besluit; dat zij er aldus van uitgaat dat verzoeker in zijn latere procedurestukken -die de Raad van State, voor zover ze regelmatig ingediend worden, in zijn besluitvorming moet betrekken- nog voldoende mogelijkheden zal krijgen om zich tegen de motieven van het bestreden besluit te verzetten; dat, zo de Raad van State op het eerste gezicht dat standpunt kan bijvallen, toch vastgesteld wordt dat alvast in één zaak, met name het arrest VANDEVELDE, nr. 42.968 van 17 mei 1993, de Raad van State reeds aangenomen heeft dat de omstandigheid dat de adressaat van het bestreden besluit geen kennis had van de motivering op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep, volstond om het bestreden besluit nietig te verklaren; dat, voortgaande op die rechtspraak, thans niet gesteld kan worden dat het middel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker uiteenzet wat volgt. Hij is sinds 1997 hoofd van het departement Logistiek en van de afdeling Nationale en Internationale Samenwerking van de Koninklijke Bibliotheek, hij vertegenwoordigt sinds 1989 zowel nationaal als internationaal de hoofd- conservator en de waardering van zijn collega’s is, nationaal en internationaal, steeds heel groot geweest; in het licht daarvan is een beoordeling die lijnrecht staat tegen de vorige een publieke belediging en vernedering, die nog versterkt wordt door de aandacht die er in de pers aan werd besteed; de bestreden beslissing zal zijn functioneren ernstig bemoeilijken, aangezien het huidig hoofd van de Koninklijke Bibliotheek slechts ad interim -in afwachting van het resultaat van de hier bestreden selectieprocedure- is aangesteld en hijzelf als een van de sterkhouders van de bibliotheek dient te worden beschouwd en hij de hoofdconservator vervangt wanneer deze afwezig is; hij is nu 59 jaar en met het bestreden besluit gaat, nog afgezien van het gezichtsverlies dat hij lijdt, zijn laatste kans verloren om een mandaat van directeur-generaal bij de Koninklijke Bibliotheek uit te oefenen; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker onredelijk lang gewacht heeft met het indienen van zijn vordering, hetgeen de ernst en het bestaan van het nadeel -dat inmiddels reeds gedeeltelijk ondergaan is, met name op het vlak van de beweerde vernedering en de moeilijkheden bij het IX-4801-5/7 functioneren- tegenspreekt; dat zij ook stelt dat verzoeker zijn nadeel niet concreet bewijst aangezien de verwijzing naar de laatste kans om tot directeur-generaal benoemd te worden niet meer is dan een bewering, dat verzoeker ook geen middel aanvoert dat een nieuwe identieke beslissing als de bestredene in de weg staat en dat alleen de vernietiging van een benoeming -die nog niet gebeurd is- hem uitzicht op een benoeming kan geven; dat zij daaraan toevoegt dat de persartikelen die worden voorgelegd geen kritische bedenkingen bevatten en dus ook niet het bewijs inhouden van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat een moreel nadeel in beginsel hersteld wordt door een vernietigingsarrest en dat het bestreden besluit geen motieven bevat die vernederend zijn voor verzoeker of zijn verder functioneren belemmeren; 4.3.
- Overwegende dat de verwerende partij ten onrechte aan verzoeker verwijt dat hij lang gewacht heeft met het indienen van de vordering tot schorsing; dat immers zij zelf nagelaten heeft aan verzoeker de motieven van het bestreden besluit ter kennis te brengen hoewel verzoeker haar eerst per e-mail en vervolgens ook met een brief van 21 januari 2005 om ‘feedback’ gevraagd had; dat zulks kan verklaren waarom het verzoekschrift slechts kort voor het verstrijken van de beroepstermijn ingediend is; dat overigens in de omstandigheid dat een verzoeker bijna de gehele beroepstermijn laat verstrijken alvorens een vordering tot schorsing in te dienen in beginsel geen reden gezien kan worden om de ernst van het aangevoerde nadeel in vraag te stellen; 4.3.
- Overwegende dat verzoeker gevolgd kan worden in zijn betoog dat, zeker nu er daarover bericht is in de pers, hij het als vernederend en als een aantasting van zijn reputatie ervaart dat hij nu “minder geschikt” wordt verklaard na enige tijd geleden, voor dezelfde functie, nog “zeer geschikt” was bevonden; dat hij even terecht opmerkt dat, gelet op zijn leeftijd, hij naar alle waarschijnlijkheid een laatste kans op benoeming tot directeur-generaal aan zich voorbij ziet gaan; 4.3.
- Overwegende dat, in de gegeven omstandigheden, verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel op afdoende wijze aantoont, BESLUIT: Artikel
- IX-4801-6/7 Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de aan Willy VANDERPIJPEN bij schrijven van 16 december 2004 medegedeelde beslissing van de selectiecommissie van SELOR waarbij hij “minder geschikt” wordt bevonden voor de managementfunctie van directeur-generaal bij de Koninklijke Bibliotheek van België en zijn kandidatuur voor die betrekking niet in aanmerking genomen wordt. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig mei 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4801-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.136 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.551 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.