id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.281 Rolnummer: A. 105674/XIV-4912 Zaak: Arrest 145281 - - 01/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 16:37 Fiche Arrest nr 145.281 van 1 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 145.281 van 1 juni 2005 in de zaak A. 105.674/XIV-4.912. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN PRAET, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 7 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 101.398 van 30 november 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 24 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-4.912-1/9 Gelet op de beschikking van 22 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEPOVERE, die loco advocaat B. VAN PRAET, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 maart 2001 en zich vluchteling verklaart op 4 april 2001; dat op 4 april 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 9 mei 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 26 april 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Albanese taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr.Filip Tuytschaever loco Mr. Van Pract en zijn pleegmoeder, Mevrouw Deschryvere- Brugge. Betrokkene beweert een etnische Albanees afkomstig uit Preshevë - volgens betrokkene in Kosovo gesitueerd - te zijn. In november 2000 zou betrokkenes vader zich bij het 'Kosovaars Bevrijdingsleger (UCK) aangesloten hebben. Hij zou er tegen de Serviërs meegevochten hebben. Vanaf januari 2001 zou de Servische politie herhaaldelijk betrokkenes ouderlijke woning binnengevallen zijn en de aanwezigen beledigd hebben . Op 30 of 31 februari (!) 2001 zou de Servische politie opnieuw naar betrokkenes ouderlijke woning zijn gekomen en er betrokkene en zijn vader beledigd en met de dood bedreigd hebben. Betrokkenes vader zou tevens met een automatisch wapen geslagen zijn. Omdat betrokkenes vader vreesde voor het leven van zijn zonen, zou hij besloten hebben om hen naar het buitenland te sturen. Op 1 maart 2001 zouden betrokkene en zijn meerderjarige broer, Iijan, via Macedonië naar België uitgeweken zijn. Betrokkene vroeg er op 4 april 2001 asiel aan. Sinds zijn aankomst in België zou betrokkene geen contact meer hebben met zijn oudere broer. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat betrokkene geenszins aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk uit Preshevë afkomstig te zijn. Hij is niet in het bezit van enige documenten die zijn identiteit kunnen staven en slaagde er bovendien niet in de in Joegoslavië gebruikelijke identiteitsdocumenten correct te benoemen. Zo beweerde betrokkene dat er in Joegoslavië een identiteitsdocument, in het Albanees ‘Licni Karte’ of ‘certificate’, genoemd, bestaat (verhoor Verslag CGVS p. 5 en 6). Er dient echter vastgesteld te worden dat de correcte Servische benaming voor dit identiteitsdocument (identiteitskaart) ‘Licna Karta’ is, terwijl de Albanese benaming ‘letërnjoftim’ is. Een ‘certificate’ is echter geen Joegoslavische identiteitskaart maar een in Albanië gebruikelijke benaming voor ‘geboorteakte’. Daarenboven kon betrokkene niet antwoorden op een aantal elementaire kennisvragen over zijn beweerd land van herkomst. Zo beweerde betrokkene herhaaldelijk dat Preshevë in Kosovo ligt en dat hij de Kosovaarse nationaliteit bezit (Identificatiefiche vraag 1 e.v.,verhoorverslag CGVS bijlage 1 en p. 4, 5), terwijl het algemeen geweten is dat Preshevë een stad in het zuiden van Servië is en dat een Preshevaar -evenals een Kosovaar - de XIV-4.912-2/9 Joegoslavische nationaliteit bezit. Gevraagd naar de president van het land waarin Preshevë gesitueerd is, antwoordde betrokkene I. R. (verhoorverslag CGVS p. 4). Laatstgenoemde is echter de voorzitter van de grootste politieke partij uit Kosovo, de ‘Democratische Liga van Kosovo', en de officieus verkozen Kosovaarse president, terwijl de president van Servië, waar Preshevë zich in werkelijkheid bevindt, Milan Milutinovic is. Betrokkene kon de naam van de Joegoslavische president niet geven (verhoorverslag CGVS p. 4), terwijl Vojislav Kostunica het wereldnieuws haalde toen hij eind 2000 de nieuwe Joegoslavische president werd. Toen aan betrokkene gevraagd werd om de vlag van het land waarin Preshevë zich bevindt te beschrijven, antwoordde hij dat deze vlag uit een rode achtergrond met een zwarte adelaar bestaat (verhoorverslag CGVS p. 4 en 5). Deze beschrijving voldoet echter niet aan die van de Servische vlag', die uit een horizontale rode, blauwe en witte band bestaat, maar is wel de beschrijving van de vlag van de etnische Albanezen uit Kosovo en van Albanië zelf. Betrokkene verklaarde dat zijn vader zich pas in november 2000 bij het 'Kosovaars Bevrijdingsleger’ zou aangesloten hebben en dat de oorlog in Kosovo, volgens betrokkene zijn land van herkomst, nog steeds bezig zou zijn (verhoorverslag CGVS p. 1 en 2). Hieromtrent dient echter opgemerkt te worden dat het etnisch conflict in Kosovo officieel beëindigd werd met de goedkeuring van Resolutie 1244 door de V.N.-Veiligheidsraad (10 juni 1999) en dat het UCK officieel in september 1999 volledig ontbonden was (Kosovo Report Card, ICG Balkans Report Nr. 100, 28 augustus 2000). Bovendien spreekt betrokkene luidens zijn verklaringen geen woord Servisch, zelfs courant gebruikt termen zoals goedendag, straat of politiepost zijn hem totaal onbekend (verhoorverslag CGVS p. 3 en 4). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan in casu geen geloof gehecht worden aan betrokkenes beweerde afkomst en vluchtmotieven. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 4 april 2001. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren."; 2.1. Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken in zijn memorie van antwoord opwerpt dat onderhavig annulatieberoep te zijnen opzichte niet-ontvankelijk is omdat de bestreden beslissing autonoom genomen werd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; 2.2. Overwegende dat op grond van artikel 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) alle maatregelen tot verwijdering van het grondgebied die zijn genomen ten opzichte van de vreemdeling, worden geschorst tijdens de termijn waarbinnen men een dringend beroep kan instellen bij de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alsmede tijdens de duur van het onderzoek van dat beroep; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dient beschouwd te worden als tegenpartij wat betreft de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf, die de beslissing tot weigering van verblijf van de minister van Binnenlandse Zaken volledig opslorpt; dat de minister van Binnenlandse Zaken dient beschouwd te worden als tegenpartij met betrekking tot de verwijderingsmaatregel ten gevolge van de beslissing tot weigering van verblijf; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen; XIV-4.912-3/9 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel opwerpt, dat luidt als volgt: “Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, stelt verzoeker volgende middelen tot nietigverklaring voor: Het commissariaat-generaal heeft ten onrechte geoordeeld dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn, en/of dat verzoeker niet zou aantonen dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. Uit het bovenstaande feitenverloop blijkt integendeel duidelijk dat verzoeker een gegronde reden had om zijn land te verlaten, en een uiterst acuut risico loopt van schending van de Conventie van Genève in geval van terugleiding naar zijn land van oorsprong, waar hij immers zonder enige twijfel onmiddellijk opnieuw zou worden geconfronteerd met bedreiging, intimidatie en geweldpleging, en dit in een context waarbij de eigen autoriteiten en politiediensten in zijn land - die weliswaar door de etnische bevolkingsgroep waartoe verzoeker behoort, worden gezien als een bezettingsmacht -, louter op grond van etnische afkomst, verzoeker en zijn gezinsleden op barbaarse wijze behandelen. Verzoeker meent - terecht - wel degelijk aan de criteria van de Conventie van Genève te voldoen. De commissaris-generaal baseert zijn negatieve beslissing ten onrechte op een aantal beweerde tegenstrijdigheden en/of 'fouten' in het relaas van verzoeker, die echter alle te verklaren zijn door het feit dat - verzoeker slechts zeer beknopt kon worden gehoord, en onder zware spanning stond; - verzoeker minderjarig is, hetgeen uiteraard gevolgen heeft voor zijn kijk op de wereld en op de realiteit; - verzoeker omwille van zijn sterk etnisch-Albanese bewustzijn, dat hem van kindsbeen af is meegegeven, etnisch-politiek 'gekleurde' antwoorden heeft verstrekt op bepaalde vragen die hem werden gesteld. Concreet: a. Verzoeker noemt het identiteitsdocument in Joegoslavië, waartoe Presheve officieel behoort, ‘Licni Karte’. Het wordt hem blijkbaar verweten dat dit in het Servisch ‘Licna Karta’ zou zijn. Het aannemen van een dergelijk onbeduidend verschil (in uitspraak ?) als basis voor een fundamentele beslissing betreffende de ontvankelijkheid van een asielaanvraag, is onzinnig. b. Er wordt ook nog verwarring gezaaid rond het woord ‘certificate’, dat door verzoeker ook als een identiteitsdocument wordt genoemd maar in werkelijkheid de Albanese benaming voor een ‘geboorteakte’ zou zijn. Gelet op de leeftijd van verzoeker en het feit dat hij uiteraard niet beslagen is in administratieve aangelegenheden, is het eveneens totaal onzinnig om zijn asielaanvraag op deze grond af te wijzen. c. Tijdens het interview werd aan verzoeker gevraagd wanneer hij precies beledigd en met de dood bedreigd zou zijn, aangezien deze feiten de directe aanleiding vormden tot zijn vlucht. Verzoeker, die op 1/03/2001 zijn vaderland ontvluchtte, antwoordde toen ‘de laatste dagen van februari, de 30ste of 31ste of zo’. Het feit dat er uiteraard geen 30ste of 31ste februari bestaat, wordt hem nu op een misleidende manier in de schoenen geschoven om beweerdelijk aan te tonen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn. Dit is, opnieuw, onzinnig en gelet op de leeftijd van verzoeker een waar staaltje van 'spijkers op laag water zoeken'. In de omstandigheden van een zo belangrijk interview op het CGVS, met de vanzelfsprekende stress die verzoeker als minderjarige daarbij ondervond, is een dergelijke vrij banale onnauwkeurigheid geen grond om een asielaanvraag af te wijzen. Men moet bij dit alles ook rekening houden met het feit dat de woorden van verzoeker weliswaar werden vertaald, maar niet woordelijk/letterlijk, zodat de nuances van wat hij precies zei (zie hoger) mogelijk verloren zijn gegaan bij de vertaling. d. De antwoorden die verzoeker verstrekte op de ‘elementaire kennisvragen over zijn land van herkomst’, waren alle gebaseerd op zijn etnische identiteit zoals verzoeker die beleeft en die hem van kindsbeen af werd meegegeven. In die optiek beschouwt hij zichzelf uiteraard als Albanees Kosovaar, is I. R. voor hem de enige echte president (die trouwens officieus werd verkozen !), en is de vlag van zijn land natuurlijk de Albanese. Opnieuw moet hier worden verwezen naar de leeftijd van verzoeker en naar de etnische context van het conflict dat verzoeker is ontvlucht. Door hiermee geen enkele rekening te houden, miskent de commissaris-generaal de essentie van de asielaanvraag van verzoeker en van de situatie waaruit hij is gevlucht. e. Dat verzoeker de recent verkozen Joegoslavische president niet kan noemen, is een pure kennisvraag, zodat men hem niet mag ten kwade duiden dat hij deze niet kon beantwoorden. XIV-4.912-4/9 Hoeveel Vlaamse 17-jarigen zouden b.v. de Waalse minister-president kunnen noemen ? Of zelfs de Vlaamse ? Of de president van ons buurland Frankrijk ? f. Verzoeker verklaarde dat de oorlog in Presheve nog aan de gang is, terwijl deze officieel beëindigd is. Opnieuw heeft verzoeker hier geantwoord vanuit zijn achtergrond als etnisch Albanees, zoon van een verzetsstrijder, en bovendien minderjarig. Het lijdt bovendien geen twijfel dat het conflict in Presheve en in een aantal omliggende gebiedsdelen nog lang niet ten einde is, zoals dagelijks blijkt uit het wereldnieuws. In die context heeft men in de situatie van verzoeker bitter weinig aan VN-resoluties, die bijwijlen geen grond vinden in de realiteit ter plaatse. Opnieuw wordt verzoeker ten onrechte 'gepakt' op beweerde onnauwkeurigheden die er in feite geen zijn. Door ondanks dit alles negatief te besluiten, is er aldus sprake van machtsafwending in hoofde van het commissariaat-generaal. De terugleiding van verzoeker naar zijn land van oorsprong zou zeer ernstige gevolgen hebben voor de fysieke en psychische integriteit van verzoeker, omdat hij in Albanië zonder enige twijfel opnieuw bloot zou staan aan bedreiging, intimidatie en geweldpleging. Het commissariaat-generaal heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden, en overschrijdt aldus zijn appreciatiebevoegdheid. Bovendien schiet de beslissing aldus tekort wat de motivering ervan betreft (zie punt 3). De bevestigende beslissing tot weigering van verblijf is onvoldoende gemotiveerd, en is louter gebaseerd op een aantal foutieve gevolgtrekkingen die hoger werden weerlegd. Blijkbaar veronachtzaamt men hier volkomen de voornaamste dimensie van het probleem, die door verzoeker ook te berde werd gebracht, nl. dat hij een etnisch Albanees/Kosovaar is, wat leidde tot barbaars gedrag vanwege de Servische politiediensten, hetgeen bij hem terecht de gegronde vrees deed ontstaan dat hij het slachtoffer zou worden van verdere vervolgingen en geweldplegingen als hij zijn land niet ontvluchtte. Dat derhalve de nietigverklaring van de beslissing wordt gevorderd wegens
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.