← België

Arrest 145224 - - 01/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.224 Rolnummer: A. 124594/VII-27385 Zaak: Arrest 145224 - - 01/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 16:35 Fiche Arrest nr 145.224 van 1 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 145.224 van 1 juni 2005 in de zaak A. 124.594/VII-27.385 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. PUZAJ, kantoorhoudende te 4000 LUIK, rue du Général Bertrand 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 26 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 30 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 12 april 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 18 mei 2005; VII-27.385-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MAHY, die, loco advocaat V. PUZAJ, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 12 oktober 1999 en verklaarde zich op 13 oktober 1999 vluchteling. 1.
  3. Op 3 januari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 11 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Oezbeeks staatsburger van Russische origine, verklaart gehuwd te zijn met Marcheva Jelena (OV 4.885.897), een Oezbeeks staatsburger van half Russische en half Koreaanse origine. Eind juli 1999 ontdekten jullie dat het slot van jullie appartement in Tashkent was veranderd en de woning was ingenomen door een Oezbeekse politieagent. De lokale politie wilde jullie niet helpen en beledigden jullie omwille van jullie Russische origine. U wendde zich vervolgens tot de lokale administratie van de wijk die u vertelde dat uw appartement na een inspectie is overgedragen aan het districthof. Op 2 augustus 1999 diende u een schriftelijk klacht in bij de districtsrechtbank. U werd vervolgens opgeroepen op 20 augustus
  5. U kreeg echter enkel een vonnis van de rechtbank te horen waarin de beslissing van de lokale administratie werd bevestigd. Onmiddellijk ging u in beroep bij de stedelijke rechtbank. Hiervoor werd u opgeroepen op 3 september
  6. De rechtbank verdaagde de zitting echter met twee maanden. U nam een advocaat onder de arm die u, na studie van het dossier, echter aanraadde de zaak niet verder aanhangig te maken omwille van banden tussen de politieagent die in uw woning woonde (Asjurov) en de burgemeester. Op 8 september 1999 werd u opgeroepen bij de politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Na een hele dag te hebben gewacht en allerlei vragen te hebben beantwoord, werd u gezegd dat u uw klacht met betrekking tot de woning moest intrekken. U en uw familie werden bedreigd als u het niet zo doen. U weigerde en vertrok. Op straat werd u door mannen in burger opnieuw meegenomen naar de politie, VII-27.385-2/7 ditmaal van wijk
  7. U werd opgesloten, zwaar geslagen en beledigd omwille van uw origine. U verloor het bewustzijn en werd nadien letterlijk op straat gegooid. U kreeg medische verzorging van een buur. Omwille van uw vrees voor bijkomende vervolging dook u op 11 september 1999 onder bij een vriend. U schreef nog wel een brief naar president Karimov en naar de Ministerraad. U riep ook de hulp in van de Russische ambassade, maar zij zegden dat ze u niet konden helpen. Op 27 september 1999 vernam de vriend bij wie u onderdook dat de politie een huiszoeking had gedaan bij jullie tweede appartement en er drugs hadden gevonden. Er werden ook bijkomende convocaties afgegeven, waarin u als beschuldigde werd opgeroepen. U besliste het land te verlaten. Op 2 oktober 1999 verliet u samen met uw echtgenote Marcheva Jelena en uw twee minderjarige kinderen Vadin en Roman, Oezbekistan. Op 12 oktober 1999 kwam u aan in België. Op 13 oktober 1999 heeft u asiel aangevraagd bij de Belgische autoriteiten. U bent in het bezit van uw eigendomscontract, de geboorteakte van u en uw kinderen, huwelijksakte, militair boekje, kopie van uw werkpasje, medisch attest, diploma's, brief aan de president, twee politieconvocaties dd. 27 september 1999, en 24 publicaties uit diverse media met betrekking tot de algemene toestand in Oezbekistan. Uit uw verklaringen en deze van uw vrouw (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal) blijkt dat u, en uw vrouw, omwille van jullie origine werden vervolgd in Oezbekistan ten gevolge waarvan jullie onderdoken en tenslotte het land zijn ontvlucht. U verklaarde eveneens (Commissariaat-generaal p.12) dat alle Russen in Oezbekistan worden vervolgd, in die mate zelfs dat er geen Russische media meer toegelaten zijn. Er dient echter te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde problemen en deze van andere etnische Russen in Oezbekistan, niet stroken met de informatie waarover het CommissariaatGeneraal beschikt (bronnen: CEDOCA, Missierapport Oezbekistan van de lmmigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken, 25/11 - 09/12/2000 en Informatie Oezbekistan Cedoca, februari 2001; CEDOCA, Situatie van Koreanen in Oezbekistan, dd. 01/06/2001; en informatie beschikbaar op het Commissariaat-generaal). Aangezien uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van systematische en gerichte vervolging vanwege de Oezbeekse overheid ten opzichte van de Russische of Koreaanse bevolkingsgroep omwille van etnische motieven, en uw verklaringen bijgevolg hiermee volstrekt tegenstrijdig zijn, wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas compleet ondermijnd. Uit deze informatie blijkt overigens dat de Oezbeekse overheid steeds meer de neiging heeft om de emigratie van Russen, met name de braindrain, tegen te gaan, wat de ongeloofwaardigheid van uw verklaringen nog meer versterkt. Uw documenten zijn niet van die aard bovenstaande elementen van ongeloofwaardigheid ongedaan te maken. Ze betreffen ofwel persoonsgegevens welke niet ter discussie staan (eigendomscontract, de geboorteakte van u en uw kinderen, huwelijksakte, militair boekje, kopie van uw werkpasje, medisch attest, diploma's), ofwel algemene gegevens met betrekking tot de situatie in Oezbekistan (24 publicaties uit diverse media). Uw brief aan de president van Oezbekistan en de twee politieconvocaties leveren geen bewijs van de door uw beweerde vervolgingen. Aan de authenticiteit van de twee politieconvocaties, beiden dd. 27/09/1999, dient overigens in ernstige mate getwijfeld te worden, aangezien sinds 1995 met betrekking tot de Strafwet en het Wetboek van strafvordering in Oezbekistan immers niet meer de benaming "Socialistische Sovjetrepubliek Oezbekistan" wordt gebruikt, maar enkel nog "Republiek Oezbekistan" (CEDOCA, Antwoordfiche dd. 30/10/2001: Wetboek strafvordering + strafwet).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  8. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van het recht van verdediging, van het beginsel van het recht op een eerlijk proces en van het beginsel van de tegenspraak; dat de verzoekende partij stelt dat de verhoren op de Dienst VII-27.385-3/7 Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet behoorlijk zijn verlopen; Overwegende dat de aangehaalde beginselen enkel van toepassing zijn op jurisdictionele procedures en niet op een administratieve procedure zoals deze voorzien door de artikelen 51 e.v. en 63 e.v. van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het middel niet gegrond is; 2.
  9. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 3 het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van artikel 26 van het Internationaal Verdrag van New York van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, van artikel 14 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), van artikel 4 van het vierde protocol bij dit verdrag en van artikel 1 van het twaalfde protocol bij datzelfde verdrag; dat in wezen wordt betoogd dat er geen geïndividualiseerde beslissing is, maar dat de verwerende partij eigenlijk steeds dezelfde beslissing neemt tegenover de onderdanen van het land van herkomst van de verzoekende partij, wat neerkomt op een collectieve beslissing, dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de informatiebronnen waarover hij beschikt niet heeft meegedeeld en dat deze bronnen bovendien niet betrouwbaar zijn; dat de verzoekende partij voorhoudt bij terugkeer naar haar land van herkomst te vrezen voor vervolging en beweert dat de commissaris-generaal, die voorheen adjunct-kabinetschef zou zijn geweest van de minister van Binnenlandse Zaken geen blijk geeft van de nodige onafhankelijkheid en onpartijdigheid; Overwegende dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanreikt waaruit zou kunnen blijken dat haar asielaanvraag niet individueel zou zijn behandeld; dat de verslagen waaruit de commissaris-generaal zijn informatie heeft geput zich in het administratief dossier bevinden; dat enkel wordt gesuggereerd maar niet aangetoond dat deze bronnen niet betrouwbaar zijn; dat niet concreet wordt uiteengezet waarin de vrees voor vervolging bij terugkeer in hoofde van de verzoekende partij zou bestaan; dat een verwijzing naar de beweerde algemene situatie in het land van herkomst terzake niet volstaat; dat de Heer P. Smet, commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, nooit adjunct-kabinetschef van de minister van Binnenlandse Zaken is geweest; dat het middel ongegrond is; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, van artikel 14 van de VII-27.385-4/7 universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, van de artikelen 1 en 33 van de Conventie van Genève, van artikel 3 van het E.V.R.M. en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij tracht aan te tonen dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd is; Overwegende dat de universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 een beginselverklaring is die geen rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde; dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat de verzoekende partij ook een schending van artikel 33 van voornoemd Verdrag inroept; dat, zonder dat moet worden nagegaan of deze verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft en of zij te dezen van toepassing is, moet worden gesteld dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de overheden die over de asielaanvraag moeten oordelen, niet zouden mogen beslissen dat die aanvraag niet ontvankelijk of ongegrond is; dat het verbod tot uitzetting of terugleiding enkel slaat op een uitvoerende beslissing op grond waarvan de vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard verplicht zou worden terug naar zijn land van herkomst te gaan; dat de commissaris-generaal terzake slechts een advies geeft overeenkomstig artikel 63/5 in fine van de Vreemdelingenwet; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991, tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; dat, zo kan worden aangenomen dat de verzoekende partij ook de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij een gedeelte van de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden minimaliseert of nuanceert, maar deze niet tegenspreekt; dat die tegenstrijdigheden steun vinden in het administratief dossier, meer bepaald in de door de verzoekende partij afgelegde verklaringen; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat, in het licht van het geheel van de motieven van de bestreden beslissing, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing zou hebben genomen die steunt op onjuiste feiten of die kennelijk onredelijk is; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat dit in VII-27.385-5/7 de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat de Raad enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat de verzoekende partij in wezen vraagt de feiten opnieuw te beoordelen, maar niet aantoont, en zelfs geen poging daartoe onderneemt, dat het oordeel van de commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn; dat de commissaris-generaal te dezen met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet een eindbeslissing heeft genomen over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat hij, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van de vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat hij zich in het huidige geval gesteund heeft op de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij; dat deze verklaringen aangetast bleken door tegenstrijdigheden; dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij is ondermijnd, doordat het ingaat tegen de informatie waarover de commissaris- generaal beschikt; dat deze beslissing naar behoren formeel is gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal zich te dezen heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren; dat de verzoekende partij zoals reeds gezegd niet aantoont dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk zou zijn; dat de verzoekende partij de door haar aangevoerde schending van artikel 3 E.V.R.M. ontwikkelt op basis van dezelfde feiten als haar asielrelaas; dat, nu uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het asielrelaas van de verzoekende partij op wettige wijze als bedrieglijk werd beschouwd, er niet kan worden besloten tot een schending van artikel 3 E.V.R.M; dat het middel niet gegrond is; 2.
  11. Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 13 van het E.V.R.M., van artikel 16 van de Conventie van Genève en van het recht te beschikken over een daadwerkelijk rechtsmiddel in geval van inbreuk op een fundamenteel recht; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe en waarin haar beweerd “fundamenteel recht” te dezen zou zijn geschonden; dat het middel niet gegrond is; VII-27.385-6/7
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op één juni tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.385-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.