← België

Arrest 145285 - - 02/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.285 Rolnummer: Zaak: Arrest 145285 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 16:37 Fiche Arrest nr 145.285 van 2 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.285 van 2 juni 2005 in de zaken A. 73.335/VII-15.248 90.701/VII-20.

  1. In zake : I. + II. de n.v. INKART, die woonplaats kiest bij Advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : I. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
  2. II. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. INKART op 20 februari 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 december 1996 waarbij haar beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 6 juni 1996 houdende weigering van de vergunning om een indoor-carting, gelegen te Puurs, Ooievaarsnest 33, te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd (zaak A. 73.335/VII-15.248); Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoekende partij op 3 april 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 januari 2000 waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 juni 1999 houdende weigering van de vergunning voor "het veranderen door uitbreiding" van een indoor-carting, gelegen te Puurs, VII-15.248-1/22 Ooievaarsnest 33, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en vergunning wordt verleend om een zaal voor gemotoriseerde sportmanifestaties (indoor-carting) en aanhorigheden te exploiteren, maar tegelijk de vergunning wordt geweigerd om die inrichting uit te breiden met een buitenbaan (outdoor-carting) (zaak nr. A. 90.701/VII-20.911); Gelet op het arrest nr. 67.975 van 4 september 1997 waarbij de afstand van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt ingewilligd in de zaak A. 73.335/VII-15.248; Gezien het verzoek tot voortzetting, ingediend door de verzoekende partij in de zaak A. 73.335/VII-15.248; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 21 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE KETELAERE die, loco Advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat H. VAN OPSTAL die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij (zaak A. 73.335), en van Advocaat A. DE SCHAMPELEIRE die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij (zaak A. 90.701); Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; VII-15.248-2/22 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De rechtspleging Overwegende dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het gepast is de zaken samen te voegen;
  5. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  6. De verzoekende partij exploiteert een indoor-carting aan het Ooievaarsnest 33 te Puurs. Met betrekking tot de inrichting heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs op 10 mei 1994 akte genomen, geldend als vergunning, voor het exploiteren van een zaal voor sportmanifestaties (klasse III-inrichting ; vermelde rubrieken : 3.2., 15.1.1., 15.2., 16.8., 17.3.4.1., 32.2.3.). 2.
  7. Op 24 juli 1995 (vervolledigd op 9 februari 1996) dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een vergunningsaanvraag in voor de uitbreiding van de inrichting met : - de opslag van 3.000 liter benzine in een ondergrondse dubbelwandige tank; - een verdeelpomp; - een outdoor-cartingomloop bij een vergunde indoor-cartingomloop. 2.
  8. Met een besluit van 6 juni 1996 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning tot uitbreiding. 2.
  9. Op 29 juli 1996 tekent de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling beroep aan tegen de door de bestendige deputatie genomen weigeringsbeslissing. 2.
  10. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht. VII-15.248-3/22 2.
  11. Met een besluit van 20 december 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt het door de verzoekende partij ingestelde beroep ongegrond verklaard en wordt het beroepen besluit van 6 juni 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen integraal bevestigd. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 73.335/VII-15.
  12. 2.
  13. Gelet op de weigeringsgronden van bovenstaande beslissing, te weten het niet voldaan zijn aan een dwingende afstandsregel van Vlarem II, dient de verzoekende partij op 25 juni 1997, op grond van artikel 1.2.2.
  14. van Vlarem II, een aanvraag in om te mogen afwijken van de afstandsregel opgelegd door artikel 5.32.10.2., § 1, 2/, van Vlarem II. Bij besluit van 26 augustus 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling wordt aan de verzoekende partij een individuele afwijking op genoemde milieuvoorwaarde van Vlarem II toegestaan. Aan die afwijking, aangevraagd en gegeven met het oog op "een uitbreiding van een bestaande indoor karting met omlooplengte van 400 m met een gedeelte buitenbaan van 120 m lengte", worden verschillende voorwaarden gekoppeld. 2.
  15. Vervolgens dient de verzoekende partij op 17 november 1998 (vervolledigd op 11 december 1998) bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een nieuwe vergunningsaanvraag in met betrekking tot haar inrichting. Zij vraagt om haar inrichting "te veranderen door uitbreiding" onder meer "met een buitenbaan verbonden aan de indoorkarting" zodat de inrichting voortaan zou omvatten : - het lozen van maximum 2 m3/uur, 50 m3/jaar bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater; - het lozen van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater; - het reinigen van maximum 10 carts per dag; - de opslag van 100 liter benzine in bussen; - de opslag van 3.000 liter mazout in een ondergrondse houder; - de opslag van 300 liter olie in vaten; - een dieselgroep van 120 kW; - het exploiteren van een zaal voor gemotoriseerde sportmanifestaties; - een buitenbaan verbonden aan de indoor-carting. 2.
  16. Met een besluit van 10 juni 1999 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen andermaal de gevraagde milieuvergunning. Er worden planologische weigeringsmotieven opgegeven, namelijk de onverenigbaarheid VII-15.248-4/22 van de inrichting met de gewestplanbestemming van gebied voor milieubelastende industrieën en bosgebied. 2.
  17. Op 24 juli 1999 stelt de raadsman van de verzoekende partij administratief beroep in tegen voormelde weigeringsbeslissing. In het beroepschrift wordt onder meer betoogd dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in het verleden reeds verschillende milieuvergunningen heeft verleend voor de exploitatie van cart-circuits die in industriegebied gelegen zijn en dat uit de motivering van het beroepen besluit niet blijkt waarom de vergunning in het ene geval wel en in het andere niet verleend kan worden, dat de bestendige deputatie, nadat op haar vraag aangepaste plannen werden voorgelegd, er ten onrechte van is uitgegaan dat het buitencircuit deels in bosgebied gesitueerd is, dat de activiteiten van de verzoekende partij, zoals ze blijken uit de inschrijving in het handelsregister, wel degelijk verenigbaar zijn met de bestemming van gebied voor milieubelastende industrieën en dat het uitbaten van een carting-circuit zowel valt onder de noemer "industrie" als onder het adjectief "milieubelastend". In haar beroepschrift verwijst de verzoekende partij ook naar het voornoemd ministerieel besluit van 26 augustus 1998 waarin onder meer is gesteld dat bij de aanvraag tot afwijking een geluidsstudie uitgevoerd door een erkende deskundige werd gevoegd waarin werd besloten dat het risico op geluidshinder onder bepaalde voorwaarden aanvaardbaar is voor het meest nabije woongebied gelegen op 800 meter van de inrichting. 2.
  18. In het kader van de beroepsprocedure worden de volgende adviezen uitgebracht. a. Het advies van 24 augustus 1999 van de Gezondheidsinspectie is gunstig mits aan de vergunning een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden gekoppeld worden. b. De Vlaamse Milieumaatschappij verleent op 27 augustus 1999 voorwaardelijk gunstig advies voor het lozen van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater. c. Op 20 september 1999 verleent de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen het volgende advies : VII-15.248-5/22 "Volgens het gewestplan Mechelen (K.B. van 5 augustus 1976) is de inrichting deels gelegen in een gebied voor milieubelastende industrieën (artikel 8.2.1.
  19. van het K.B. dd. 28 december 1972) en deels in een bosgebied (artikel 12.4.
  20. van het K.B. dd. 28 december 1972). Voor de plaats in kwestie bestaat het bij koninklijk besluit van 21 februari 1961 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg nr. 12 De gebieden voor milieubelastende industrieën zijn bestemd voor de vestiging van bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezon- derd. De bosgebieden zijn de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf. Daarin zijn gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaar- de dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. Gelet op de onverenigbaarheid van de inrichting met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, wordt over de aanvraag een ongunstig advies uitgebracht". d. Het bestuur Milieuvergunningen adviseert op 23 september 1999 om het beroep gegrond te verklaren en aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning te verlenen. Als bijkomende bijzondere voorwaarden stelt het adviesverle- nend bestuur voor dat de exploitant zich zou gedragen naar de geldende code van goede praktijk voor de aanleg van kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties en dat de voorwaarden "vermeld in artikel 1 van het ministerieel besluit nr. AMV67269/602 van 26 augustus 1998, houdende toelating tot afwijking van sommige bepalingen van titel II van het Vlarem" strikt nageleefd worden. e. Op 27 september 1999 verleent de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie, de aanvrager van de vergunning gehoord, gunstig advies en stelt zij voor om aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning te verlenen. Aan die vergunning zouden evenwel een reeks bijzondere exploitatievoorwaarden verbonden moeten worden. f. Op 22 oktober 1999 deelt de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen haar "definitief standpunt" over de vergunningsaanvraag mee. Dat "definitief standpunt" verschilt grondig van het oorspronkelijke advies van 20 september 1999, zoals blijkt uit de hiernavolgende weergave : "Nader onderzoek van het dossier, o.m. de juiste inplanting van de installaties en van het gedeelte buitenbaan dat aan de exploitatie zou toegevoegd worden, blijkt dat deze volledig gelegen zijn in het gebied voor milieubelastende industrieën. Aan het bosgebied ernaast wordt niet geraakt. Voor het uitbreiden met het deel VII-15.248-6/22 Het gaat enkel om het, variabel, uitzetten van een tracé, door middel van met elkaar verbonden oude autobanden, op een van eertijds bestaande betonverharding. Er bestaat een basisvergunning via het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 10 mei 1994 van aktename van de melding en er bestaat ook een besluit van 26 augustus 1998 van de Minister van Leefmilieu, waarbij aan de exploitant de toelating verleend wordt af te wijken van de bepalingen van titel II van het Vlarem, artikel 5.32.10.
  21. § 1.2/ : Verbods- en afstandsregels. Het deel buitenbaan is voorzien aan de achterzijde van het gebouw en in de langsrichting ervan. De uitbating daarvan heeft geen stedenbouwkundige invloed op de omgeving en de goede ruimtelijke ordening kan er niet door geschaad worden. De inrichting heeft zeker geen puur recreatief karakter (er worden ook cart- en racewagentjes gebouwd, verbouwd en onderhouden) en is zeker alleen al als cart-circuit milieubelastend, ten bewijze daarvan de indeling in het Vlarem. Op stedenbouwkundig vlak zijn er derhalve geen bezwaren tegen het verder bestaan van de indoor-carting en tegen het gebruik van een deel van de bestaande betonverharding als buitenbaan". 2.
  22. Op 17 december 1999 neemt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw een beslissing waarbij de behandelingstermijn van het door de verzoekende partij ingediende beroep met één maand wordt verlengd. Die termijnverlenging wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat gelet op het verloop van het dossier het niet mogelijk is de normale behandelingstermijn van vijf maanden te eerbiedigen; dat het bijgevolg noodzakelijk is deze behandelingstermijn met één maand te verlengen". 2.
  23. Tijdens de verlengde behandelingstermijn brengt de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen andermaal een nieuw advies uit over de aanvraag. Dat derde advies is opnieuw ongunstig voor de aanvrager van de milieuvergunning. Samengevat komt het standpunt van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen er op neer dat de aangevraagde activiteiten strijdig zijn met de bestemming "zone voor nijverheid" van het nog steeds geldende bijzonder plan van aanleg nr. 12 "Willebroek Industriezone", goedgekeurd bij koninklijk besluit van 21 februari
  24. Het recreatief karakter van carting zou namelijk "in alle redelijkheid" niet in overeenstemming zijn met voormeld bestemmingsvoorschrift. Er zou evenmin toepassing gemaakt kunnen worden van de mogelijkheid, verschaft door artikel 43, § 6, van het gecoördineerd decreet betreffende de ruimtelijke ordening, om bij het verlenen van de milieuvergunning af te wijken van de geldende bestemmingsvoorschriften aangezien de voorwaarden daartoe niet aanwezig zouden zijn. VII-15.248-7/22 2.
  25. Met een besluit van 23 januari 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt het beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen gedeeltelijk gegrond verklaard. Het beroepen besluit wordt opgeheven en aan de verzoekende partij wordt vergunning verleend om een zaal voor gemotoriseerde sportmanifestaties (indoor-carting) en aanhorigheden te exploiteren, maar tegelijk wordt de vergunning geweigerd om de inrichting uit te breiden met een buitenbaan (outdoor-carting). Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 90.701/VII-20.
  26. In de aanhef van het bestreden besluit wordt overwogen dat bij besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 de indelingsrubriek indoor-carting werd gewijzigd van een klasse 3-inrichting naar een klasse 2-inrichting, en dus vergunningsplichtig is geworden en "dat betrokken exploitant dit niet eerder heeft gemeld en dit bijgevolg nu opnieuw het voorwerp uitmaakt van huidige vergunningsaanvraag";
  27. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 73.335/VII-15.248 Overwegende dat het voorwerp van de aanvraag die tot de bestreden weigeringsbeslissing heeft geleid, betrekking heeft op de verandering door uitbreiding van een indoor-carting die oorspronkelijk door aktename van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs op 10 mei 1994 vergund werd als "zaal voor sportmanifestaties" (klasse III-inrichting); dat onderhavige vergunningsaanvraag tot uitbreiding gekoppeld was aan voormelde aktename die destijds als basisvergunning voor de betrokken activiteiten kon beschouwd worden; dat bij artikel 7.1.1.
  28. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) "zalen voor gemotoriseerde sportmanifestaties", indoor-carting daaronder uitdrukkelijk begrepen, door de gewijzigde rubriek 32.
  29. werden ingedeeld bij de vergunningsplichtige inrichtingen van de tweede klasse; dat aldus het exploiteren van een indoor-carting inmiddels vergunningsplichtig is geworden; dat dit betekent dat de verzoekende partij voor het realiseren van een uitbreiding van haar inrichting met een outdoor-piste alleszins verplicht was om een vergunningsaanvraag in te dienen voor de intussen vergunningsplichtig geworden indoor-activiteiten; dat de verzoekende partij door de verwerende partij werd geacht daaraan te hebben voldaan door het indienen van de vergunningsaanvraag die uiteindelijk heeft geleid tot de beslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 januari 2000 waarbij, eensdeels, de vergunning werd verleend voor de indoor-carting, maar, anderdeels, de vergunning voor een buitenpiste werd geweigerd; dat de bevoegde VII-15.248-8/22 vergunningverlenende overheid die aanvraag in ieder geval heeft gekwalificeerd als betrekking hebbende op de volledige inrichting, inclusief het gedeelte dat voorheen het voorwerp van een aktename heeft uitgemaakt (zie punt 2.14.); dat, aangezien de verzoekende partij de vergunning voor de uitbreiding van haar inrichting met een outdoor-piste niet meer kan verkrijgen als een uitbreiding van de aktename van 10 mei 1994, zij geen actueel belang meer heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing van 20 december1996; dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partij in haar laatste memorie betoogt, het teloorgaan van het actueel belang losstaat van het resultaat van het annulatieberoep dat zij heeft ingesteld tegen evengenoemde beslissing van 23 januari 2000; dat, aangezien het teloorgaan van het belang van de verzoekende partij, niet te wijten is aan haar eigen handelen en het beroep bij het indienen ervan niet kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond werd bevonden het past de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij;
  30. De gegrondheid van het beroep in de zaak A. 90.701/VII-20.911) 4.1.
  31. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van artikel 23bis van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) en van artikel 50, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I); dat de verzoekende partij in essentie betoogt wat volgt : De termijn voor de afhandeling van het administratief beroep dat zij had ingesteld werd met één maand verlengd bij besluit van 17 december 1999 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. Die beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn is niet "afdoende en concreet" gemotiveerd. Een algemene verwijzing naar "het verloop van het dossier" is immers nietszeggend en geeft geen blijk van welke concrete elementen verhinderd hebben om binnen de normale termijn over het beroep uitspraak te doen. Integendeel, uit de gegevens van het dossier blijkt dat alle instanties die in het kader van de beroepsprocedure advies moesten verlenen hun advies binnen de voorgeschreven termijn hebben verleend. In het tijdig uitgebracht advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 27 september 1999 wordt nergens gesuggereerd om de beslissingstermijn te verlengen. Ten slotte blijkt niet dat de Vlaamse minister bijkomende adviezen zou hebben gevraagd. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat het besluit van 17 december 1999 van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw tot verlenging van de behandelingstermijn van het beroep op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, zodat het bestreden besluit buiten de decretaal VII-15.248-9/22 voorgeschreven beslissingstermijn werd genomen. De verzoekende partij moet aldus worden geacht over een stilzwijgende milieuvergunning te beschikken; 4.1.
  32. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de beslissing tot verlenging van de behandelingstermijn wel degelijk formeel gemotiveerd is en dat de verwijzing in die motivering naar "het verloop van het dossier" alleszins deugdelijk is aangezien de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen tegenstrijdige adviezen heeft uitgebracht met betrekking tot de stedenbouwkundige toetsing van de vergunningsaanvraag en dat die afdeling pas tijdens de verlengde behandelingstermijn een ultiem advies heeft geformuleerd waarin de betrokken stedenbouwkundige problematiek zeer nauwkeurig ontleed en beoordeeld werd; dat zij nog opmerkt dat de ingeroepen schending van artikel 50, 3/, van Vlarem I niet dienstig is aangezien die bepaling niet van toepassing is op de afhandeling van beroepen ingesteld tegen beslissingen over vergunningsaanvragen die in eerste aanleg door de bestendige deputatie genomen zijn, zoals in casu het geval is, maar wel op beroepen tegen in eerste aanleg genomen beslissingen van het college van burgemeester en schepenen; 4.1.
  33. Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord de verzoekende partij het volgende repliceert : "2.1.
  34. Eerste onderdeel : de schending van artikel 23bis van het Milieuvergunningsdecreet Tevergeefs probeert verwerende partij aan te tonen dat haar beslissing van 17 december 1999 tot verlenging van de termijn voor de behandeling van het administratief beroep zou voldoen aan de wettelijke motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door artikel 23 bis van het Milieuvergunningsdecreet. Daar waar de loutere stijlformule Dienaangaande stelt verwerende partij vooreerst misleidend dat het aanvankelijk ongunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen Niets is minder waar : - Verwerende partij stipt zelf aan dat verzoekster op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dd. 27 september 1999 een memorie overhandigde met bijgevoegd opmetingsplan opgesteld door beëdigd landmeter Jan FOQUE. Uit dit nieuwe opmetingsplan bleek onomstotelijk dat de door verzoekster aangevraagde outdoorpiste volledig was gelegen binnen de grenzen van het industriegebied, en geenszins in bosgebied, zodat de outdoorpiste geenszins onverenigbaar was met de geldende bestemmingsvoorschriften. VII-15.248-10/22 - Op dezelfde hoorzitting verschafte de raadsman van verzoekster ook een repliek en toelichting in verband met de toepassing van de omzendbrief RO/96/3 van 28 juni 1996, waardoor de ambtenaar van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen zijn standpunt herzag. - Na verzoekster te hebben gehoord, formuleerde de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dan ook een UNANIEM gunstig advies over het aanvraagdossier van verzoekster. Uit de bewoordingen van dit advies blijkt dat er geenszins Zo wordt in het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie het volgende vermeld (blz. 10) :
  35. Enerzijds met het plan van 28 april 1999 van de heer Jan Foqué, beëdigd landmeternschatter, dat door de exploitant tijdens het horen door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werd overhandigd en waaruit blijkt dat de omloop van het buitenparcours volledig binnen de grenzen van het industriegebied en gelegen buiten het bosgebied conform de bepalingen van het gewestplan Mechelen is gelegen;
  36. Anderzijds de toelichting van de vertegenwoordiger van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wijzend op de toepasbaarheid van de ministeriële omzendbrief nr. R096/3 van 28 juni 1996; dat dit standpunt van de vertegenwoordiger van de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen werd bevestigd bij een positief schrijven van 20 oktober 1999 naar aanleiding van de bijkomende verduidelijking, gegeven door de raadsman van de exploitant, over de rechtspraak en rechtsleer over de drie soorten omzendbrieven' ; In hetzelfde advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dd. 27 september 1999 op blz. 11, met betrekking tot de wordt vervolgens gesteld : Verwerende partij stelt dan ook weinig geloofwaardig dat het voor haar niet duidelijk was welk advies nu als het juridisch correcte diende te worden beschouwd. Precies in de schoot van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werd dit vraagstuk duidelijk beslecht. Tevens werd de gewijzigde houding van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie reeds op 22 oktober 1999 schriftelijk bevestigd. Daar waar verwerende partij stelt dat het niet duidelijk zou geweest zijn welk advies als het juridisch correcte diende beschouwd te worden, is veeleer haar eigen houding onbegrijpelijk. Zij doch uiteindelijk geenszins werd gevolgd door de verwerende partij. VII-15.248-11/22 Als er al onduidelijkheid bestaat over de stedenbouwkundige toestand, dan is deze pas ontstaan nadat verwerende partij besliste de behandelingstermijn voor het beroep te verlengen, niet ervoor ... Waar immers te begrijpen is waarom het aanvankelijk ongunstig advies van 20 september 1999 op basis van nieuwe elementen werd aangevuld en gewijzigd tot een gunstig advies, kan geenszins verklaard worden waarom het definitief gunstig advies dd. 22 oktober 1999 werd omgevormd tot een ongunstig advies op 14 januari
  37. De vereiste motiveringsplicht is niet nageleefd en het eerste onderdeel van het middel is dan ook gegrond. 2.1.
  38. Tweede onderdeel: de schending van artikel Zoals verwerende partij zelf aangeeft, leidt verzoekster uit de onwettigheid van de beslissing dd. 17 december 1999 af dat de bestreden beslissing dd. 23 januari 2000 uiteindelijk laattijdig werd genomen. Terecht merkt verwerende partij op dat de wettelijke beslissingstermijn in casu vijf maanden is (beroepsprocedure bij de minister tegen een beslissing in eerste aanleg van de Bestendige Deputatie) en niet vier maanden (procedure in eerste aanleg bij de Bestendige Deputatie). Verzoekster geeft dan ook toe dat zij de schending van artikel 52,3/ Vlarem I inroept en ten onrechte melding heeft gemaakt van de artikel 50,3 / Vlarem I die de behandelingstermijn voor de procedure in eerste aanleg regelt. Verwerende partij probeert uit deze lapsus van verzoekster een voordeel te putten door ongeloofwaardig staande te houden dat heeft geciteerd in haar verzoekschrift'. Uit de door verzoekster in haar verzoekschrift ontwikkelde argumentatie en de opbouw ervan blijkt onomstotelijk dat zij aanklaagt dat de bestreden beslissing (waarbij uitspraak wordt gedaan over het administratief beroep) laattijdig werd genomen, en zij aldus verwijst naar artikel 52,3/ Vlarem I. Over de werkelijke toedracht van het tweede onderdeel van het eerste middel kan dan ook geen twijfel rijzen. Een middel moet voldoende duidelijk zijn, hetgeen betekent dat men geen veronderstellingen over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij moet gaan maken (Raad van State, Soumillon, nr. 22.131,19 maart 1982). Opdat een middel ontvankelijk zou zijn is het enkel noodzakelijk dat het aanduidt welke rechtsgevolgen verzoekster aan een onwettig feit koppelt. Geenszins is zelfs vereist dat uitdrukkelijk de wettelijke of reglementaire bepaling wordt vermeld waarvan de schending wordt ingeroepen. Uit de memorie van antwoord blijkt zeer duidelijk dat verwerende partij weet wat de bedoelingen zijn van verzoekster met het door haar ingeroepen middel. Bovendien zijn de (verval)termijnen vermeld in artikel 52,3/ Vlarem I van openbare orde en kan de schending van deze bepaling op elk ogenblik worden opgeworpen tijdens de procedure. Voorzover als nodig vraagt verzoekster akte te willen nemen van de betreffende materiële vergissing en het tweede onderdeel van het eerste middel te lezen als een schending van art. 52.3 VLAREM I. In uiterst ondergeschikte orde dient deze correctie hoe dan ook te worden toegepast, weze het via een ambtshalve in te roepen middel, zijnde van openbare orde"; 4.1.
  39. Overwegende dat, alhoewel de auditeur het middel niet gegrond acht, de verzoekende partij in haar laatste memorie desbetreffend geen reactie geeft; VII-15.248-12/22 4.1.
  40. Overwegende dat het middel niet gegrond is om de volgende redenen : 4.1.5.
  41. Artikel 23bis van het milieuvergunningsdecreet, ingevoegd bij decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1993, bepaalt wat volgt : "Bij gemotiveerd besluit kan de bevoegde overheid de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen eenmaal verlengen met maximum één maand. Zij deelt deze beslissing mee aan de aanvrager en aan de indiener van het beroep voor het verstrijken van de vastgestelde termijn". 4.1.5.
  42. De motivering van de bewuste beslissing luidt als volgt : "Overwegende dat gelet op het verloop van het dossier het niet mogelijk is de normale behandelingstermijn van vijf maanden te eerbiedigen; dat het bijgevolg noodzakelijk is deze behandelingstermijn met één maand te verlengen". 4.1.5.
  43. De rechtsfiguur van de stilzwijgende vergunning is, vanuit het oogpunt van de bescherming van de mens en het leefmilieu tegen hinderlijke inrichtingen, de minst aangewezen manier om "uitspraak" te doen over een vergunningsaanvraag, omdat ze uit haar aard de minste waarborgen op een behoorlijk onderzoek -dat trouwens ook in principe in het belang is van de aanvrager- van de vergunningsaanvraag biedt. De finaliteit van de leefmilieuregelgeving legt dus op dat de overheid alles in het werk stelt om, tijdig, tot een uitdrukkelijke beslissing te komen. Dit impliceert dat de figuur van de stilzwijgende vergunning -die overigens door het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 juni 2001 gewezen in de zaak C-230/00, ingeleid door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het Koninkrijk België, strijdig wordt geacht met niet minder dan vijf richtlijnen van de Europese Raad- door de decreetgever uiteraard niet geconcipieerd kan zijn als een doel dat op zichzelf door een aanvrager kan worden nagejaagd. Overigens werd artikel 25 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 dat de figuren van de stilzwijgende vergunning instelde inmiddels opgeheven bij artikel 6 van het decreet van 6 februari 2004 tot wijziging van de regelgeving betreffende het meedelen van milieu-informatie en tot opheffing van het systeem van de stilzwijgende milieuvergunning. 4.1.5.
  44. Het besluit tot verlenging van de beslissingstermijn is slechts een louter voorbereidende handeling, voorafgaand aan de eindbeslissing over de aanvraag van de verzoekende partij, die op zichzelf haar geenszins grieft. VII-15.248-13/22 Dat besluit heeft immers geen enkele invloed op de inhoud van de uiteindelijke uitspraak over haar beroep. Het feit dat een aanvrager, i.p.v. vijf maanden, zes maanden op de beslissing moet wachten, schaadt geenszins het rechtszekerheidsbeginsel; hij weet immers dat de regelgeving dergelijke -korte- termijnen voorschrijft. Die door het milieuvergunningsdecreet ingestelde mogelijkheid tot verlenging van de termijnen beoogt een meer verantwoorde, betere besluitvorming, hetgeen in beginsel in het belang is, zowel van de aanvrager van een vergunning, als van de bescherming van mens en leefmilieu. 4.1.5.
  45. De eisen die men aan de motivering van een beslissing oplegt, dienen gerelateerd te worden aan het belang van die beslissing, en aan de snelheid waarmee ze moet worden genomen. In dit verband dient er op de eerste plaats rekening mee te worden gehouden dat de overheid snel, binnen de decretaal bepaalde termijnen, moet beslissen om een stilzwijgende vergunning te voorkomen. Het zou absurd zijn te eisen dat het besluit tot verlenging met amper één maand van de beslissingstermijn dermate uitgebreid zou moeten worden gemotiveerd, dat daardoor een groot deel van die beslissingstermijn verloren gaat aan een weinig beduidende tussenstap in de vergunningsprocedure. 4.1.5.
  46. In dit licht bekeken is de motivering van de bedoelde beslissing, die aan de verzoekende partij werd betekend, hoewel ze summier is, toch voldoende. Ze leert de verzoekende partij dat de termijn wordt verlengd omdat het procedureverloop dit noodzaakt. Het procedureverloop is aan de verzoekende partij bekend. Gelet op hetgeen hoger werd gesteld voldoet bovenstaande motivering aan de formele motiveringsvereiste. Daarenboven toont een grondige lezing van het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie aan dat op het ogenblik dat dit advies op 27 september 1999 werd gegeven alle stedenbouwkundige aspecten nog niet volledig waren uitgeklaard. In het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is immers sprake van een ter zitting ingenomen standpunt van een vertegenwoordiger van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen dat pas met een schrijven van 22 oktober 1999 zou bevestigd zijn. Daarnaast blijkt ook de raadsman van de verzoekende partij ná de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie een bijkomende nota dd. 1 o kt o ber 1999 t e hebben toegestuurd aan de Gewest elijk e Milieuvergunningscommissie en aan de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen VII-15.248-14/22 waarin uitvoerig wordt ingegaan op de rechtskracht van een omzendbrief die de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening heeft uitgevaardigd. Ten slotte valt ook niet in te zien hoe de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie in haar vergadering van 27 september 1999 het vraagstuk van de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting "duidelijk beslecht" zou kunnen hebben, zoals de verzoekende partij argumenteert in haar memorie van wederantwoord, aangezien de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen pas op 22 oktober 1999 een nieuw gewijzigd advies heeft uitgebracht en diezelfde afdeling dat gewijzigd standpunt enkele maanden later opnieuw zal herroepen door een advies dat op 14 januari 2000, i.e. tijdens de verlengde beslissingstermijn, zal worden uitgebracht. Er kan dan ook worden aangenomen dat de verwerende partij in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat zij de beslissingstermijn met één maand moest verlengen; 4.2.
  47. Overwegende dat in het tweede middel de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985, betreffende de milieuvergunning, juncto artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en uit artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij betoogt dat het bestreden besluit geen afdoende motivering bevat voor de weigering van de vergunning voor de buitenpiste; dat zij desbetreffend volgende uiteenzetting geeft : "5.2.
  48. Dat artikel 17 van het Milieuvergunningsdecreet bepaalt dat de beslissing over de vergunningsaanvraag met redenen omkleed moet zijn; Dat artikel 52,3/ VLAREM I bepaalt dat de uitspraak over het beroep een gemotiveerde beslissing moet bevatten over de aanspraken of bezwaren die door de indiener van het beroep werden gesteld; Dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, die van toepassing is op milieuvergunningsbesluiten, bepaalt dat de bestuurshandeling de juridische en feitelijke overwegingen moet bevatten die eraan ten grondslag liggen, en dit op afdoende wijze; Dat verzoekster moet vaststellen dat de voormelde wettelijke regels in verband met de motiveringsplicht in de bestreden beslissing allerminst werden gerespecteerd, wat betreft de weigering van het onderdeel van de vergunningsaanvraag van verzoekster dat betrekking heeft op de uitbreiding met een outdoorcircuit; VII-15.248-15/22 5.2.
  49. Dat vooreerst - en zoals hoger reeds benadrukt - de Dat aldus vaststaat dat de voormelde weigering niet berust op argumenten van onverenigbaarheid of strijdigheid met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften; Dat de verwerende partij dan ook het Dat dit advies als volgt wordt besloten : Dat verzoekster volledigheidshalve wel opmerkt dat de bestreden beslissing verder ook nog verwijst naar een Dat verzoekster moet vaststellen dat dit fameus advies van 14 januari 2000 volstrekt geen nieuwe elementen aandraagt in vergelijking met de elementen die aan de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen bekend waren na de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dd. 27 september 1999; Dat het er gewoon op neerkomt dat de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen zich in alle mogelijke bochten wringt om haar Dat volgens de vaste rechtspraak van uw Raad van State uiteraard geen rekening kan worden gehouden met de wijziging van een aanvankelijk binnen de vereiste termijn uitgebracht gunstig advies in een ongunstig advies na het verstrijken van de gestelde termijn; Dat een dergelijk laattijdig ongunstig advies ofwel moet worden beschouwd als gunstig, of als ongeldig (Raad van State, nr. 44.275, 30 september 1993, N.V. CEPI-CO, schorsingsarrest); Dat voor zover een vergunningsbeslissing zou steunen op een dergelijk niet geldig, laattijdig advies, - hetgeen in casu niet het geval is - het besluit alleszins niet afdoende gemotiveerd zou zijn (Raad van State, nr. 44.275, 30 september 1993, NV. CEPI-CO, schorsingsarrest); 5.2.
  50. Dat de weigering voor het gedeelte van de aanvraag dat betrekking heeft op de outdoorcarting uitsluitend gebaseerd is op Dat dergelijke summiere en nietszeggende motivering om meerdere redenen niet als afdoend kan worden beschouwd; Dat vooreerst moet worden opgemerkt dat het kenmerkende van ingedeelde hinderlijke inrichtingen er precies in bestaat dat het onmogelijk is alle risico's en hinder uit te sluiten (Raad van State, nr. 64.584, 18 februari 1997, Verstappen); Dat de vergunningverlenende overheid haar principiële appreciatievrijheid, waarbij alle in het geding zijnde belangen moeten worden afgewogen, niet op VII-15.248-16/22 een dermate strenge wijze kan aanwenden dat er in feite naar gestreefd wordt elke, louter potentiële, hinder van vergunningsplichtige inrichtingen uit te sluiten; Dat de louter verwijzing in de bestreden beslissing naar het moeten voorkomen van geluidsoverlast, zonder verwijzing naar concreet onderzoek en geïndividualiseerde evaluatie van de inrichting dienaangaande, erop neerkomt dat de outdoorpiste wordt geweigerd enkel door toepassing te maken van een algemene beleidslijn, hetgeen zonder meer getuigt van gebrekkige motivering (Raad van State, nr. 63.328, 28 november 1996, Vermeulen); 5.2.
  51. Dat vervolgens blijkt dat noch in de bestreden beslissing, noch in de in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen, gewezen wordt op gebeurlijke geluidsoverlast veroorzaakt door de geplande outdooractiviteiten, die dan nog van die aard zou zijn dat deze niet binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden door het opleggen van gepaste maatregelen; Dat precies het tegendeel het geval blijkt te zijn; Dat de motivering van de bestreden beslissing op dit punt dan ook niet consequent en zelfs ronduit tegenstrijdig is; Dat de bestreden beslissing op blz. 7, in fine en blz. 8 immers het volgende vermeldt : (...) Voor wat betreft aspect geluidshinder : • Deze gegevens maken het voorwerp uit van de verleende afwijkingsaanvraag'; Dat de bestreden beslissing ook uitdrukkelijk verwijst naar de voormelde verleende afwijkingsaanvraag in het kader waarvan verzoekster op eigen kosten een uitgebreide geluidsstudie heeft laten uitvoeren (blz. 5) : Waasmunster, exploitant van een inrichting gelegen te 2870 Puurs, Ooievaarsnest 33, op de kadastrale percelen, afdeling 2, sectie D, nrs. 393l, 397c, 397f de toelating wordt verleend af te wijken van volgende bepalingen van titel II van het Vlarem : artikel 5.32.10.2., §1, 2/ Verbods- en afstandsregels Dat voormeld ministerieel besluit (inventaris, stuk 4) onder meer het volgende bepaalt : (blz. 7) (...) Overwegende dat op pagina 12 van de geluidsstudie vermeld wordt dat wanneer na 22 uur Overwegende dat het risico op hinder veroorzaakt door de specifieke geluidsemmissie uitgaande van onderhavige inrichting kan worden beperkt tot het aanvaardbare; Overwegende dat gesteld kan worden dat de voorgestelde maatregelen van aard zijn de vereiste gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de milieuvoorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken' (blz. 9); VII-15.248-17/22 Dat het dan ook volkomen onbegrijpelijk is dat de uitbreiding met een outdoorpiste geweigerd wordt met de enkele zinsnede Dat ten overvloede de bestreden beslissing zelf nog de verdere elementen aanstipt die hebben bijgedragen tot het verlenen van een afwijking van de voormelde afstandregels van VLAREM II : Overwegende dat de inrichting : • Langs de noordkant grenst aan een oefenterrein van de VTB-VAB; • Langs de zuidkant grenst aan de drukke verkeersweg A12 Brussel-Boom; • Langs de zuidkant grenst aan het talud van een brug over de A12; • Langs de westkant grenst aan een klein stukje groen met daarachter een opgehoogd gipsstort' (blz. 7) Dat de bestreden beslissing dus geen afdoende motivering bevat voor wat betreft het weigeren van de door verzoekster gevraagde outdoorcarting"; 4.2.
  52. Overwegende dat de verwerende partij het middel als volgt beantwoordt : "In het tweede middel stelt verzoekende partij dat in het bestreden besluit niet de door de in het middel aangehaalde bepalingen voorgeschreven motiveringsverplichting zou zijn in acht genomen. Zoals verzoekende partij zelf stelt, is het bestreden besluit niet gegrond op het ongunstig advies van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen, zodat het middel niet op nuttige wijze de ongeldigheid van dit ongunstig advies kan voorhouden, vanuit de veronderstelling dat dit ongunstig advies laattijdig zou zijn. Louter volledigheidshalve wil verwerende partij opwerpen dat het eerste advies van de afdeling stedenbouwkundige vergunningen ook ongunstig was, zodat in casu wel degelijk en zonder enige twijfel een tijdig geformuleerd ongunstig advies voorligt. Het is de stelling van verzoekende partij dat de in het bestreden besluit weerhouden motivering betreffende de geluidsoverlast die door haar inrichting veroorzaakt wordt, niet afdoende zou zijn. Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State houdt de motiveringsverplichting in dat de betrokken bestuurde de motieven van de hem betreffende beslissing moet kunnen kennen, onder meer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is die beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Om aan die verplichting tegemoet te komen, is evenwel niet vereist dat de beslissing een antwoord geeft op alle argumenten die de betrokken bestuurde in de voorafgaande procedure heeft aangevoerd. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de bestreden beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden. In casu werd door verwerende partij duidelijk aangegeven op grond van welke motivering beslist werd het ingestelde beroep slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren : met name werd een deel van de aanvraag geweigerd vanuit de overweging de geluidsoverlast tot een minimum te beperken. Om deze reden werd de uitbreiding met de buitenbaan geweigerd. Het dient benadrukt dat de inrichting van verzoekende (partij) in principe onvergunbaar was, gelet op de in artikel 5.32.10.2 Vlarem II opgelegde VII-15.248-18/22 afstandsregels. Bij besluit van 26 augustus 1998 van verwerende partij werd aan verzoekende partij toelating verleend tot afwijking van deze afstandsregels. Zodoende kon nu de indoorkarting vergund worden, wat ook gebeurd is met het bestreden besluit. Verwerende partij was echter van oordeel dat voor het gedeelte van het circuit in openlucht geen vergunning kon verleend worden, omwille van de evidente geluidsoverlast die hierdoor veroorzaakt wordt. Zodoende werd een zeer klein deel van de gevraagde vergunning niet toegekend en werd het ingestelde administratief beroep slechts gedeeltelijk gegrond verklaard. Het is evident dat waar voor het grootste gedeelte het ingestelde beroep gegrond wordt verklaard, de motiveringsverplichting op een andere wijze moet worden beoordeeld dan wanneer het beroep in zijn geheel zou worden afgewezen. In casu werd wel degelijk aan de motiveringsverplichting voldaan"; 4.2.
  53. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord de verzoekende partij repliceert dat de weigering van de milieuvergunning "teneinde geluidsoverlast te voorkomen" er op neerkomt dat de vergunningverlenende overheid er naar streeft om elke hinder van vergunningsplichtige inrichtingen uit te sluiten, dat de bestreden beslissing niet doet blijken van een concreet onderzoek en een geïndividualiseerde evaluatie van de hinder, dat de verwerende partij niet antwoordt op de vaststelling dat in geen van de uitgebrachte adviezen melding wordt gemaakt van onaanvaardbare geluidshinder en dat, in tegenstelling tot de bewering van de verwerende partij, in het ministerieel besluit van 26 augustus 1998 waarbij een individuele afwijking werd toegestaan op de afstandsregels van Vlarem II wel degelijk sprake is van de aanleg van een piste voor outdoor-carting; 4.2.
  54. Overwegende dat het middel gegrond is om de volgende redenen : 4.2.4.
  55. Voor het weigeren van de buitenpiste wordt in het bestreden besluit enkel het volgende motief opgegeven : "Overwegende dat de outdoorcarting dient geweigerd te worden teneinde geluidsoverlast te voorkomen". 4.2.4.
  56. In de aangehaalde overweging wordt evenwel niet aangegeven voor wie of voor wat er geluidsoverlast te vrezen valt. Dit klemt des te meer nu er in het bestreden besluit wordt van uitgegaan dat de inrichting, inclusief de geplande buitenpiste, volgens het toepasselijke gewestplan gelegen is een gebied voor milieubelastende industrieën en tevens binnen de grenzen van het bijzonder plan van aanleg nr. 12 "Willebroek Industriezone", goedgekeurd bij koninklijk besluit van 21 februari 1961, dat voor de betrokken percelen een bestemming als zone voor nijverheid voorziet. VII-15.248-19/22 Daarenboven wordt in het bestreden besluit overwogen dat, gemeten vanaf de perceelsgrenzen, de dichtstbijzijnde woningen zich op een afstand van meer dan 350 meter (in oostelijke richting) situeren en dat de inrichting aan de noordkant grenst aan een oefenterrein van de VTB-VAB, aan de zuidkant aan de drukke verkeersweg A12 en aan het talud van een brug over de A12 en aan de westkant aan een klein stukje groen met daarachter een opgehoogd gipsstort. De vraag stelt zich aldus wiens belangen de verwerende partij heeft willen vrijwaren tegen mogelijke geluidsoverlast. 4.2.4.
  57. De verzoekende partij merkt terecht op dat in geen van de uitgebrachte adviezen melding wordt gemaakt van mogelijke geluidshinder te wijten aan het gebruik van de buitenpiste. In die adviezen wordt integendeel besloten dat de hinder van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt wanneer de exploitant zich houdt aan de op te leggen bijzondere voorwaarden, waaronder de voorwaarden die vermeld worden in artikel 1 van het besluit van 26 augustus 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij aan de verzoekende partij een individuele afwijking op een milieuvoorwaarde van Vlarem II wordt toegestaan. Zoals vermeld sub 2.
  58. werd die afwijking gevraagd met het oog op de uitbreiding van de bestaande indoor-carting met een buitenbaan van 120 m lengte. In de beslissing van 26 augustus 1998, waarnaar de verzoekende partij in haar beroepschrift heeft verwezen, wordt uitvoerig ingegaan op een geluidsstudie die de exploitant heeft laten uitvoeren en wordt uitdrukkelijk geconcludeerd dat het risico op hinder veroorzaakt door de specifieke geluidsemissie uitgaande van de inrichting, waaronder ook de hinder begrepen is die toegeschreven kan worden aan de buitenactiviteiten, tot het "aanvaardbare" beperkt kan worden. Aan dat besluit worden vervolgens een reeks voorwaarden gekoppeld die in hoofdzaak betrekking hebben op de aanleg en het gebruik van de buitenpiste. Hieruit volgt dat de in de memorie van antwoord beweerde "evidente geluidsoverlast" niet voor de hand liggend is ;
  59. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie vraagt dat de Raad van State de nietigverklaring zou beperken tot de weigering van de vergunning voor de outdoor-carting; dat, aangezien een verzoekende partij het voorwerp van haar beroep gedurende de annulatieprocedure niet vermag te wijzigen daar anders afbreuk wordt gedaan aan de rechten van verdediging, niet op dat verzoek kan worden ingegaan, BESLUIT: VII-15.248-20/22 Artikel
  60. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 23 januari 2000 waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 juni 1999 houdende weigering van de vergunning aan de n.v. INKART voor "het veranderen door uitbreiding" van een indoor-carting, gelegen te Puurs, Ooievaarsnest 33, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit wordt opgeheven en, eensdeels, vergunning wordt verleend om een zaal voor gemotoriseerde sportmanifestaties (indoor-carting) en aanhorigheden te exploiteren, en, anderdeels, de vergunning wordt geweigerd om die inrichting uit te breiden met een buitenbaan (outdoor-carting). Artikel
  61. Het beroep, gekend onder het nr. A. 73.335/VII-15.248 wordt verworpen. Artikel
  62. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  63. De kosten van de beroepen, bepaald op 272,69 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-15.248-21/22 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.248-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.