id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.176 Rolnummer: A. 131291/XIV-13278 Zaak: Arrest 145176 - - 31/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 16:26 Fiche Arrest nr 145.176 van 31 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.176 van 31 mei 2005 in de zaak A. 131.291/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. BRIJS, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 30 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 december 2002 houdende weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.278-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. BRIJS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Nepalese nationaliteit, is in België binnengekomen op 5 maart 2001 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
- Op 7 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Verzoeker gaat hiertegen in dringend beroep. De Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 10 april 2001 dat verder onderzoek noodzakelijk is. 1.
- Op 31 mei 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Verzoeker gaat tegen deze beslissing in beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die op 9 september 2002 het beroep verwerpt. Op 8 oktober 2002 wordt door de Dienst Vreemdelingenzaken aan verzoeker het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 26 november 2002 dient verzoeker een nieuwe asielaanvraag in. Op 3 december 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing houdende weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. Zij luidt als volgt: “(...) WEIGERING TOT IN OVERWEGINGNAME VAN EEN VLUCHTELINGENVERKLARING Gelet op artikel 51/8, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996; Overwegende dat de persoon die verklaart te heten XXX XIV-13.278-2/11 geboren te Magdi , op (in) 31/12/1976 en van nationaliteit te zijn : Nepal die zich vluchteling(e) verklaard heeft op 26/11/2002
(2)Overwegende dat de betrokkene op 5 maart 2001 een eerste asielaanvraag indiende en er voor hem een beslissing tot weigering van verblijf genomen werd vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken. Overwegende dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing 'ontvankelijk' nam en (
- op)op 31 mei 2002 een beslissing nam van niet-erkenning van de betrokkene. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie op 9 september 2002 een beslissing van niet-erkenning voor de betrokkene nam. Overwegende dat de betrokkene op 26 november 2002 een tweede aanvraag indiende waarbij hij verklaarde niet teruggekeerd te zijn naar zijn land van herkomst. Overwegende dat de betrokkene contact houdt met zijn vrouw via brieven en dat de politie naar hem op zoek zou zijn. Overwegende dat de betrokkene zijn identiteitskaart, een arrestatiebevel, een boarding pass, een schoolcertificaat, een kaart van een hotel in Delhi en documenten in verband met een banklening waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene deze reeds tijdens de behandeling van zijn eerste asielaanvraag naar voren had kunnen en moeten brengen. Overwegende dat de betrokkene een kopie van de identiteitskaart van zijn vrouw en van zijn moeder en een reeks internetartikelen naar voren brengt waarbij opgemerkt moet worden dat deze documenten geen betrekking hebben op de betrokkene persoonlijk. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De bovenvermelde verklaring wordt niet in overweging genomen. In uitvoering van artikel 71/5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 19 mei 1993 en 11 december 1996 wordt genoemde het bevel gegeven het grondgebied te verlaten binnen 5 (vijf) dagen. (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), waarvan in casu toepassing is gemaakt, tegen een beslissing om een nieuwe vluchtelingenverklaring niet in aanmerking te nemen geen schorsingsberoep kan worden ingesteld bij de Raad van State en enkel de annulatieprocedure ter beschikking van de betrokkene staat om die beslissing aan te vechten; dat, zoals hierna zal blijken, er geen sprake is van nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet; dat het door verzoeker ingediende schorsingsberoep tegen de bestreden beslissing bijgevolg niet ontvankelijk is; 3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “EERSTE EN ENIG MIDDEL genomen uit de schending van artikel 51/8 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en artikel 62 van dezelfde Wet evena(a)ls uit de schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen wegens gebrek aan XIV-13.278-3/11 afdoende en geldige motivering en wegens een kennelijke beoordelingsfout, en genomen uit de schending van het algemene rechtsbeginsel van zorgvuldig en behoorlijk bestuur dat inhoudt dat de overheid een beslissing dient te nemen rekening houdende met alle pertinente gegevens van de zaak DOORDAT De tweede aanvraag van verzoeker o.a. alsvolgt is gemotiveerd in het schrijven van diens raadsman van 12/11/2002 : “Ik heb de eer U dit schrijven te richten in mijn hoedanigheid van raadsman van de heer XXX, 2800 MECHELEN waar woonstkeuze wordt gedaan voor de rest van de procedure. Langs deze weg wens ik de tweede asielaanvraag te ondersteunen van mijn kliënt die zich eerstdaags bij U aanbiedt met het oog op de indiening van deze aanvraag. Mijn kliënt meent dat deze tweede asielaanvraag gerechtvaardigd is op grond van een nieuw stuk dat wordt voorgebracht onder inventaris n/ 1. Het betreft een originele politieoproeping Door dit stuk toont verzoeker aan dat de verdenking die op hem rust alszou hij deel uitmaken van de Maobadio en die hij steeds heeft vooropgesteld wordt bewezen; Dat het nieuwe stuk aantoont dat verzoeker door de autoriteiten alsdusdanig wordt verdacht van lidmaatschap; Dat niet de realiteit - verzoeker is geen overtuigd Maobadi doch heeft enkel deze partij omdat er vrienden van hem in actief waren, geholpen en is er nadien tegen zijn zin in bij ingelijfd van belang is doch wel de perceptie die de overheden hebben van de activiteiten van de kandidaat-vluchteling (VBC 2/ Kamer, 23/03/1992, E021); Het feit op zich dat de daden van verzoeker niet zijn ingegeven door een overtuigde politieke visie, met name die van het gedachtengoed van de Maobadi, kan niet verhinderen dat verzoeker toch erkend zou kunnen worden als vluchteling omwille van zijn politieke overtuigingen nu op zich de kwalificatie die aan de activiteiten wordt gegeven door de overheden bepalend is (cf ter vergelijking CPRR, 1 juli 1992, F104) Om na te gaan of dergelijke politieke ideeën op zich voldoende kunnen zijn om aan te nemen dat zij een grond voor vervolging uitmaken moet door de asielautoriteit worden nagegaan of deze ideeën of de houding van de vluchteling “door de autoriteiten als een daad van oppositie tegen haar macht worden beschouwd en een uiting zijn van een politieke overtuiging” (VBC 23/03/1992, E021 geciteerd in Rev. Dr Etr., 194,80-81, 542). Het nieuwe stuk toont aan dat de overheid mijn kliënt manifest als maobadi beschouwt en dat dit in de hierna beschreven context van de Nepalese burgeroorlog als een daad van oppositie tegen de royalistische macht wordt beschouwd; Volledigheidshalve wenst verzoeker op te merken dat de vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem als een 'zeer actief sympathisant van de MAOBADI’ beschouwde, wat mijn kliënt evenwel nooit alsdusdanig heeft geclaimed, integendeel heeft verzoeker voldoende uiteengezet dat hij zelfs tegen zijn zin in bij de Maobadi werd ingelijfd; Evenwel wordt herhaald dat de perceptie door de overheid bepalend is! (UNHCR guidelines: Handbook on procedures and criteria for determining refugee status, UNHCR, Geneva, january 1998) Dat intussen voldoende vaststaat dat de overheid op weinig omzichtige wijze en zonder dat de elementaire mensenrechten net zomin als de rechten van verdediging dienaangaande op enige wijze zouden worden gerespecteerd, massaal en zonder al teveel onderscheid personen, burgers zonder meer beschuldigen van lidmaatschap van de verboden Maobadibeweging en zonder enige vorm van proces elimineren; Het nieuwe stuk is niet in de motivering van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen in overweging genomen aangezien dit stuk op dat ogenblik niet in de nederlandse taal was vertaald zoals vereist door artikel 13 van het KB van 19/05/1993 houdende de regeling en de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; Dat verzoeker evenwel de facto, zelfs nadien, niet over de mogelijkheid beschikt om een dergelijke gelegaliseerde voor eensluidend verklaarde vertaling voor te brengen aangezien geen beëdigde vertaler wordt gevonden die het nepali machtig is; In bijlage wordt voorlopig een vertaling gevoegd in de taal van de procedure. Dit stuk is op zich een voldoende nieuw gegeven samen met de recente ontwikkelingen in het land van herkomst Nepal om de nieuwe asielaanvraag te gronden; De rapporten die beschikbaar zijn tonen aan dat de situatie escaleert op alle fronten : XIV-13.278-4/11 - rapport van Al van mei 2002: Nepal: Unlawful killings must be prevented Amnesty International today called for an independent investigation in response to reports that more than 500 members of the Communist Party of Nepal (Maoist) have been killed by the security forces at Lisne Lek in Rolpa district since 3 May. The organization warned there could be more killings as the security forces' operation is continuing and several hundred Maoists are reportedly being surrounded. The official figures given are: 548 Maoists, three soldiers and one policeman killed. "So far, no figures have been released with the number of Maoists wounded or arrested. That could be an indication that the security forces went out to deliberately kill rather than arrest, a common practice in Nepal," Amnesty International said. Amnesty International is urging that the bodies are not immediately disposed of and that the scene of the killings is safeguarded to ensure that an independent investigation can verify the exact circumstances of the killings. It calls upon the authorities to give full cooperation to any inquiry, including by providing prompt: and unhindered access to the areas concerned. An independent investigation team, from the National Human Rights Commission of Nepal or a similar body, should be given powers to ascertain whether international human rights and humanitarian law standards have been respected and to recommend criminal prosecution of anyone found to have been responsible for unlawful killings. Amnesty International is concerned that the figures of people killed, as provided by the Ministry of Defence, suggest that international standards which require the security forces to respect the right to life and refrain from using lethal force unless absolutely necessary have not been respected. While acknowledging the grave threat to law and order in the country posed by the Maoists, Amnesty International is maintaining that in such circumstances, it is important for the security forces to respect the right to life and uphold international standards on the use of force and treatment of prisoners. Amnesty International has also expressed concern at rewards for the capture, dead or alive, of senior Maoist leaders issued by the authorities recently. "Such announcements amount: to an encouragement: by the authorities for the security forces to violate the right to life. They undermine the rule of law and guarantees of due process as laid down in the Constitution.” Een ander rapport van amper een maand eerder klaagt de manier aan waarop beweerdelijke Maoïsten worden geëlimineerd en gewaagt verder tevens van talrijke mensenrechtenschendingen waaraan de Maoisten zich schuldig maken: (rapport A.I.04/04/2002) “The conflict has had a grave impact on civilians. Scores of civilians are likely to be among the 1,300 suspected Maoists killed by the security forces and the Maoists have killed more than 440 civilians believed to be 'enemies of the revolution',” Amnesty International said. Ignoring the rules of war, the police have killed several hundred Maoists who should have been taken into custody and the Maoists have executed scores of police officers who were wounded, taken prisoner or who had surrendered. The situation has deteriorated since peace talks broke down and a state of emergency was declared in November last year. Police have arrested more than 5000 people, and special counter-terrorism measures have undermined basic human rights. “Where is the accountability when the head of police has said that police officers have killed innocent people and maltreated locals during patrols? This cycle of violence will not be broken until the government takes serious action to investigate human rights violations and punish those responsible,” Amnesty International said. At least 29 teachers have been deliberately killed by the Maoists, including two members of Amnesty International. The dead body of Lekhnath Gautam, a 34-year-old teacher and father of three, was found on 23 March 2002 in Panchthar district. Maoists abducted him from his home in the middle of the night two days earlier. Like many teachers before him, he was probably killed because of his membership of the Nepal Teachers' Association which is considered close to the ruling Nepal! Congress Party (NC). Scores of teachers have also been maimed. Amnesty International has appealed directly to the Maoist leadership Lo respect: the rules of war. The Maoists, who now control a sizable proportion of the country, have taken around 500 people hostage, tortured scores of people, sentenced people to death in "people's XIV-13.278-5/11 courts", and recruited child soldiers. They have targetted not only the security forces but also socio-economic targets uch as factories and telecommunications towers. While recognising the grave security threat posed by the "people's war" Amnesty International is urging the government to adopt a broad-based strategy to ensure protection of the full range of human rights including access to education, services and economic development. Amnesty International's report also said that the international community has been slow to wake up to the human rights crisis in Nepal and should offer sustained assistance to bring about a resolution. The turmoil in Nepal could exacerbate already high regional tensions. “Nepal is facing a downward spiral of violence and instability -- respect for human rights must be at the heart of urgent efforts to stop and reverse t:his decline,” Amnesty International said. Dat verzoeker ten overvloede verwijst naar het jaarrapport 2002 van A.I.; Dat verzoeker verwijst naar het jaarrapport van Reporters sans Frontières van 2002 (www.rsf.org) ; Dat verzoeker verwijst naar het jaarrapport 2002 van CEHURDES, Center for Human Rights and Democratic Studies, Kathamandu (www.cehurdes.org.np); Dat inderdaad het behoort in casu de tweede asielaanvraag van verzoeker op grond van een nieuw nooit in overweging genomen stuk te beoordelen èn ook in het licht van de nieuwe gebeurtenissen en met name: - de annulering van de verkiezingen van november 2002 - de ongrondwettelijke machtsgreep van de koning GYANENDRA en de benoeming van een koningsgezind premier, LOKENDA BANADUR CHAND en de alomverwachte verslechtering van de situatie van de Maobadi gelet op de concentratie van de macht (zie in dit verband de analyse gemaakt door BBC News Worldservice (http://news.bbc.co.uk/1/hi/world/south_asia) - de aanhoudende stroom van moordpartijen in NEPAL en de escalerende burgeroorlog die er woedt en meer bepaald de berichten van escalatie van de conflicten tussen de regeringstroepen en de Maobadi (zie in dit verband voor diverse feiten: www.nepalnews.com/kathmandu Post/Nepal Times) - de steeds hardere aanpak van Maobadi door die regeringstroepen en de de facto instandhouding van de in september afgelopen noodtoestand (cf berichtgeving gevoegd in de stukken 3,4,5) Dat middels dit nieuwe stuk verzoeker aantoont PERSOONLIJK riskeert te zullen worden geviseerd door de autoriteiten; Dat verzoeker een arbitraire behandeling vreest en zelfs een buitengerechtelijke executie; Dat een dergelijke vrees niet lichtzinnig is en wordt gesteund op voornoemde rapporten uit verschillende hoek; Verder dient overigens opgemerkt dat de laatste CEDOCA rapporten omtrent NEPAL niet zonder meer in hun algemeenheid kunnen worden toegepast op elke kandidaat- vluchteling; In een recent arrest van de Raad van State van 3 september 2002 (109985 inzake THIKONOVA) werd inderdaad de praktijk van het ongenanceerd transponeren van een algemeen rapport zonder de individuele elementen van de aanvraag voldoende in overweging te nemen, teruggefloten. Het behoort aan de asielautoriteit om de individueel voorliggende elementen af te wegen en in rekening te brengen; In casu is het nieuwe stuk, tevens rekening gehouden met de recente ontwikkelingen, van dien aard een individueel gegeven aan te brengen. Dat verzoeker verder wenst duidelijk te stellen dat de missierapporten van het CGVS (CEDOCA, maart 2002 en de aanvulling van juni 2002 en de laatste update van augustus 2002) alsdusdanig niet de actuele situatie vatten en de diverse ingrijpende nieuwe feiten niet in rekening brengen; Verzoeker brengt een overzicht van de laatste 2 maanden via de persberichten van REUTERS in stuk 6; Hieruit blijkt voldoende dat de situatie van leden van maobadi bijzonder verslechterd is sinds de opvoering van de strijd en de recente gebeurtenissen; XIV-13.278-6/11 Hieruit blijkt dat het US State Department de situatie als bijzonder verslechterd aanmerkt; De Raad van State heeft in het verleden terecht (heeft) geëist dat de motivering van de asielinstanties (DVZ en Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen) op objectieve motieven berust (CE, n/ 51176, 17 januari 1995) en niet op veronderstellingen, persoonlijke interpretaties of overschouwingen of politieke reflecties (Raad van State, arrest n/ 51.048, 5 mei 1995); De cedocarapporten referen weliswaar naar bepaalde bronnen doch consulteren belangrijke andere bronnen niet (A.I., US state department, RFS, ... ); Men kan zich dan ook werkelijk afvragen welkeen gehalte aan objectiviteit deze rapporten dienen toegedicht en of zij niet meer tot doel hebben een interne asielpolitiek of bepaalde economische dossiers, met name de wapenleveringen aan Nepal door FN, moeten ruggesteunen. Het selectief hanteren van bepaalde bronnen komt inderdaad neer op niet meer of minder dan een persoonlijke interpretatie van een politieke en militaire situatie. Ik breng tot slot de vaste rechtsspraak van de Raad van State in herinnering die stelt dat om uit te maken of een asielaanvraag ontvankelijk kan worden verklaard of een verder onderzoek al dan niet kan worden toegestaan het volstaat dat een coherent en geloofwaardig relaas voorligt met betrekking tot feiten die op het eerste zicht ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève en zijn aanvullend Protocol. Het stuk dat voorligt is een stuk dat nooit is in overweging genomen door de Vaste Beroepscommissie om de hiervoren vermelde reden. Het stuk wordt in origineel voorgebracht met inbegrip van de enveloppe waarin het stuk aan verzoeker werd overgemaakt; Er zijn prima facie geen elementen voorhanden om de authenticiteit van het stuk te betwisten; Het betreft een aangeplakte oproeping wat overeenstemt met de gangbare manier van oproepen door politie-eenheden in Nepal; Dat om te kunnen oordelen of al dan niet een aanvraag bedrieglijk of kennelijk ongegrond voorkomt, de asielautoriteit zich moet baseren op vaststaande gegevens en duidelijke argumenten (C.E. WUMBA, n/ 57.531 van 16/01/1996; MIAH, n/ 58.886 van 27 maart 1996 en n/ 58.957 van 29 maart 1996; SA-SM/CGVS arrest n/ 69.217 van 28 oktober 1997, TVR, 1998, n/ 1 & 2, 36; arrest n/ 57.708 van 22 januari 1996, BAH CHERNO SADU en meer recent Raad van State, arrest n/ 85.806 van 3 maart 2000, TVR, oktober 2000, 172 en arrest n/ 85.862 van 9 maart 2000, TVR, oktober 2000, 173) Ik dank U de tweede aanvraag van mijn kliënt in overweging te nemen en ontvankelijk te verklaren;” EN DOORDAT, de bestreden beslissing alsvolgt wordt gemotiveerd: “Overwegende dat betrokkene op 5 maart 2001 een eerste asielaanvraag indiende en er voor hem een beslissing tot weigering van verblijf werd genomen vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat het CGVS een beslissing 'ontvankelijk' nam en op (
- op)31 mei 2002 een beslissing nam van niet-erkenning van de betrokkene. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie op 9 september 2002 een beslissing van niet-erkenning nam. Overwegende dat de betrokkene op 26 november 2002 een tweede aanvraag indiende waarbij hij verklaarde niet te zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Overwegende dat betrokkene contact houdt met zijn vrouw via brieven en dat de politie naar hem op zoek zou zijn. Overwegende dat de betrokkene zijn identiteitskaart, een arrestatiebevel, een boarding pass, een schoolcertificaat, een kaart van een hotel in Delhi en documenten in verband met een banklening waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene deze reeds tijdens de behandeling van zijn eerste asielaanvraag naar voren had kunnen en moeten brengen. Overwegende dat de betrokkene copie van de identiteitskaart van zijn vrouw en zijn moeder en een reeks internetartikelen naar voren brengt waarbij opgemerkt moet worden dat deze documenten geen betrekking hebben op betrokkene persoonlijk. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe gegevens naar voren brengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève” TERWIJL, XIV-13.278-7/11 Artikel 51/8 van de Wet van 15 december 1980 voorziet: “De Minister, of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951. De nieuwe gegevens betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen.” De Minister van Binnenlandse Zaken kan slechts toepassing maken van artikel 51/8 van de Wet van 15/12/1980 in geval de verzoekende partij geen enkel nieuwe element in voornoemde zin laat gelden; De motieven die aan de grondslag van de beslissing liggen moeten duidelijk en klaar zijn; De bedoeling van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing, door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn (zie R.v.St., 3 april 1992, RONDELEZ, nr. 39161; R.v.St., 4 mei 1992, VAN LAEKEN, nr. 39.285); Dat dit klaarblijkelijk niet het geval is voor wat betreft de bestreden beslissing dewelke een aanfluiting is van de motiveringsplicht; De tegenpartij hult zich in een compleet stilzwijgen en geeft geen enkele verklaring of motivering waarom het nieuwe stuk, een originele politieoproeping, dat is aangebracht door verzoeker en waarvan vaststaat dat het nooit in overweging is genomen door de asielautoriteiten tijdens de eerste asielaanvraag, bovendien samen genomen met een aantal nieuwe ontwikkelingen in het land van oorsprong met name de annulering wettelijk voorziene verkiezingen, een onwettelijke machtsgreep en een verhoogde campagne ten aanzien van de leden van de Mao-Badipartij, voor verzoeker geen nieuwe elementen zouden uitmaken in de zin van artikel 51/8 van de Vw die aantonen dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951. Verwerende partij volstaat enkel en alleen te stellen : “Overwegende dat de betrokkene zijn identiteitskaart, een arrestatiebevel, een boarding pass, een schoolcertificaat, een kaart van een hotel in Delhi en documenten in verband met een banklening waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene deze reeds tijdens de behandeling van zijn eerste asielaanvraag naar voren had kunnen en moeten brengen.” Dat de motivering op dit punt volledig naast de kwestie is en geen enkele relevantie heeft ten aanzien van de gegevens die verzoeker aanbracht; Dat immers dient opgemerkt dat de meeste documenten die worden opgesomd wel reeds werden voorgebracht bij de eerste asielaanvraag (copie id-kaarten van moeder en vrouw nog niet); Dat ook de originele politie-oproeping (en geen arrestatiebevel zoals de bestreden beslissing verkeerdelijk vermeldt) reeds in graad van beroep in de eerste asielaanvraag werd voorgebracht doch dit document door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen toen niet in overweging is genomen bij gebreke aan een voor eensluidende verklaarde vertaling bij gebreke aan het voorhanden zijn van een beëdigd vertaler; Dat de verwerende partij dus niet antwoordt op het argument van verzoeker en op de nochtans zeer directe relevantie van dit nieuwe stuk; Dat een beslissing die niet op de essentiële gegevens die worden aangehaald om het nieuwe element te staven antwoordt, niet afdoende is gemotiveerd ( Raad van State 28 februari 2000, arrest n/ 85642) Dat dit nieuwe stuk aantoont wat verzoeker steeds heeft gesteld met name te worden beschouwd door de Nepalese overheid als een lid van de Mao-Badi; Dat dit nieuw element een nieuw bewijsgegeven is en als een nieuw element dient beschouwd; (zie Raad van State 57.384 van 5 januari 1996, R.D.E., 1996, 387 met noot Martine DUPONT) XIV-13.278-8/11 Dat verzoeker met dit nieuwe gegeven ook aantoont dat hij wel degelijk een mogelijke vrees in de zin van de Conventie dient te koesteren in zijn land van herkomst omdat hij er als MaoBadi-lid wordt beschouwd; Dat verzoeker inderdaad dan ook (niet) niet zomaar '... een reeks internetartikelen naar voren brengt waarbij moet opgemerkt worden dat deze documenten geen betrekking hebben op de betrokkene persoonlijk'; Dat verzoeker ter staving van zijn tweede asielaanvraag inderdaad ook de bijzondere nieuwe ontwikkelingen in zijn land en het intense offensief dat de Nepalese overheid lanceerde tegen leden van Mao-badi heeft uiteengezet; Dat in het schrijven van 12/11/2002 van de raadsman van verzoeker deze werden beschreven en verzoeker er zich uitdrukkelijk op steunde : “ - de annulering van de verkiezingen van november 2002 - de ongrondwettelijke machtsgreep van de koning GYANENDRA en de benoeming van een koningsgezind premier, LOKENDA BANADUR CHAND en de alomverwachte verslechtering van de situatie van de Maobadi gelet op de concentratie van de macht (zie in dit verband de analyse gemaakt door BBC News Worldservice (http://news.bbc.co.uk/1/hi/world/south-asia) - de aanhoudende stroom van moordpartijen in NEPAL en de escalerende burgeroorlog die er woedt en meer bepaald de berichten van escalatie van de conflicten tussen de regeringstroepen en de Maobadi (zie in dit verband voor diverse feiten: www.nepalnews.com/kathmandu Post/Nepal Times) - de steeds hardere aanpak van Maobadi door die regeringstroepen en de de facto instandhouding van de in september afgelopen noodtoestand (cf berichtgeving gevoegd in de stukken 3,4,5) Dat middels dit nieuwe stuk verzoeker aantoont PERSOONLIJK riskeert te zullen worden geviseerd door de autoriteiten; Dat verzoeker een arbitraire behandeling vreest en zelfs een buitengerechtelijke executie; Dat een dergelijke vrees niet lichtzinnig is en wordt gesteund op voornoemde rapporten uit verschillende hoek; Verder dient overigens opgemerkt dat de laatste CEDOCA rapporten omtrent NEPAL niet zonder meer in hun algemeenheid kunnen worden toegepast op elke kandidaat- vluchteling; In een recent arrest van de Raad van State van 3 september 2002 (109985 inzake THIKONOVA) werd inderdaad de praktijk van het ongenanceerd transponeren van een algemeen rapport zonder de individuele elementen van de aanvraag voldoende in overweging te nemen, teruggefloten. Het behoort aan de asielautoriteit om de individueel voorliggende elementen af te wegen en in rekening te brengen; In casu is het nieuwe stuk, tevens rekening gehouden met de recente ontwikkelingen, van dien aard een individueel gegeven aan te brengen. Dat verzoeker verder wenst duidelijk te stellen dat de missierapporten van het CG VS (CEDOCA, maart 2002 en de aanvulling van juni 2002 en de laatste update van augustus 2002) alsdusdanig niet de actuele situatie vatten en de diverse ingrijpende nieuwe feiten niet in rekening brengen; Verzoeker brengt een overzicht van de laatste 2 maanden via de persberichten van REUTERS in stuk 6; Hieruit blijkt voldoende dat de situatie van leden van maobadi bijzonder verslechterd is sinds de opvoering van de strijd en de recente gebeurtenissen; Hieruit blijkt dat het US State Department de situatie als bijzonder verslechterd aanmerkt;” Dat verzoeker aldus bij zijn tweede asielaanvraag aantoont wel degelijk door de overheid van zijn land als mao-badi te worden beschouwd en deze perceptie hem blootstelt aan mogelijke vervolgingen zoals precies in deze zeer recente informatie die in de stukken 2 tot en met 6 werd voorgebracht, wordt aangetoond; Verwerende partij kan dan ook onmogelijk beweren dat deze nieuwe feiten en ontwikkelingen die dateren van NA de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor XIV-13.278-9/11 Vluchtelingen en waarvan verzoeker dus onmogelijk melding kon maken, geen relevantie hebben omdat ze hem niet persoonlijk betreffen; Ze betreffen hem wel degelijk persoonlijk in de mate hij door de Nepalese overheid als een Mao-badi-lid wordt aangemerkt; De Conventie van Genève neemt immers niet alleen de uit eigen ervaringen ondergane vervolgingen in het land van herkomst in overweging, maar tevens de mogelijke risico's dat dergelijke vervolgingen zich zouden voordoen, om de status toe te kennen wanneer zou blijken dat personen in het land van herkomst die zich in eenzelfde of vergelijkbare situatie bevinden een dergelijke vervolging ondergaan ( Handbook on procedures and criteria for determining refugee status, UNHCR, Geneva, january 1998, n/ 43); Verzoekende partij beroept zich dus terecht op al de gegevens die hij heeft voorgebracht om aan te tonen dat hij, beschouwd als lid van mao-badi, vrees voor vervolging koestert; De verwerende partij gaat hieraan totaal ten onrechte voorbij; Door al deze gegevens bewust te miskennen heeft de tegenpartij een zware appreciatiefout gemaakt en heeft zij nagelaten te behoorlijk te statueren, nochtans op de hoogte van al deze pertinente gegevens; De motiveringsplicht dient des te scrupuleuzer te zijn nu deze beslissing oordeelt over de toegang tot een procedure; In casu mangelt het de bestreden beslissing aan een pertinente en correcte motivering en schendt de verwerende partij de op haar rustende motiveringsplicht opgelegd door de wettelijke bepalingen hiervoren geciteerd; ZODAT Het middel gegrond is;”; 3.2.1. Overwegende dat in het middel de schending van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, de motiveringsplicht, zoals omschreven in het artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 1 tot 3 van de Formele Motiveringswet, en de zorgvuldigheidsplicht wordt aangevoerd; 3.2.2. Overwegende dat, op basis van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, een nieuwe asielaanvraag geweigerd kan worden om in overweging te worden genomen indien geen nieuwe elementen worden aangebracht die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen; dat de bedoeling van deze bepaling erin bestaat herhaalde asielaanvragen op basis van dezelfde elementen te vermijden; dat in casu blijkt dat verzoeker “nieuwe” elementen aanvoert die hij reeds kon hebben aangevoerd in de eerste asielprocedure; dat hij zich beroept op elementen die betrekking hebben op de eerste asielaanvraag, doch waarvan het stavingsstuk ten tijde van de beroepsprocedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet in aanmerking werd genomen, met toepassing van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 houdende de regeling en de werking van deze commissie, omdat dit document niet vertaald was en enkel in het Nepalees was gesteld; dat in de huidige procedure dit stuk wordt neergelegd met een “vertaling onder voorbehoud van nazicht door een beëdigd tolk”; dat, aangezien hij ten tijde van de eerste asielprocedure dit stuk blijkbaar al in zijn bezit had, niet kan worden ingezien waarom hij dit stuk niet met een gelijkaardige “officieuze” vertaling kon hebben neergelegd bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, nu blijkt dat dit stuk, enkel in het Nepalees werd neergelegd en als dusdanig onbegrijpelijk was voor de rechters van dit rechtscollege; dat verzoeker moet worden geacht niet alle relevante gegevens te hebben XIV-13.278-10/11 ingeroepen tijdens zijn eerste asielaanvraag; dat dit document niet kan worden beschouwd als een “nieuw” element in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet; dat de bestreden beslissing vervolgens terecht kon vaststellen dat geen “nieuwe” gegevens in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet naar voren werden gebracht, met als logisch gevolg dat de verwerende partij de nieuwe asielaanvraag kon weigeren in overweging te nemen; dat het enig middel niet gegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig mei tweeduizend en vijf, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-13.278-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div