← België

Arrest 145286 - - 02/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.286 Rolnummer: A. 77912/VII-16516 Zaak: Arrest 145286 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 16:38 Fiche Arrest nr 145.286 van 2 juni 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.286 van 2 juni 2005 in de zaak A. 77.912/VII-16.

  1. In zake :
  2. de b.v.b.a. PRO-METAAL,
  3. Jozef PROOST, die woonplaats kiezen bij Advocaat C. BILLIET, kantoor houdende te BRUSSEL, Karel de Buckstraat 3 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. PRO-METAAL en Jozef PROOST op 17 maart 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 december 1997 waarbij het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout van 4 augustus 1997 houdende weigering van de vergunning aan de b.v.b.a. PRO-METAAL om een inrichting voor metaalbewerking, gelegen aan de Slagmolenstraat 116, bus 1 te Turnhout, te veranderen door uitbreiding, wordt verworpen en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 74.651 van 25 juni 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-16.516-1/10 Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 28 april 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. BILLIET, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Rechtspleging Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep in hoofde van tweede verzoeker wordt voorgesteld, wegens de onontvan- kelijkheid ervan; dat tweede verzoeker in zijn laatste memorie uitdrukkelijk verklaart geen verzoek tot voortzetting van de procedure zoals bedoeld in artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in te dienen; dat krachtens die wetsbepaling te zijnen aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat, waar verder in dit arrest over de verzoekende partij wordt gesproken, het aldus enkel de eerste verzoekende partij betreft;
  5. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-16.516-2/10 2.
  6. De verzoekende partij, de b.v.b.a. PRO-METAAL, werd opgericht op 16 december
  7. De verzoekende partij betoogt dat zij een gezinsbedrijf is dat wordt gedragen door het gezin Jozef PROOST. In het domein van de metaalbewerking heeft de b.v.b.a. PRO-METAAL zich gespecialiseerd in reparatiewerk. De werkplaats is gelegen aan de Slagmolenstraat 116, bus 1, te Turnhout. Op 20 maart 1967 werd een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een hangar en bergplaats met een lengte van 40 meter, doch er werd slechts een gebouw van 20 meter lengte opgetrokken. De betwisting in het voorliggend dossier heeft betrekking op de ligging van de werkplaats: naar luid van de bestreden beslissing is ze volgens het gewestplan Turnhout ten dele in woongebied en ten dele in agrarisch gebied gelegen, en met laatstgenoemde bestemming is zij onverenigbaar. Het gedeelte in woongebied volstaat niet om te kunnen exploiteren, en daarom wordt de vergunning geweigerd. De verzoekende partij is echter van oordeel dat de werkplaats volledig in woonzone is gelegen. 2.
  8. Op 20 januari 1997 neemt het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout voor de inrichting gelegen aan de Slagmolenstraat 116, bus 1, akte van de lozing van huishoudelijk afvalwater, een stookolietank van 3.500 liter (ondergronds) en twee stookolietanks van 1200 liter elk (bovengronds), doch een vergunning wordt geweigerd voor een werkplaats voor metaalbewerking, met metaalbewerkingsmachines van in totaal 21 KW. 2.
  9. Op 12 mei 1997 dient de b.v.b.a. PRO-METAAL bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout een milieuvergunningsaanvraag in voor : - de lozing van normaal huisafvalwater; - een ondergrondse stookolietank van 3.500 liter; - een bovengrondse stookolietank van 1.200 liter; - een inrichting voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een totaal geïnstalleerd vermogen van 21 KW. 2.
  10. Met een besluit van 4 augustus 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout de gevraagde vergunning. In dit weigeringsbesluit wordt onder meer overwogen wat volgt: VII-16.516-3/10 "Gelet op de ligging van de inrichting volgens het Gewestplan Turnhout gedeeltelijk in agrarisch gebied; Gelet op het feit dat bedoelde aanvraag een hier zonevreemde inrichting betreft; Gelet op het eerder ontvangen advies van de dienst Ruimtelijke Ordening van Stad Turnhout, dat intussen niet werd veranderd; Overwegende dat kan worden gesteld dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, gezien geen reglementaire bouwvergunning voorhanden is"; 2.
  11. Met een beroepsschrift van 10 september 1997 gaat de verzoeken- de partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in beroep tegen de voornoemde weigeringsbeslissing. In het uitvoerig gemotiveerd beroepschrift vraagt de vergunnings- aanvrager tevens om gehoord te worden. 2.
  12. In het kader van de beroepsprocedure worden adviezen uitge- bracht, en worden namens de verzoekende partij mondeling en schriftelijk een reeks argumenten naar voor gebracht. 2.
  13. Met het bestreden besluit van 23 december 1997 verwerpt de bestendige deputatie het beroep als niet gegrond. De vergunning blijft geweigerd;
  14. De gegrondheid van het beroep 3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en "van het beroepsrecht van de exploitant op grond van artikel 23, § 1 juncto artikel 24, § 1, 1/ van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning", dat zij doet gelden dat de bestreden beslissing stoelt op het motief dat de loods deels in agrarisch gebied en deels in woonzone is gelegen juncto de overweging dat het gedeelte dat in woonzone is gelegen en voor exploitatie in aanmerking komt, onvoldoende groot is om te exploiteren, dat zij evenwel steeds heeft voorgehouden dat de loods volledig in woonzone is gelegen en dat zij tot staving van dit standpunt verschillende juridische en feitelijke argumenten heeft aangehaald die geenszins kennelijk onredelijk zijn en toch alle volkomen onbeantwoord zijn gebleven; dat zij daarop de diverse argumenten aangeeft die zij heeft aangevoerd; dat zij betoogt dat door de niet beantwoording van die argumenten haar beroepsrecht werd miskend; dat zij ook nog doet gelden dat toepassing gemaakt werd van de "50-meter"-regel, doch dat die regel niet meer is dan VII-16.516-4/10 een beleidsregel waarvan de toepassing niet automatisch mag gebeuren en dat elk geval op zijn eigen merites moet beoordeeld worden, hetgeen in casu niet is gebeurd; 3.
  16. Overwegende dat in haar "aanvullende (lees: toelichtende) memorie" de verzoekende partij nog een aantal passages citeert uit het auditoraatsver- slag dat in het kader van de schorsingsprocedure werd opgemaakt en waarbij zij zich volledig aansluit; 3.3.
  17. Overwegende dat de weigering van de vergunning is gestoeld op de volgende motivering : "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : S het laatste gedeelte van de werkplaats ligt in agrarisch gebied; S woongebied voor het overige; Overwegende dat gesteld kan worden dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de ligging in woongebied, doch onverenigbaar met de ligging in agrarisch gebied; Overwegende dat de gevraagde activiteiten niet thuishoren in agrarisch gebied; dat agrarische gebieden bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin en enkel voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen en woning van de bedrijfsleider mogen bevatten, voor zover deze een integrerend deel uitmaken van een leefbaar bedrijf; Overwegende dat volgens de thans bestaande zonering enkel een deel van de loods dat in woongebied gelegen is voor exploitatie in aanmerking zou komen; dat het resterende gedeelte van de inrichting dat in woongebied is gelegen en voor exploitatie in aanmerking komt, onvoldoende groot is om te exploiteren; Overwegende dat de hinder voor de omwonenden vergroot zou worden door alle vergunningsplichtige inrichtingen in woongebied te plaatsen; Overwegende dat de ongunstige adviezen van de AMV en de PMVC in aanmerking worden genomen; Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek 1 schriftelijk bezwaar werd ingediend m.b.t. het volgende : de exploitatie van de inrichting werd eerder geweigerd wegens ligging in agrarisch gebied. Exploitante voert thans ligging in woonzone aan. Dit is niet juist aangezien het om exact dezelfde bedrijvigheid op exact dezelfde plaats gaat; Overwegende dat het ingediende bezwaar gegrond is; Overwegende dat voor de elementen aangebracht door de heer Proost, zaakvoerder, en mevrouw Billiet, advocaat, gehoord door de PMVC, verwezen wordt naar de adviezen van de AMV en de PMVC; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning te weigeren, gelet op de voormelde argumenten"; dat de motieven van het voorstel tot weigering van de vergunning in de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie in het bestreden besluit respectievelijk als volgt worden weergegeven : VII-16.516-5/10 "(...)
  18. Evaluatie van de beroepsargumenten
  19. Gebrekkige motivering van de weigering: Dit argument kan als gegrond beschouwd worden : S in het besluit is niet vermeld of het advies van de dienst Ruimtelijke Ordening van de stad Turnhout gunstig of ongunstig is. S er is niet vermeld waarop het bij het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschrift betrekking heeft of waarom dit relevant is. Uit inzage van het dossier blijkt dat dit bezwaar vooral betrekking heeft op de inplanting van het bedrijf en niet op vastgestelde hinder. S in het beroepen besluit werd het advies van de milieudienst slechts gedeeltelijk overgenomen; uit de volledige lezing van dit advies blijkt dat de publicatie waarvan sprake in het besluit de publicatie 'Bedrij- ven en Milieuzonering, Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 1992' betreft. S De verwijzing in het beroepen besluit naar geur, stof en externe veiligheid heeft bijgevolg geen betrekking op ingediende bezwaren of vastgestelde hinder met betrekking tot Pro-Metaal. De vermelding dat naar hinder toe geluid het meest kritische hinderaspect betreft is een algemene opmerking voor metaalbedrijven en niet specifiek voor het betreffende bedrijf.
  20. Ligging in woongebied/agrarisch gebied. Door de exploitant werd er tijdens het plaatsbezoek een opmetingsplan bezorgd, opgesteld door landmeterexpert D. Van Den Schoor. Hieruit blijkt dat de achterkant van het atelier zich op ca. 67,67 meter uit de as van de Slagmolenstraat bevindt en op 60,17 meter van een meet- lijn/(rooilijn?). De juiste scheiding woongebied/agrarisch gebied en de eventuele inbreuken op de verleende bouwvergunningen moet blijken uit het advies van de AROHM doch in dit advies wordt er van uitgegaan dat het achterste gedeelte van het atelier zich in agrarisch gebied bevindt omdat de achtergrens van de met woning bebouwde aanpalende percelen zich op een kleinere afstand tot de rand van de weg bevindt volgens het kadastraal plan en omdat de achterwand van het atelier zich op meer dan 50 meter van de rooilijn bevindt. De inrichting betreft een nieuwe inrichting als metaalbedrijf en de gedeeltelijke inplanting in agrarisch gebied komt niet overeen met de bestemming van een agrarisch gebied. Er dient bijgevolg ongunstig geadviseerd te worden voor wat betreft de activiteiten die zich situeren in agrarisch gebied. Hierbij dient opgemerkt te worden dat bij het plaatsbezoek werd vastgesteld dat de beschikbare ruimte van het atelier quasi volledig is benut door de opstelling van de machines, een vorklift, een bureel, materialen e.d. en dat het beperken van de oppervlakte tot het gedeelte gelegen in woongebied weinig zinvol is omdat er hiervoor onvoldoende ruimte beschikbaar is. De activiteiten onder rubriek 29.5.2.
  21. dienen bijgevolg volledig geweigerd zoals gebeurd is in het beroepen besluit.
  22. De inrichting is verenigbaar met de bestemming woongebied. De vermelding in het besluit 'dat de bedoelde aanvraag een hier zonevreemde inrichting betreft' heeft betrekking op de gedeeltelijke ligging in agrarisch gebied en niet op de ligging in woongebied. De weigering is gebaseerd op de onverenigbaarheid met een agrarisch gebied en de mogelijke hinder wat betreft geluid, geur, stof en externe veiligheid. Gelet op het kleinschalig karakter (kleinbedrijf), het beperkt geïnstal- leerd vermogen en het feit dat de aanpalende buren op heden nog geen VII-16.516-6/10 hinder van de activiteiten hebben ondervonden geeft aan dat het bedrijf verenigbaar is met de onmiddellijke woonomgeving. Gelet op de gedeeltelijke ligging in agrarisch gebied dient er echter ongunstig geadviseerd te worden gelet op het hogervermelde punt 2 van deze evaluatie.
  23. In het beroepen besluit werd het voorwerp van de aanvraag terecht als het veranderen van een inrichting beschouwd omdat er reeds akte genomen is van de inrichtingen aangevraagd onder rubriek 3.
  24. en 17.3.6.b.1.", en "
  25. Het standpunt van de AMV wordt gevolgd : milieutechnisch is er geen probleem. De AMV merkt op dat het milieutechnisch minder verant- woord is dat alle vergunningsplichtige inrichtingen in woongebied zouden geplaatst worden, dit zou de hinder voor de omwonenden immers enkel kunnen vergroten.
  26. De AROHM adviseert ter zitting ongunstig : S de inrichting is deels gelegen in agrarisch gebied; S door de vorige exploitant werd een bouwovertreding begaan; hierover werd in 1978 een vonnis geveld dat strekt tot aanpassings- werken; dit vonnis is tot op heden niet uitgevoerd.
  27. De AMV merkt op dat het gebied gelegen achter de woonzone niet echt een agrarisch karakter heeft. Rekening houdend met de thans bestaande zonering, dient echter geconcludeerd dat enkel een deel van de loods ter grootte van ca.10 x 4 m in woongebied gelegen is en voor exploitatie in aanmerking komt. Het resterende gedeelte dat in woongebied gelegen is en voor exploitatie in aanmerking komt, is onvoldoende groot om te exploiteren.
  28. De PMVC adviseert ongunstig"; 3.3.
  29. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat het decisief weigeringsmotief is dat de inrichting gedeeltelijk is gelegen in agrarisch gebied en dat het gedeelte dat gelegen is in woongebied onvoldoende groot is om te exploiteren; 3.3.
  30. Overwegende dat de verzoekende partij in haar beroepschrift dienaangaande volgende argumenten heeft aangebracht, samengevat : - De inrichting is gelegen in een woonzone (volgens het gewestplan). Bezuiden de Slagmolenstraat is de woonzone 2 à 2,5 mm. diep op het gewestplan met schaal 1/25.
  31. Een dergelijke schaal laat niet toe om op een paar meter na de zonering van gronden te bepalen en het is precies in deze meters dat de laatste meters diepte van de ter sprake staande loods zijn gelegen. - Men dient over te gaan tot interpretatie. Daarbij zijn volgende elementen van belang: * er zijn in casu geen redenen om de woonzone restrictief te interpreteren als een uitzondering op de omringende zonering, nu het een gewone woonzone betreft die aansluit bij het centrale woongebied van de stad Turnhout, en het VII-16.516-7/10 geen lintbebouwing betreft die gezoneerd werd als woongebied met landelijk karakter; * de kenmerken van de plaatselijke situatie sluiten een begrenzing van de woonzone in een kaarsrechte lijn parallel aan de rooilijn langs de Slagmolen- straat uit. De bebouwing dateert grotendeels van voor het gewestplan, en het gaat om een heterocliet geheel, met bebouwing op uiteenlopende afstanden van de rooilijn, percelen met ongelijkmatige diepten, woningtypes van diverse aard en in uiteenlopende bouwstijlen en met inplanting van diverse ambachten en kleinbedrijf. De achterrand van de percelen met bebouwing vertoont een gekarteld profiel; * voor het gebouw B, dat t.o.v. de rooilijn ca. een meter dieper op het perceel gelegen is als de werkplaats voor metaalbewerking, werd op 17 april 1979, dus na de inwerkingtreding van het gewestplan Turnhout, een vergunning verleend voor het bouwen van een refter-bureelgebouw. Die vergunning kon niet verleend zijn op basis van één van de toentertijd geldende uitzonderings- regels voor zonevreemde gebouwen; 3.3.
  32. Overwegende dat de motivering die van de verwerende partij zelf uitgaat is beperkt tot de loutere affirmatie dat de inrichting gedeeltelijk is gelegen in agrarisch gebied, zonder in te gaan op de concrete argumentatie die in het beroep- schrift werd aangebracht; 3.3.
  33. Overwegende dat in de adviezen van de afdeling Milieuvergunning- en en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie expliciet wordt geponeerd dat de grens tussen het woongebied en het agrarisch gebied op 50 meter van de rooilijn van de weg te situeren is en dat de werkplaats voor metaalbewerking die zich op "60,17 meter van een meetlijn (rooilijn ?)" bevindt aldus gedeeltelijk in agrarisch gebied is gelegen; dat de verwerende partij aldus de scheidingslijn tussen het agrarisch gebied en het woongebied heeft opgevat als een rechte lijn die gelegen is op 50 meter van de rooilijn van de weg; dat evenwel de verzoekende partij in haar beroepschrift uitvoerig en concreet aan de hand van diverse argumenten juist had betwist dat de grens tussen het woongebied en het agrarisch gebied op 50 meter van de rooilijn van de weg is gelegen; dat in acht genomen het gegeven dat de door de verwerende partij als een strakke rechte lijn gehanteerde 50 meter-regel niet in een verbindende norm is vastgelegd en de verzoekende partij kan worden gevolgd in haar standpunt dat het op de kaarten van het gewestplan op schaal 1/25.000 niet goed mogelijk is om de precieze begrenzing tussen de diverse bestemmingsgebieden op enkele meters na nauwkeurig te bepalen, de verwerende partij nagelaten heeft de concrete argumenten VII-16.516-8/10 die de verzoekende partij aangaande de ligging van de kwestieuze werkplaats in haar beroepschrift had aangebracht en die het cruciale beoordelingselement vormen, te beantwoorden; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  34. De afstand wordt vastgesteld in hoofde van de tweede verzoeker. Artikel
  35. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 december 1997 waarbij het beroep van de b.v.b.a. PRO-METAAL tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout van 4 augustus 1997 houdende weigering van de vergunning om een inrichting voor metaalbewerking, gelegen aan de Slagmolenstraat 116, bus 1 te Turnhout, te veranderen door uitbreiding, wordt verworpen en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel
  36. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  37. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 347, 06 euro, komen voor de helft ten laste van de tweede verzoeker en voor de helft ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 347,06 euro, komen voor de helft ten laste van de tweede verzoeker en voor de helft ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-16.516-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.516-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.286 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.74.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.