id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.137 Rolnummer: A. 160226/IX-4817 Zaak: Arrest 145137 - - 30/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 16:15 Fiche Arrest nr 145.137 van 30 mei 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.137 van 30 mei 2005 in de zaak A. 160.226/IX-
- In zake : Marc VANDOUSSELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210A tegen : de Politiezone HAACHT (Boortmeerbeek, Haacht, Keerbergen), die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Marc VANDOUSSELAERE op 22 februari 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 23 december 2004 van de politieraad van de politiezone HAACHT waarbij wordt beslist hem te pensioneren met ingang van 1 december 2004 met 60% van zijn laatste activiteitswedde; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4817-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CRAUWELS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat C. GYSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Bij koninklijk besluit van 21 april 1997 wordt verzoeker benoemd tot commissaris-korpsoverste van de politie van de gemeente Boortmeerbeek. Sinds de politiehervorming is hij commissaris in de lokale politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen. 1.
- Op 7 november 2000 wordt verzoeker het slachtoffer van een hersenbloeding. Hij blijft lange tijd arbeidsongeschikt. 1.
- Op 17 december 2001 beslist de gemeenteraad van Boortmeerbeek, op grond van de overweging dat verzoeker het maximum te cumuleren aantal ziektedagen heeft bereikt op 1 november 2001 en dat hij dienvolgens een wachtgeld van 60% van de laatste activiteitswedde dient te ontvangen “in afwachting van een besluit tot definitieve in disponibiliteitstelling”, verzoeker vanaf 1 december 2001 in disponibiliteit te stellen, zijn wachtgeld op 60 % van zijn laatste activiteitswedde vast te stellen en de administratieve gezondheids- dienst te gelasten met een onderzoek naar het eventueel bestaan van een ernstige en langdurige kwaal die verzoeker recht zou geven op een wachtgeld van 100 %. 1.
- Op 15 februari 2002 biedt verzoeker zich spontaan aan bij de arbeidsgeneesheer, die hem voldoende geschikt verklaart voor het uitoefenen van zijn functie van commissaris. Onder het luik F van de kaart van medisch onderzoek (“Aanwijzingen van de arbeidsgeneesheer in verband met de arbeidsomstandig- heden”) wordt gesteld wat volgt : “Geschikt bij hervatting op 1 maart
- Voorlopig ongeschikt voor veiligheidsfunctie - rijden met wagen in professioneel IX-4817-2/14 verband”). Onder luik G (“Opmerkingen”) wordt gesteld wat volgt: “Wat betreft oriëntatie m.b.t. uit te voeren taken is overleg met de zonechef noodzakelijk”. 1.
- Op 1 maart 2002 biedt verzoeker zich op het commissariaat aan voor werkhervatting, maar wordt hij volgens zijn eigen verklaring opnieuw naar de arbeidsgeneesheer gestuurd. Deze verklaart verzoeker opnieuw voldoende geschikt voor het uitoefenen van zijn functie, met dien verstande dat hij (opnieuw) voorlopig ongeschikt wordt verklaard voor “veiligheidsfunctie + rijden met wagen in professioneel verband”; onder het luik “Opmerkingen” wordt thans gesteld: “Op medisch vlak geschikt voor de functie van commissaris, qua oriëntatie op psychosoci- aal vlak is intellectueel-administratief werk aanbevolen”. 1.
- Na kennisname van de kaarten van medisch onderzoek van 15 februari 2002, respectievelijk 1 maart 2002, richt de burgemeester van de gemeente Keerbergen, tevens voorzitter van het politiecollege van de politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen, waarin de gemeentepolitie van Boortmeerbeek op 1 januari 2002 opgegaan is (hierna: de politiezone Haacht), op 1 maart 2002 een brief aan de raadgevend geneesheer van de federale politie, met als hoofding “Vervroegde oppensioenstelling wegens medische redenen”. In die brief wordt meegedeeld dat, om juist te kunnen bepalen welke activiteiten verzoeker in het politiekorps kan uitvoeren zonder de werking van het korps te verstoren en zonder gevaar voor de gezondheid van hemzelf, het politiecollege het opportuun acht dat hij zich voor een geneeskundig onderzoek bij de raadgevend geneesheer van de federale politie aanbiedt, dat verzoeker in afwachting van dat geneeskundig onderzoek en de beslissing terzake naar huis is gezonden, dat het politiecollege de procedure tot oppensioenstelling om medische redenen wil opstarten en dat het dan ook vraagt verzoeker met het oog hierop aan een onderzoek te onderwerpen. 1.
- Met een brief van 12 april 2002 deelt de raadgevend geneesheer mee wat volgt: “Na medisch onderzoek op 09/04/2002 kan (verzoeker) zijn politie activiteit onmiddellijk hervatten mits volgende restricties: enkel geschikt voor het uitvoeren van intellectueel-administratief werk, geen gewapende diensten, niet rijgeschikt met dienstvoertuig. Deze restricties kunnen na medische evaluatie (6 maand) herzien worden”. IX-4817-3/14 1.
- Op 31 juli 2002 richt de commissaris-korpschef van de politiezone Haacht een brief aan verzoeker met als hoofding “Uw taakomschrijving binnen de politiezone Haacht”, waarin - gewag wordt gemaakt van een probleem betreffende de inzetbaarheid van verzoeker, met name van “een affaire die verzoeker overkwam” waardoor het vertrouwen van personeel, overheid en externe partners in verzoeker een felle deuk heeft gekregen, - een opsomming wordt gegeven van de opdrachten die voorlopig door verzoeker moeten uitgevoerd worden (verdeling van kantschriften, in- en uitschrijven van kantschriften, basisregistratie proces-verbaal, vatten van de feiten conform de ministeriële omzendbrief MFO 3, opvolging onmiddellijke inning, kantschriften, PV e.d., op punt stelling van wetgeving, K.B.’s e.d. in verband met de politie- hervorming en oprichting van de zone, voorbereiding politiecollege en politieraad in een latere fase) en - een door verzoeker na te volgen voorlopige werkwijze wordt bepaald (geen bevelvoering naar personeel toe noch enige operationele bevelvoering; geen externe contacten op (eigen) initiatief, noch telefonisch noch schriftelijk; schriftelijke documenten die intern of extern verspreid worden moeten het visum van de korpschef dragen; alle contacten met personeel, overheid en bevolking geschieden via de korpschef). 1.
- Op 4 november 2002 beslist het politiecollege, op grond van de overweging dat verzoeker per 1 oktober 2002 geen recht op ziektedagen meer kan uitoefenen, de procedure van in disponibiliteitstelling wegens langdurige ziekte ten aanzien van verzoeker op te starten en zijn wedde vanaf 1 oktober 2002 vast te stellen als een maandelijks wachtgeld van 60% van het laatste activiteitsloon. Met een brief van 26 november 2002 protesteert verzoeker tegen zijn in disponibiliteitstelling en vraagt hij het politiecollege deze maatregel ongedaan te maken. Hij laat gelden dat de ziekte die hij momenteel doormaakt er gekomen is ingevolge de mensonwaardige omstandigheden waaronder hij vanaf 5 augustus 2002 diende te werken en die hij gedurende meer dan één maand heeft volgehouden, dat die arbeidsomstandigheden werden beschreven en opgelegd in de nota van 31 juli 2002 betreffende zijn taakomschrijving binnen de politiezone Haacht, dat in een medisch attest van 9 oktober 2002 van zijn behandelend geneesheer-neuropsychiater duidelijk beschreven staat dat zijn huidige ziekte uitsluitend te wijten is aan die werkomstandigheden, en dat -gelet op het duidelijke en ondubbelzinnige verband IX-4817-4/14 tussen de mensonwaardige arbeidsomstandigheden en zijn ziekte- zijn in disponi- biliteitstelling volkomen onterecht is. Met een brief van 9 december 2002 antwoordt het politiecollege dat, op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, de disponi- biliteit van rechtswege ingaat indien het ziektedagencontingent van het personeelslid is opgebruikt en dat het personeelslid na een termijn van zes maanden vanaf zijn in disponibiliteitstelling wordt opgeroepen voor de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, dat, wat zijn voorlopige taakomschrijving betreft, het politiecollege van mening is dat deze volledig in het verlengde ligt van de activiteiten die verzoeker ontplooide als politiecommissaris en geïnspireerd werd op de medische restricties die ten opzichte van verzoeker golden (administratief en intellectueel werk), dat de beschreven voorlopige werkwijze grosso modo ook geldt voor de diensthoofden van de zone, dat de beperkingen inzake bevelvoering en externe contacten inherent zijn aan de persoon van verzoeker en werden ingegeven door het voorbehoud dat de overheden en diverse personeelsleden tegenover zijn persoon uitten, en dat het (zoals duidelijk in de nota werd vermeld) een voorlopige taakomschrijving en voorlopige werkwijze betreft die zouden bijgestuurd worden in functie van verzoekers integratie in de zone en de groei van het vertrouwen in zijn persoon. 1.10.
- Met een brief van 1 april 2003 wordt verzoeker opgeroepen om op 15 mei 2003 te verschijnen voor de Commissie voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (hierna: de CGPP). 1.10.
- Met een brief van 26 mei 2003 vraagt de CGPP aan psychiater DILLEN een psychiatrisch verslag neer te leggen waarin een antwoord moet vervat zitten op de volgende vragen : “
- Lijdt Mr VANDOUSSELAERE aan geestesstoornissen die onverenigbaar zijn met zijn taakomschrijving binnen de politiezone Haacht (zie taakom- schrijving in bijlage).
- Zijn er andere medische gronden die het functioneren in het politiemilieu onmogelijk maken”. IX-4817-5/14 1.10.
- Op 25 september 2003 stelt psychiater DILLEN een psychiatrisch verslag op, waarin hij de gestelde vragen negatief beantwoordt. Volgens de psychiater zou het, ook al zijn er bij verzoeker geen psychiatrische stoornissen die hem ongeschikt maken om zijn taak als politiecommissaris (met beperking vanwege zijn visus stoornis tot administratief bureelwerk) te kunnen uitvoeren en is er geen geestesstoornis die onverenigbaar is met zijn taakomschrijving binnen de politiezone Haacht, wel aangewezen zijn verzoeker niet in een kleinere politiezone in te schakelen, daar dit wegens zijn medische beperkingen door zijn collega’s als een extra belasting zal aanzien worden en zijn integratie sterk zal belemmeren. 1.
- Na verzoeker te hebben opgeroepen om op 28 oktober 2003 opnieuw te verschijnen, neemt de CGPP nog dezelfde dag de volgende beslissing : “DE COMMISSIE - na studie van het dossier, - na betrokkene en/of zijn vertegenwoordiger te hebben gehoord, beslist dat betrokkene GEDEELTELIJK GESCHIKT is om de uitvoering van zijn functies te hernemen en verwijst het personeelslid naar de arbeidsgeneesheer die zijn werkhervatting organiseert met de nodige aanpassingen en, in voorko- mend geval, zullen de regels met betrekking tot de herplaatsing of verminderde prestaties wegens ziekte, respectievelijk bedoeld in de artikelen VI.II.85, 1/ en VIII.X.12 tot VII.X.16 (RPPol), worden toegepast. Motivatie : Geen medische redenen voor volledige werkonbekwaamheid.” 1.
- Op 18 november 2003 verklaart de arbeidsgeneesheer verzoeker definitief ongeschikt voor de “veiligheidsfunctie” van commissaris en beveelt hij aan dat verzoeker definitief overgeplaatst wordt naar een werkpost of activiteit die beantwoordt aan de in het luik F van het formulier voor gezondheidsbeoordeling vermelde aanbevelingen. Die aanbevelingen luiden als volgt : “Consultatie en advies m.b.t. eventuele hertewerkstelling op vraag van de CGPP in het licht van eventuele werkhervatting. Ongeschikt voor veiligheids- functie - rijden met de wagen in professioneel verband - wapendracht. Tewerk- stelling binnen de politiezone Haacht is niet meer haalbaar. Geschikt voor intellectueel-administratief werk.” 1.
- Op 23 december 2004 beslist de politieraad van de politiezone Haacht verzoeker te pensioneren met ingang van 1 december 2004 en een voorschot van 60% van de laatste activiteitswedde te voorzien. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, wordt als volgt gemotiveerd : IX-4817-6/14 “Overwegende het proces-verbaal van de zitting van 28 oktober 2003 van de commissie voor geschiktheid van het personeel der politiediensten waaruit blijkt dat commissaris M. VANDOUSSELAERE, IN 443461869, gedeeltelijk geschikt verklaard werd om de uitoefening van zijn functies te hernemen en verwezen werd naar de arbeidsgeneesheer; Overwegende dat de genoemde beslissing aan commissaris M. VANDOUSSELAERE betekend werd op 3 november 2003; Overwegende het formulier voor gezondheidsbeoordeling, opgemaakt door arbeidsgeneesheer dr. O. DECKERS op datum van 18 november 2003 en mede- gedeeld op dezelfde datum aan commissaris M. VANDOUSSELAERE, wat bepaalt dat commissaris M. VANDOUSSELAERE ongeschikt is voor het uitoefenen van een veiligheidsfunctie, ongeschikt is voor het rijden met een wagen in professioneel verband en ongeschikt is voor wapendracht; tewerk- stelling binnen de zone Haacht is niet meer haalbaar; betrokkene geschikt is voor intellectueel-administratief werk; Overwegende dat een herplaatsing binnen de zone niet mogelijk was, gelet op het medisch advies en een herplaatsing bij mutatie of detachering enkel mogelijk is op vrijwillige basis; Overwegende dat er vanaf 16 november 2003 geen medische attesten van commissaris VANDOUSSELAERE bij de zone toegekomen zijn; Overwegende dat commissaris VANDOUSSELAERE bij de politiezone Haacht geen aanvragen tot herplaatsing via mobiliteit of detachering ingediend heeft; Gelet op het juridisch advies van hoofdcommissaris jurist Marc DE MESMAEKER van 17 juni 2004; Overwegende dat betrokkene niet wedertewerkgesteld werd bij het verstrijken van de termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis werd gegeven van de definitieve beslissing van de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, waardoor overeenkomstig artikel 117, §3, derde lid van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel commissaris M. VANDOUSSELAERE ambtshalve gepensioneerd wordt wegens lichamelijke ongeschiktheid; Overwegende dat betrokkene heden nog niet herplaatst is en er geen lopend dossier bekend is; Overwegende dat de pensionering ingaat de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de vermelde termijn; Overwegende dat de termijn verstreek op 4 november 2004; Gelet op de dienstnota DGP/DPS-5286/A-03 van 1 september 2003 van de algemene directie personeel van de federale politie betreffende de oppensioen- stelling wegens ongeschiktheid voorschot; Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; (...)”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij de vordering onont- vankelijk acht om reden dat artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel bepaalt dat de ambtenaar ambtshalve definitief op pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid wordt gesteld wanneer hij niet wedertewerkgesteld is binnen de twaalf maanden na de definitieve beslissing waarbij hij ongeschikt verklaard is voor IX-4817-7/14 zijn ambt, maar geschikt voor een ander ambt bij wege van wedertewerkstelling; dat naar haar oordeel het bestreden besluit een declaratief karakter heeft waartegen geen annulatieberoep ingesteld kan worden; Overwegende dat de verwerende partij de vordering ook nog onontvankelijk acht omdat verzoeker nagelaten heeft, hoewel hij wist dat hij niet meer binnen de politiezone Haacht wedertewerkgesteld kon worden, zijn herplaatsing bij wege van mutatie of detachering aan te vragen zodat het verstrijken van de termijn van twaalf maanden, bedoeld in artikel 117, § 3, derde lid, aan het toedoen van verzoeker te wijten is zodat hij geen geoorloofd en actueel belang heeft bij de vordering; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel aanvoert dat de voorwaarden voor het toepassen van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 niet vervuld waren en dat, in zoverre de ongeschiktheid besloten zou liggen in het onderzoek van de arbeidsgeneesheer, het niet deze geneesheer, maar enkel de CGPP is die de ongeschiktheid kan vaststellen op grond waarvan de rechten op een definitief voortijdig pensioen vastgesteld kunnen worden; dat in de huidige stand van de rechtspleging dan ook vastgesteld kan worden dat de gegrondheid van de excepties verbonden is met de grond van de zaak;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker in het eerste middel, genomen uit de schending van artikel 117, §§ 2 en 3, derde lid van de wet van 14 februari 1961 voor de economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel en uit het gebrek aan feitelijke grondslag, eerst vaststelt dat de CGPP op haar zitting van 15 mei 2003 besliste een deskundige aan te duiden met het oog op het uitvoeren van een onderzoek naar de medische geschiktheid van verzoeker voor de uitoefening van zijn functie, dat die deskundige van oordeel was dat er bij verzoeker geen psychiatrische stoornissen waren die hem ongeschikt maakten om zijn taak als commissaris van politie te kunnen uitvoeren en IX-4817-8/14 dat de CGPP, geheel in navolging van dit deskundig onderzoek, oordeelde dat verzoeker geschikt was voor zijn functie, zij het met restricties; dat naar zijn oordeel uit de tekst van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 duidelijk blijkt dat de ambtshalve pensionering na het verstrijken van een termijn van twaalf maanden enkel kan toegepast worden indien het betrokken personeelslid ongeschikt werd verklaard voor de uitoefening van zijn ambt, maar er in dit geval helemaal geen beslissing voorhanden is waaruit blijkt dat verzoeker ongeschikt werd verklaard voor het uitoefenen van het ambt van commissaris; dat hij daarom de voorwaarde voor de toepassing van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 niet vervuld acht en daaraan toevoegt dat, in zoverre enige ongeschiktheid zou kunnen afgeleid worden uit het navolgend onderzoek bij de arbeidsgeneesheer, moet worden vastgesteld dat deze zich niet kon uitspreken over zijn geschiktheid, aangezien de ongeschiktheid, die de rechten op een definitief voortijdig pensioen opent, enkel kan worden vastgesteld door de uitdrukkelijk in artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1962 opgesomde instanties, met name de CGPP. 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt wat volgt : het middel brengt geen kritiek uit op de feitelijke grondslag van de bestreden beslissing, maar betwist enkel de gevolgde procedure en het vervuld zijn van de wettelijke voorwaarden; de CGPP heeft op 28 oktober 2003 beslist dat verzoeker gedeeltelijk geschikt is om de uitvoering van zijn functies te hernemen en hem naar de arbeidsgeneesheer verwezen en in die zin is het de wettelijk bevoegde commissie en niet de arbeidsgeneesheer die een beslissing heeft genomen; de CGPP heeft verzoeker weliswaar gedeeltelijk geschikt verklaard, maar dat betekent ook dat hij ongeschikt verklaard is voor de volledige functie van politiecommissaris-korpsoverste, hetgeen de situatie van verzoeker onder de toepassing van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 brengt, zoals overigens ook blijkt uit de omzendbrief GPI 23 van 3 juli 2002 -punt 13.2 dat handelt over een “beslissing van gedeeltelijke geschiktheid”; dat zij besluit dat de beslissing van de CGPP op 3 november 2003 ter kennis van verzoeker is gebracht, dat verzoeker niet aantoont dat hij sindsdien wedertewerkgesteld is en dat hij daar trouwens niet om gevraagd heeft, hoewel hij op 18 november 2003 in kennis was gesteld van de beslissing van de arbeidsgeneesheer dat een tewerkstelling binnen de politiezone Haacht niet meer mogelijk was; 4.3.
- Overwegende dat artikel 117, § 1, van de wet van 14 februari 1961 bepaalt dat het vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke IX-4817-9/14 ongeschiktheid definitief mag toegekend worden indien de bevoegde medische instantie -voor de politie is dit de CGPP- oordeelt dat het personeelslid definitief ongeschikt is om zijn functie -of andere functies waarvoor het bij wege van wedertewerkstelling of wederbenuttiging in een ander ambt dat beter met zijn geschiktheid overeenkomt kan worden aangewezen- te vervullen; dat artikel 117, § 3, derde lid, van dezelfde wet het geval regelt waarin de ambtenaar door de bevoegde instantie ongeschikt verklaard is om het eigen ambt uit te oefenen maar wel geschikt om in een ander ambt wedertewerkgesteld te worden; dat die bepaling luidt als volgt : “Indien de betrokkene bij het verstrijken van een termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis is gegeven van de definitieve beslissing waarbij hij ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt doch geschikt verklaard blijft voor de uitoefening van een ander ambt bij wijze van wedertewerkstelling, niet wedertewerkgesteld werd, verkrijgt hij ambtshalve een definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de voormelde termijn.” 4.3.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 de juridische basis vormt voor de bestreden beslissing; dat die bepaling ervan uitgaat dat de medische controle-instantie besloten heeft dat de ambtenaar ongeschikt is voor de uitoefening van het ambt waarin hij tewerkgesteld is, maar dat hij wel geschikt is voor de uitoefening van een andere betrekking waarin hij bij wijze van wedertewerkstelling aangesteld kan worden; dat, getoetst aan die bepaling, in dit geval, met de gegevens waarover de Raad van State thans beschikt, vastgesteld kan worden dat de enige beslissing die de CGPP in de zaak van verzoeker genomen heeft deze is van 28 oktober 2003, welke hiervoor sub 1.11 geciteerd is; dat verzoeker daarmee niet “ongeschikt verklaard is voor de uitoefening van zijn ambt” -dat van commissaris van politie in de politiezone Haacht-, maar dat hij integendeel “gedeeltelijk geschikt is (verklaard) om de uitvoering van zijn functies te hernemen”, dat aan de arbeidsgeneesheer in dat kader de opdracht wordt gegeven de nodige aanpassingen aan zijn taken voor te stellen en dat “in voorkomend geval, (...) de regels met betrekking tot de herplaatsing of verminderde prestaties wegens ziekte (...) (moeten) worden toegepast”; Overwegende dat de enige beslissing van de CGPP die de verwerende partij overlegt niet voldoet aan de voorwaarde die artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 vooropstelt om een personeelslid op IX-4817-10/14 pensioen te stellen, te weten de vaststelling van de ongeschiktheid voor het eigen ambt maar de geschiktheid om als politieambtenaar actief te blijven; 4.3.
- Overwegende, in de mate dat de verwerende partij aanvoert dat er wel degelijk een regelmatige beslissing inzake de ongeschiktheid van verzoeker bestaat in die zin dat de CGPP als het ware een princiepsbeslissing genomen heeft en de zaak vervolgens verwezen heeft naar de arbeidsgeneesheer, die dan vastgesteld heeft dat verzoeker ongeschikt is voor de functie van “commissaris”, begrepen als een “veiligheidsfunctie”, dat artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 de vaststelling van de ongeschiktheid van een politieambtenaar in het kader van de pensioenregeling voorbehoudt aan de CGPP; dat de wet niet toelaat dat die commissie de haar toegewezen bevoegdheid delegeert; dat bovendien vastgesteld lijkt te moeten worden dat de arbeidsgeneesheer, wanneer hij aan het bestuur voorgesteld heeft dat verzoeker geen “veiligheidsfunctie” meer kan vervullen, dat het daarom niet meer haalbaar is hem in de politiezone Haacht tewerk te stellen maar dat hij wel nog in staat is om “intellectueel-administratief werk” te verrichten, geen echte beslissing genomen heeft die de rechtstoestand van verzoeker ommiddellijk heeft bepaald, aangezien de arbeidsgeneesheer in zaken als de onderhavige optreedt als adviserend orgaan van het bestuur in het kader van het onderzoek bij werkhervatting zoals dat geregeld is door het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheids- toezicht op de werknemers; dat de omstandigheid dat de CGPP in haar beslissing die specifieke bevoegdheid van de arbeidsgeneesheer in herinnering brengt gewis uitermate nuttig is aangezien hij dichtbij de betrokken concrete werksituatie opereert en aldus, beter dan de CGPP, zicht heeft op de concrete werkomstandigheden van de ambtenaar en de organisatorische mogelijkheden van het betrokken bestuur, maar dat zulks zeker niet als een delegatie van enige beslissingsbevoegdheid mag worden gezien; 4.3.
- Overwegende dat de verwerende partij ook nog verwijst naar de omzendbrief GPI 23 van 3 juli 2002 - oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid. -Ernstige en langdurige ziekten.- commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten en commissie van beroep voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2002, in die zin dat de omzendbrief -punt 13.2- het bestuur de mogelijkheid zou bieden om een pensioen toe te kennen op basis van een beslissing waarbij de ambtenaar gedeeltelijk geschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt; IX-4817-11/14 dat evenwel, aangezien met een omzendbrief geen bepalingen aan de reglementering toegevoegd mogen worden en het aan de Raad van State toekomt om als rechter ultiem vast te stellen op welke wijze de bestaande reglementering geïnterpreteerd dient te worden, in het algemeen vastgesteld dient te worden dat de beleidslijn die de minister van Binnenlandse Zaken met de omzendbrief ingesteld heeft, voor de Raad van State geen basis kan vormen om een administratieve procedure te aanvaarden die geen steun lijkt te vinden in de wet; 4.3.
- Overwegende dat het middel in de voormelde zin ernstig is; dat daaruit volgt dat de ontvankelijkheidsexcepties niet gegrond zijn; 5.
- Overwegende, wat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker onder meer betoogt dat hij vader is van drie studerende kinderen, dat hij de voornaamste kostwinnaar is van het gezin en dat de studies van zijn kinderen het gezin nog voor belangrijke financiële verplichtingen plaatst, terwijl zijn oppensioenstelling een belangrijke terugval van zijn inkomen met zich brengt waardoor het gezin, dat ook nog een hypothecaire lening moet afbetalen, door ernstige financiële moeilijkheden wordt bedreigd en de hogere studies van zijn drie kinderen in het gedrang komen; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is en dat verzoeker met de stukken naar dewelke zijn inventaris verwijst niet aantoont dat zijn levensstandaard en die van zijn gezin desastreus zal verminderen; dat zij daaraan toevoegt dat een van de kinderen van verzoeker nog maar pas 13 jaar oud is, dat de omstandigheid dat verzoeker de voornaamste kostwinner van het gezin is een eigen keuze van hemzelf is en dat, aangezien verzoeker reeds geruime tijd wegens zijn terbeschikkingstelling slechts 60% van zijn wedde ontvangt, niets belet dat hij met dezelfde uitkering de periode tot aan de vernietiging van de bestreden beslissing zal kunnen overleven en hij op dat ogenblik, in geval van vernietiging, de achterstallige wedde alsnog zal ontvangen; 5.
- Overwegende dat de omstandigheid dat een paar overgelegde bewijsstukken niet in de inventaris bij het verzoekschrift zijn vermeld, de Raad van State niet belet die stukken in zijn besluitvorming te betrekken, zeker nu de verwerende partij er blijk van geeft die stukken te kennen; IX-4817-12/14 Overwegende dat uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat hij twee kinderen heeft die aan de universiteit studeren en dat zijn gezin een hypothecaire lening lopende heeft; dat hij nu terugvalt op 60% van zijn wedde; dat die omstandigheden, gerelateerd aan het globaal inkomen van het gezin -verzoeker is commissaris van politie, zijn echtgenote halftijds verpleegster-, het in redelijkheid goed denkbaar maken dat het gezin in de periode die het vernietigingsarrest voorafgaat onder grote financiële druk komt en dat de studies van de kinderen daaronder moeten lijden; dat in dit geval de bijzondere omstandigheden, waarin de Raad van State afwijkt van zijn principiële standpunt dat een financieel nadeel hersteld kan worden, aanwezig worden geacht;
- Overwegende dat de beide schorsingsvoorwaarden die in de wet zijn voorzien vervuld zijn, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 december 2004 van de politieraad van de politiezone HAACHT waarbij Marc VAN DOUSSELAERE op pensioen wordt gesteld met ingang van 1 december 2004 met 60% van zijn laatste activiteitswedde. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4817-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig mei 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4817-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.137 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.447 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.