id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 mei 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.189 Rolnummer: A. 135853/XIV-14808 Zaak: Arrest 145189 - - 31/05/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 16:30 Fiche Arrest nr 145.189 van 31 mei 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.189 van 31 mei 2005 in de zaak A. 135.853/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. LAZARUS, kantoor houdende te 4700 EUPEN, Kaperberg 50 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 24 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 december 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; XIV-14.808-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. WEISGERBER, die loco advocaat M. LAZARUS verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché Ch. LECHAT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 5 september 2002 en zich vluchteling verklaart op 6 september 2002; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 2 december 2002 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 10 april 2003 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 14 februari 2003 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2). U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt; dat zij aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is, dat de motivering onjuist is waar wordt gesteld dat de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot inlichtingen van 14 februari 2003 binnen de maand na de verzending ervan, dat met een brief van 24 februari 2003 medische attesten zijn meegedeeld waaruit blijkt dat de verzoekende partij tot 22 maart 2003 geen verplaatsingen kon maken en dat erop werd gewezen dat de verzoekende partij bijkomende verklaringen wenste af te leggen vermits in de brief van 24 februari 2003 XIV-14.808-2/6 wordt gesteld: “Puis-je vous alors demander de bien vouloir convoquer Monsieur XXX après le 22.03.2003.”; 2.1.
- Overwegende dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven: (...) ‘4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending, geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan geven”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de commissaris-generaal op 14 februari 2003 een oproeping voor een verhoor op 25 februari 2003 om 08.30u en een verzoek om inlichtingen in de zin van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet aan de verzoekende partij heeft gestuurd; dat in die brief wordt gesteld dat de verzoekende partij bij een geval van overmacht om gevolg te geven aan de oproeping, binnen de maand de reden en een bewijs van die overmacht moet opsturen; dat in de brief verder wordt gesteld: “In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (bijvoorbeeld documenten, verduidelijkingen van of aanvullingen bij uw vroegere verklaringen) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.” Overwegende dat uit die formulering duidelijk blijkt dat het niet enkel om een “oproeping” doch tevens om een “verzoek om inlichtingen” in de zin van het voormelde artikel 52, § 2, 4/ gaat; Overwegende dat de verzoekende partij met een ter post aangetekend schrijven van haar raadsman van 24 februari 2003 een medisch attest van dr. DECKERS aan het commissariaat-generaal heeft overgemaakt, waarin wordt bevestigd dat de verzoekende partij geen verre verplaatsingen kan maken; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij met de bestreden beslissing echter niet wordt verworpen omdat zij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping, maar wel omdat zij geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen; dat de verzoekende partij met een medisch attest betreffende de onmogelijkheid om verre verplaatsingen te maken geen XIV-14.808-3/6 geldige reden aannemelijk maakt om niet op dat verzoek om inlichtingen in te gaan; dat zij, gezien de duidelijke inhoud van de brief van 14 februari 2003, geen onwetendheid kan aanvoeren over de noodzaak om inlichtingen aan het commissariaat-generaal mee te delen; dat in de bestreden beslissing de feitelijke elementen worden aangegeven die de commissaris-generaal tot de toepassing van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet hebben gebracht en dat naar dat artikel wordt verwezen; dat uit het voorgaande blijkt dat de verzoekende partij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen; dat de commissaris-generaal, gezien de duidelijke verwijzingen in zijn brief van 14 februari 2003 te dezen impliciet doch zeker kon veronderstellen dat een asielzoeker, die, zonder daarvoor een geldige reden te kunnen inroepen, geen belangstelling toont voor het onderzoek van zijn asielaanvraag, het risico loopt dat zijn aanvraag onontvankelijk wordt verklaard; dat dergelijk evident gevolg, dat overigens in een uitdrukkelijke wettekst is neergelegd, geen nadere motivering behoeft; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van artikel 6 van het E.V.R.M., van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het fair play-beginsel; dat zij aanvoert dat het ministerie van Buitenlandse zaken (de verzoekende partij bedoelt kennelijk de minister van Binnenlandse Zaken) en de commissaris-generaal hun beslissing hebben genomen zonder de verzoekende partij te horen, dat het overleggen van medische attesten niet tot een nieuwe oproeping heeft geleid, dat de verzoekende partij zich al op 10 oktober 2002 in Kelmis heeft aangemeld, dat de minister van Binnenlandse Zaken hiervan al door een brief van 9 september 2002 op de hoogte werd gesteld, dat de oproepingen en beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken desondanks nog naar de zetel van het commissariaat-generaal werden gestuurd, dat het commissariaat-generaal deze vergissing door het dringend beroep heeft ingezien en dat het tegen het beginsel van behoorlijk bestuur, het fair play-beginsel en artikel 6 van het E.V.R.M. is om de verzoekende partij omwille van omstandigheden buiten haar wil niet te horen; 2.2.
- Overwegende dat de kritiek tegen de betekening van de in eerste aanleg door de minister van Binnenlandse Zaken (en niet de minister van Buitenlandse Zaken, zoals de verzoekende partij telkens stelt) niet dienstig is nu de verzoekende partij tijdig dringend beroep tegen die beslissing heeft kunnen instellen; dat de verzoekende partij, anders dan zij voorhoudt, bij de behandeling in eerste aanleg van haar asielaanvraag wel werd gehoord, zodat het middel in die mate en daargelaten de vraag naar de ontvankelijkheid, minstens feitelijke grondslag mist, Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing op wettige wijze toepassing kon maken van artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de door haar aangehaalde beginselen geschonden zijn door XIV-14.808-4/6 toepassing te maken van een mogelijkheid die in de wet is voorzien en waarvoor de verzoekende partij in de brief van 14 februari 2003 uitdrukkelijk was gewaarschuwd; dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 6, § 1, van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures zoals deze waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag, dat de commissaris-generaal met de thans bestreden beslissing terdege handelt als administratieve overheid en niet als een administratief rechtscollege; dat het tweede middel in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op éénendertig mei tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-14.808-5/6 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.808-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.