← België

Arrest 145281 - - 01/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.281 Rolnummer: A. 105674/XIV-4912 Zaak: Arrest 145281 - - 01/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-21 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 16:37 Fiche Arrest nr 145.281 van 1 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 145.281 van 1 juni 2005 in de zaak A. 105.674/XIV-4.912. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN PRAET, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, 2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 7 juni 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 101.398 van 30 november 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 24 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-4.912-1/9 Gelet op de beschikking van 22 oktober 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEPOVERE, die loco advocaat B. VAN PRAET, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 6 maart 2001 en zich vluchteling verklaart op 4 april 2001; dat op 4 april 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 9 mei 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 26 april 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Albanese taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr.Filip Tuytschaever loco Mr. Van Pract en zijn pleegmoeder, Mevrouw Deschryvere- Brugge. Betrokkene beweert een etnische Albanees afkomstig uit Preshevë - volgens betrokkene in Kosovo gesitueerd - te zijn. In november 2000 zou betrokkenes vader zich bij het 'Kosovaars Bevrijdingsleger (UCK) aangesloten hebben. Hij zou er tegen de Serviërs meegevochten hebben. Vanaf januari 2001 zou de Servische politie herhaaldelijk betrokkenes ouderlijke woning binnengevallen zijn en de aanwezigen beledigd hebben . Op 30 of 31 februari (!) 2001 zou de Servische politie opnieuw naar betrokkenes ouderlijke woning zijn gekomen en er betrokkene en zijn vader beledigd en met de dood bedreigd hebben. Betrokkenes vader zou tevens met een automatisch wapen geslagen zijn. Omdat betrokkenes vader vreesde voor het leven van zijn zonen, zou hij besloten hebben om hen naar het buitenland te sturen. Op 1 maart 2001 zouden betrokkene en zijn meerderjarige broer, Iijan, via Macedonië naar België uitgeweken zijn. Betrokkene vroeg er op 4 april 2001 asiel aan. Sinds zijn aankomst in België zou betrokkene geen contact meer hebben met zijn oudere broer. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat betrokkene geenszins aannemelijk heeft gemaakt daadwerkelijk uit Preshevë afkomstig te zijn. Hij is niet in het bezit van enige documenten die zijn identiteit kunnen staven en slaagde er bovendien niet in de in Joegoslavië gebruikelijke identiteitsdocumenten correct te benoemen. Zo beweerde betrokkene dat er in Joegoslavië een identiteitsdocument, in het Albanees ‘Licni Karte’ of ‘certificate’, genoemd, bestaat (verhoor Verslag CGVS p. 5 en 6). Er dient echter vastgesteld te worden dat de correcte Servische benaming voor dit identiteitsdocument (identiteitskaart) ‘Licna Karta’ is, terwijl de Albanese benaming ‘letërnjoftim’ is. Een ‘certificate’ is echter geen Joegoslavische identiteitskaart maar een in Albanië gebruikelijke benaming voor ‘geboorteakte’. Daarenboven kon betrokkene niet antwoorden op een aantal elementaire kennisvragen over zijn beweerd land van herkomst. Zo beweerde betrokkene herhaaldelijk dat Preshevë in Kosovo ligt en dat hij de Kosovaarse nationaliteit bezit (Identificatiefiche vraag 1 e.v.,verhoorverslag CGVS bijlage 1 en p. 4, 5), terwijl het algemeen geweten is dat Preshevë een stad in het zuiden van Servië is en dat een Preshevaar -evenals een Kosovaar - de XIV-4.912-2/9 Joegoslavische nationaliteit bezit. Gevraagd naar de president van het land waarin Preshevë gesitueerd is, antwoordde betrokkene I. R. (verhoorverslag CGVS p. 4). Laatstgenoemde is echter de voorzitter van de grootste politieke partij uit Kosovo, de ‘Democratische Liga van Kosovo', en de officieus verkozen Kosovaarse president, terwijl de president van Servië, waar Preshevë zich in werkelijkheid bevindt, Milan Milutinovic is. Betrokkene kon de naam van de Joegoslavische president niet geven (verhoorverslag CGVS p. 4), terwijl Vojislav Kostunica het wereldnieuws haalde toen hij eind 2000 de nieuwe Joegoslavische president werd. Toen aan betrokkene gevraagd werd om de vlag van het land waarin Preshevë zich bevindt te beschrijven, antwoordde hij dat deze vlag uit een rode achtergrond met een zwarte adelaar bestaat (verhoorverslag CGVS p. 4 en 5). Deze beschrijving voldoet echter niet aan die van de Servische vlag', die uit een horizontale rode, blauwe en witte band bestaat, maar is wel de beschrijving van de vlag van de etnische Albanezen uit Kosovo en van Albanië zelf. Betrokkene verklaarde dat zijn vader zich pas in november 2000 bij het 'Kosovaars Bevrijdingsleger’ zou aangesloten hebben en dat de oorlog in Kosovo, volgens betrokkene zijn land van herkomst, nog steeds bezig zou zijn (verhoorverslag CGVS p. 1 en 2). Hieromtrent dient echter opgemerkt te worden dat het etnisch conflict in Kosovo officieel beëindigd werd met de goedkeuring van Resolutie 1244 door de V.N.-Veiligheidsraad (10 juni 1999) en dat het UCK officieel in september 1999 volledig ontbonden was (Kosovo Report Card, ICG Balkans Report Nr. 100, 28 augustus 2000). Bovendien spreekt betrokkene luidens zijn verklaringen geen woord Servisch, zelfs courant gebruikt termen zoals goedendag, straat of politiepost zijn hem totaal onbekend (verhoorverslag CGVS p. 3 en 4). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan in casu geen geloof gehecht worden aan betrokkenes beweerde afkomst en vluchtmotieven. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 4 april 2001. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren."; 2.1. Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken in zijn memorie van antwoord opwerpt dat onderhavig annulatieberoep te zijnen opzichte niet-ontvankelijk is omdat de bestreden beslissing autonoom genomen werd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; 2.2. Overwegende dat op grond van artikel 63/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) alle maatregelen tot verwijdering van het grondgebied die zijn genomen ten opzichte van de vreemdeling, worden geschorst tijdens de termijn waarbinnen men een dringend beroep kan instellen bij de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alsmede tijdens de duur van het onderzoek van dat beroep; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dient beschouwd te worden als tegenpartij wat betreft de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf, die de beslissing tot weigering van verblijf van de minister van Binnenlandse Zaken volledig opslorpt; dat de minister van Binnenlandse Zaken dient beschouwd te worden als tegenpartij met betrekking tot de verwijderingsmaatregel ten gevolge van de beslissing tot weigering van verblijf; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen; XIV-4.912-3/9 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel opwerpt, dat luidt als volgt: “Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, stelt verzoeker volgende middelen tot nietigverklaring voor: Het commissariaat-generaal heeft ten onrechte geoordeeld dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn, en/of dat verzoeker niet zou aantonen dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. Uit het bovenstaande feitenverloop blijkt integendeel duidelijk dat verzoeker een gegronde reden had om zijn land te verlaten, en een uiterst acuut risico loopt van schending van de Conventie van Genève in geval van terugleiding naar zijn land van oorsprong, waar hij immers zonder enige twijfel onmiddellijk opnieuw zou worden geconfronteerd met bedreiging, intimidatie en geweldpleging, en dit in een context waarbij de eigen autoriteiten en politiediensten in zijn land - die weliswaar door de etnische bevolkingsgroep waartoe verzoeker behoort, worden gezien als een bezettingsmacht -, louter op grond van etnische afkomst, verzoeker en zijn gezinsleden op barbaarse wijze behandelen. Verzoeker meent - terecht - wel degelijk aan de criteria van de Conventie van Genève te voldoen. De commissaris-generaal baseert zijn negatieve beslissing ten onrechte op een aantal beweerde tegenstrijdigheden en/of 'fouten' in het relaas van verzoeker, die echter alle te verklaren zijn door het feit dat - verzoeker slechts zeer beknopt kon worden gehoord, en onder zware spanning stond; - verzoeker minderjarig is, hetgeen uiteraard gevolgen heeft voor zijn kijk op de wereld en op de realiteit; - verzoeker omwille van zijn sterk etnisch-Albanese bewustzijn, dat hem van kindsbeen af is meegegeven, etnisch-politiek 'gekleurde' antwoorden heeft verstrekt op bepaalde vragen die hem werden gesteld. Concreet: a. Verzoeker noemt het identiteitsdocument in Joegoslavië, waartoe Presheve officieel behoort, ‘Licni Karte’. Het wordt hem blijkbaar verweten dat dit in het Servisch ‘Licna Karta’ zou zijn. Het aannemen van een dergelijk onbeduidend verschil (in uitspraak ?) als basis voor een fundamentele beslissing betreffende de ontvankelijkheid van een asielaanvraag, is onzinnig. b. Er wordt ook nog verwarring gezaaid rond het woord ‘certificate’, dat door verzoeker ook als een identiteitsdocument wordt genoemd maar in werkelijkheid de Albanese benaming voor een ‘geboorteakte’ zou zijn. Gelet op de leeftijd van verzoeker en het feit dat hij uiteraard niet beslagen is in administratieve aangelegenheden, is het eveneens totaal onzinnig om zijn asielaanvraag op deze grond af te wijzen. c. Tijdens het interview werd aan verzoeker gevraagd wanneer hij precies beledigd en met de dood bedreigd zou zijn, aangezien deze feiten de directe aanleiding vormden tot zijn vlucht. Verzoeker, die op 1/03/2001 zijn vaderland ontvluchtte, antwoordde toen ‘de laatste dagen van februari, de 30ste of 31ste of zo’. Het feit dat er uiteraard geen 30ste of 31ste februari bestaat, wordt hem nu op een misleidende manier in de schoenen geschoven om beweerdelijk aan te tonen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn. Dit is, opnieuw, onzinnig en gelet op de leeftijd van verzoeker een waar staaltje van 'spijkers op laag water zoeken'. In de omstandigheden van een zo belangrijk interview op het CGVS, met de vanzelfsprekende stress die verzoeker als minderjarige daarbij ondervond, is een dergelijke vrij banale onnauwkeurigheid geen grond om een asielaanvraag af te wijzen. Men moet bij dit alles ook rekening houden met het feit dat de woorden van verzoeker weliswaar werden vertaald, maar niet woordelijk/letterlijk, zodat de nuances van wat hij precies zei (zie hoger) mogelijk verloren zijn gegaan bij de vertaling. d. De antwoorden die verzoeker verstrekte op de ‘elementaire kennisvragen over zijn land van herkomst’, waren alle gebaseerd op zijn etnische identiteit zoals verzoeker die beleeft en die hem van kindsbeen af werd meegegeven. In die optiek beschouwt hij zichzelf uiteraard als Albanees Kosovaar, is I. R. voor hem de enige echte president (die trouwens officieus werd verkozen !), en is de vlag van zijn land natuurlijk de Albanese. Opnieuw moet hier worden verwezen naar de leeftijd van verzoeker en naar de etnische context van het conflict dat verzoeker is ontvlucht. Door hiermee geen enkele rekening te houden, miskent de commissaris-generaal de essentie van de asielaanvraag van verzoeker en van de situatie waaruit hij is gevlucht. e. Dat verzoeker de recent verkozen Joegoslavische president niet kan noemen, is een pure kennisvraag, zodat men hem niet mag ten kwade duiden dat hij deze niet kon beantwoorden. XIV-4.912-4/9 Hoeveel Vlaamse 17-jarigen zouden b.v. de Waalse minister-president kunnen noemen ? Of zelfs de Vlaamse ? Of de president van ons buurland Frankrijk ? f. Verzoeker verklaarde dat de oorlog in Presheve nog aan de gang is, terwijl deze officieel beëindigd is. Opnieuw heeft verzoeker hier geantwoord vanuit zijn achtergrond als etnisch Albanees, zoon van een verzetsstrijder, en bovendien minderjarig. Het lijdt bovendien geen twijfel dat het conflict in Presheve en in een aantal omliggende gebiedsdelen nog lang niet ten einde is, zoals dagelijks blijkt uit het wereldnieuws. In die context heeft men in de situatie van verzoeker bitter weinig aan VN-resoluties, die bijwijlen geen grond vinden in de realiteit ter plaatse. Opnieuw wordt verzoeker ten onrechte 'gepakt' op beweerde onnauwkeurigheden die er in feite geen zijn. Door ondanks dit alles negatief te besluiten, is er aldus sprake van machtsafwending in hoofde van het commissariaat-generaal. De terugleiding van verzoeker naar zijn land van oorsprong zou zeer ernstige gevolgen hebben voor de fysieke en psychische integriteit van verzoeker, omdat hij in Albanië zonder enige twijfel opnieuw bloot zou staan aan bedreiging, intimidatie en geweldpleging. Het commissariaat-generaal heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden, en overschrijdt aldus zijn appreciatiebevoegdheid. Bovendien schiet de beslissing aldus tekort wat de motivering ervan betreft (zie punt 3). De bevestigende beslissing tot weigering van verblijf is onvoldoende gemotiveerd, en is louter gebaseerd op een aantal foutieve gevolgtrekkingen die hoger werden weerlegd. Blijkbaar veronachtzaamt men hier volkomen de voornaamste dimensie van het probleem, die door verzoeker ook te berde werd gebracht, nl. dat hij een etnisch Albanees/Kosovaar is, wat leidde tot barbaars gedrag vanwege de Servische politiediensten, hetgeen bij hem terecht de gegronde vrees deed ontstaan dat hij het slachtoffer zou worden van verdere vervolgingen en geweldplegingen als hij zijn land niet ontvluchtte. Dat derhalve de nietigverklaring van de beslissing wordt gevorderd wegens

  1. a)afwending van macht;
  2. b)gemis aan motivering;
  3. c)niet-naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur.”; 3.2. Overwegende dat de eerste verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In het eerste middel beroept verzoeker zich op machtsafwending omdat ten onrechte zou besloten zijn tot de bedrieglijkheid van de aanvraag. - Wat betreft het feit dat er sprake zou zijn van machtsafwending in hoofde van het commissariaat-generaal, antwoordt verweerder dat A. Mast bepaalt dat machtsafwending ‘... de onwettigheid (
  4. is)waarbij een bestuursorgaan de bevoegdheid welke hem bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven, gebruikt tot het nastreven van een ander doel’. (zie A. MAST, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 836-839.). De rechtspraak eist verder dat het ongeoorloofde kenmerk het enige doel van de betwiste maatregel zou zijn (zie arrest Raad van State nr. 2957 van 3 december 1953). Verzoeker maakt niet aannemelijk dat verweerder zijn macht heeft aangewend tot het nastreven van een ander doel dan het bepaalde oogmerk van algemeen belang. Verweerder heeft terecht, op basis van de in de bestreden beslissingen opgenomen overwegingen, kunnen besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag. Verzoeker tracht deze motieven te weerleggen: a/b. Verzoeker beroept zich op een aantal kleine taalfouten die niet zouden toelaten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag te beslissen. Verweerder antwoordt dat het om essentiële zaken gaat, nl. het identiteitsbewijs en dat deze motieven in samenhang met de andere motieven moeten worden gelezen. Daarbij merkt de verwerende partij nog op dat ze beroep doet op professionele tolken die eik gegeven nauwkeurig vertalen zodat de verschillen in de door verzoeker gegeven benaming van documenten en de officiële benaming hier geen oorsprong kunnen vinden. c. Verzoeker stelt dat niet tot de bedrieglijkheid kan worden besloten op basis van het vermelden van de 30ste of 31ste februari, hetgeen niet bestaat. Verweerder antwoordt dat hij dit element niet gebruikt om zijn beslissing te motiveren. d/e/f. Verzoeker verwijst naar zijn Albanees/Kosovaars gevoel om de leegtes betreffende de kennis ten aanzien van Joegoslavië te verrechtvaardigen. Verweerder antwoordt dat Preshevaren zich wel degelijk bewust zijn van hun Joegoslavische nationaliteit en het behoren tot dat land. Het statuut van Kosovo en het statuut van Preshevo haalden het wereldnieuws zodat enige verwarring bij verzoeker hieromtrent niet te rechtvaardigen is. Het eerste middel is niet ernstig. XIV-4.912-5/9 In het tweede middel roept verzoeker het overschrijden van de appreciatiebevoegdheid in daar de commissaris-generaal geen rekening zou hebben gehouden met de gevolgen van een eventuele terugleiding van verzoeker naar zijn land van oorsprong. - Verweerder antwoordt dat het merkwaardig is dat verzoeker zich beroept op ernstige gevolgen bij terugleiding naar zijn land van oorsprong omdat hij ‘in Albanië zou bloot staan aan bedreiging, intimidatie en geweldpleging’. Verzoeker beweert echter afkomstig te zijn van Preshevo, hetgeen zeker niet in Albanië ligt. - Volledigheidshalve stelt verweerder nog dat elke asielaanvraag door de commissaris-generaal afzonderlijk en individueel wordt onderzocht. Alvorens een beslissing te nemen bestudeert hij alle elementen beschikbaar in het administratief dossier. De commissaris-generaal neemt bij het nemen van een beslissing steeds de concrete situatie in het land van herkomst in aanmerking, zowel in de ontvankelijkheidsfase als bij de procedure ten gronde. Bovendien gaat het steeds om de situatie in het land van herkomst zoals deze bestaat op het ogenblik van het nemen van de beslissing. Het tweede middel is niet ernstig. In het derde middel beroept verzoeker zich op de schending van de motiveringsplicht. Vooreerst merkt verweerder op dat de specifieke motiveringsverplichting, vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, alsook de algemene motiveringsverplichting vervat in de wet van 29 juli 1991 tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Verweerder antwoordt dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. In casu werd de asielaanvraag, overeenkomstig artikel 52, bedrieglijk verklaard (zie antwoord op eerste middel). Het derde middel is niet ernstig. Verzoekers werpen tenslotte een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur op, zonder in concreto aan te duiden welk beginsel geschonden werd en zonder verdere toelichting. Het vierde middel is niet ernstig.”; 3.3. Overwegende dat de tweede verwerende partij zich in de memorie van antwoord aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Verzoeker stelt vast dat de dienst Vreemdelingenzaken zich, voor wat de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf betreft, aansluit bij het standpunt van het commissariaat- generaal, waarop hierna zal worden geantwoord. Met betrekking tot het bevel om het grondgebied te verlaten, houdt de dienst Vreemdelingenzaken ten onrechte voor dat er door verzoeker geen middel wordt ontwikkeld. Integendeel draagt het verzoekschrift als hoofding ‘Verzoekschrift tot nietigverklaring van een terugwijzings- of uitzettingsbesluit”, en is de inhoud ervan wel degelijk mede gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten. Dit blijkt duidelijk uit punt 2 van het verzoekschrift, waar wordt verwezen naar de zeer ernstige gevolgen van een eventuele terugwijzing voor de fysische en psychische integriteit van verzoeker. Wat de inhoud van één en ander betreft, laat verzoeker in die optiek de hierna volgende argumenten gelden zowel tegen de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf als tegen het bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeker handhaaft integraal zijn standpunt zoals omschreven in het verzoekschrift tot nietigverklaring, meer bepaald onder punt III waar de middelen werden geformuleerd. Wat het aangevoerde middel van machtsafwending betreft, is verzoeker van oordeel dat de verwerende partijen in casu de hen wettelijk toegekende bevoegdheden hebben aangewend tot het nastreven van een ander doel dan het beoogde ‘vrijwaren van het algemeen belang”, namelijk het onrechtmatig en met overdreven gestrengheid afwijzen van gegronde asielaanvragen om zo - om welke reden dan ook - de bestaande immigratiestromen in te dijken. XIV-4.912-6/9 Wat de poging tot weerlegging betreft van de motieven van verzoeker, geformuleerd in het verzoekschrift onder punt 1 a-f, wenst verzoeker als volgt te repliceren. a). Verzoeker handhaaft zijn standpunt dat het aannemen van het onbeduidende verschil (in uitspraak ?) tussen ‘Licni Karte’ en ‘Licna Karta’ als basis voor een fundamentele beslissing met betrekking tot iemands verblijfstoestand, volkomen onzinnig is. Het is kras dat men meent een dergelijk miniem (accent ?) verschil te moeten aanwenden als grond voor de bestreden beslissing. Dit heeft niets te maken met de al dan niet professionaliteit van de gebruikte tolken, het is een evidentie dat het verschil dermate miniem is dat er geen rekening kan mee worden gehouden. Men maakt hier ten onrechte een punt van taalverschillen die slechts even groot, of zelfs kleiner, zijn dan de bestaande verschillen tussen het Vlaamse en Nederlandse taalidioom, of tussen de onderscheiden Vlaamse dialecten en uitspraakverschillen. b.) De verwerende partijen antwoorden totaal niet op het argument, betreffende de verwarring rond het woord ‘certificate’, dat verzoeker ten tijde van het interview 17 jaar oud was, en uiteraard niet beslagen in dergelijke administratieve aangelegenheden. Het is betreurenswaardig dat het CGVS het nodig vindt om bij niet-begeleidende minderjarigen dergelijke absurde verhoortechnieken toe te passen en zijn beslissingen hierop te staven. Opnieuw heeft dit argument hoegenaamd geen uitstaans met de prestaties van de tolken, maar wél met de inhoudelijke absurditeit van de gestelde vragen. Het onderzoek van een asielaanvraag is geen quiz !
  5. c)De vergissing van verzoeker omtrent de 30e/31e februari, die uiteraard niet bestaat, wordt in de bestreden beslissing wel degelijk geaccentueerd door het plaatsen van een uitroepteken (!) achter de vermelding hiervan in het relaas van verzoeker. Dit is een impliciete ‘bespreking’ van deze vergissing, waarmee men lijkt aan te duiden dat men vindt dat het aanhalen van deze verkeerde datering een foutief of bedrieglijk karakter geeft aan het relaas. Hoe dan ook neemt verzoeker er akte van dat de verwerende partijen stellen dat dit argument niet gebruikt wordt ter motivering van de bestreden beslissing. d/e/f. De verwerende partijen gooien deze argumenten op een hoopje en stellen dat ‘Preshevaren zich wel degelijk bewust zijn van hun Joegoslavische nationaliteit en het behoren tot dat land. Het statuut van Kosovo en het statuut van Preshevo haalden het wereldnieuws zodat enige verwarring bij verzoeker hieromtrent niet te rechtvaardigen is’. De verwerende partijen negeren hier opnieuw op een ongelooflijke manier de hele essentie van de opeenvolgende Balkanoorlogen en - conflicten, die precies gebaseerd zijn op eeuwenoude breuklijnen omtrent het behoren tot een bepaalde nationaliteit of ethnie, en de daarmee gepaard gaande economische, politieke of andere discriminatie en onderdrukking van de ene groep ten overstaan van de andere. Zonder enige vermelding van bronnenmateriaal of zonder verdere motivering, stelt men zich hier - niet gehinderd door enige kennis van de feitelijke toestand ter plaatse - in de plaats van de hele Preshevaarse bevolking door lapidaire boutades naar voren te brengen omtrent het nationaliteitsgevoel. Dit is werkelijk onzinnig. Daar komt nog bij dat de familiale achtergrond (vader is verzetsstrijder) en de leeftijd (17
  6. j)van verzoeker op geen enkele manier in aanmerking wordt genomen, terwijl deze toch een doorslaggevende rol hebben in de manier waarop verzoeker de gestelde vragen heeft beantwoord. Tot slot wordt, ook wat dit aspect betreft, een asielaanvraag - ook ten aanzien van een zeventienjarige - gereduceerd tot een kennisonderzoek omtrent feitelijkheden mbt politiek, kennis van een andere taal (!?) of nationaliteit. Het gebrek aan kennis van de recentste aanstelling van dhr. Kostunica tot Joegoslavisch president, is niet verwonderlijk. Verzoeker was 17, doordrongen van een anti-Joegoslavisch gevoel, en was rechtstreeks in zijn woning geconfronteerd met bruut geweld tegen hemzelf en zijn familie. Men heeft in zo’n situatie ander bekommernissen ... Wanneer men trouwens verwijst naar het ‘wereldnieuws’ mag men hierin niet selectief zijn, en negeren dat het conflict in Presheve tot op vandaag aansleept. De memorie van antwoord van het CGVS verwijst fijntjes naar het feit dat het verzoekschrift het heeft over ‘Albanië’, terwijl Preshevo zeker niet in Albanië ligt. Voor zover men dit als een materiële vergissing zou beschouwen, is deze op het conto van de raadsman van verzoeker te schrijven. In de reeds uiteengezette context van de asielaanvraag van verzoeker, die zich etnisch Albanees voelt, is dit echter weinig meer dan haarklieverij. De essentie van het conflict waaraan verzoeker is ontvlucht, is precies dat zij hun territorium willen aansluiten bij Albanië, vandaar allicht deze vermelding. Het CGVS heeft bij het nemen van zijn beslissing zeker geen rekening gehouden met de actuele situatie in het land van herkomst, getuige de persberichten (aanvullende stukken 4-5) die erop wijzen dat pas enkele weken na de bestreden beslissing een - voor de Preshevaren nadelig en uiterst voorlopig - einde kwam aan het actieve gewapende conflict. Tot op vandaag is de situatie ter plekke echter nog niet gestabiliseerd, getuige de voortdurende aanwezigheid van VN-vredestroepen die geregeld met opflakkeringen van geweld te kampen hebben. Er is dus wel degelijk sprake van een overschrijding van de appreciatiebevoegdheid van het CGVS. XIV-4.912-7/9 De schending van de motiveringsplicht kan, gelet op het bovenstaande, worden afgeleid uit het feit dat de bestreden beslissing klaarblijkelijk is gesteund op een motivering die er geen is, aangezien op geen enkele manier wordt aangetoond dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn. De argumenten die het CGVS aanhaalt om hiertoe te besluiten, kunnen immers één voor één worden weerlegd. Aldus ontbreekt het de bestreden beslissing de facto aan enige terechte motivering, en is er sprake van willekeur.”; 3.4. Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit zou kunnen blijken dat een ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de bestreden beslissing en dat zij evenmin aanvoert om welk ander oogmerk dan het algemeen belang het daarbij zou gaan; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij de vaststellingen van de commissaris-generaal met betrekking tot de in Joegoslavië gebruikelijke identiteitsdocumenten en de elementaire kennis van haar land van herkomst, niet in concreto betwist, doch enkel het belang ervan tracht te minimaliseren door te wijzen op haar leeftijd, het feit dat zij slechts kort kon worden gehoord op het commissariaat en de etnische context van het conflict; dat, wat betreft de vaststellingen van de commissaris- generaal met betrekking tot het einde van het etnisch conflict in Kosovo en de ontbinding van het UCK, de verzoekende partij op louter algemene wijze betoogt doch niet in concreto aannemelijk maakt dat het conflict in Presheve en omstreken nog lang niet ten einde is; dat het betoog van de verzoekende partij met betrekking tot de actie van de Servische politie op 30 of 31 februari 2001 niet dienend is nu haar verklaringen hieromtrent geen motief vormen van de bestreden beslissing; dat zij niet ingaat op de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij geen woord Servisch spreekt; dat de verzoekende partij tenslotte uit het oog verliest dat de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen en dat niet ieder afzonderlijk in aanmerking genomen element een zelfstandig weigeringsmotief hoeft te vormen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft genomen op grond van onjuiste XIV-4.912-8/9 feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het middel ook in die mate ongegrond is; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één juni tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-4.912-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.