← België

Arrest 145287 - - 02/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.287 Rolnummer: A. 83605/VII-18208 Zaak: Arrest 145287 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 16:38 Fiche Arrest nr 145.287 van 2 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 145.287 van 2 juni 2005 in de zaak A. 83.605/VII-18.208. In zake : Marie-Louise COWE, die woonplaats kiest bij advocaat J. HOUTHUYS, kantoor houdende te HALLE, Parklaan 10 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, A. Dansaertstraat 92. DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- Gezien het verzoekschrift dat Marie-Louise COWE op 19 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 februari 1999 waarbij het beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle van 28 september 1998 houdende het verlenen aan de b.v.b.a. PASS-TECH van de vergunning voor het exploiteren van een werkplaats voor metaalbewerking, gelegen aan de Ninoofsesteenweg 132 te Halle, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 5 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekster en de laatste memorie van de verwerende partij; VII-18.208-1/15 Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 3 maart 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BLIJWEERT die, loco advocaat J. HOUTHUYS verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat V. SCHIPPERS die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 15 juni 1998 dient de b.v.b.a. PASS-TECH bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle een aanvraag in voor het exploiteren van een werkplaats voor metaalbewerking, gelegen aan de Ninoofsesteenweg 132 te Halle. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto : - het lozen van 0,5 m³/u - 2 m³/dag - 120 m³/jaar normaal huisafvalwater in de openbare riolering; - een compressor van 7,8 kW; - een inrichting voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 38,9 kW (omvattende verschillende kolomboormachines, slijpmolens en -machines, zaagmachines, een poliermolen, freesmachines en een draaibank). 1.2. Bij besluit van 28 september 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. VII-18.208-2/15 1.3. Met een op 22 oktober 1998 aangetekend verstuurd schrijven stelt de raadsman van de verzoekster bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in tegen de voormelde beslissing van 28 september 1998. In het beroepschrift wordt het volgende aangevoerd : "Inderdaad wordt hier de uitbating vergund van een metaalsmederij in volle woongebied en dit in een gebouw dat stedenbouwkundig werd vergund als 'bergplaats', gelegen achteraan een appartementsgebouw en met talloze woonhuizen er vlak naast en omheen. Verzoekster beantwoordt aan de kwalificatie art. 49 § 1, 4/ van voormeld besluit Vlarem I, nl. een natuurlijke persoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder ondervindt. Inderdaad ondervindt verzoekster een aanmerkelijke stank- en lawaaihinder met stofneerslag van de vergunde uitbating. Verzoekers woning en tuin is gelegen naast de vergunde uitbating. Voor haar betekent deze uitbating derhalve een niet te dragen verzwaring en verstoring". Bij het beroepschrift is een afschrift gevoegd van een brief die de verzoekster tot de burgemeester van de stad Halle richtte nadat het college van burgemeester en schepenen van voormelde stad in eerste aanleg uitspraak had gedaan over de ingediende milieuvergunningsaanvraag. Het beroep wordt op 5 november 1998 ontvankelijk verklaard door de gemachtigde ambtenaar. 1.4. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht. a. De afdeling Ruimtelijke Ordening verleent op 27 november 1998 het volgende advies : "In overeenstemming met het Vlarem deel ik u mee dat de percelen waarop de aangevraagde inrichting zich bevinden volgens het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij K.B. van 7 maart 1977, gelegen zijn in woongebied met bijzondere bepalingen. Binnen een straal van 500 m bevindt zich : -ten noorden : woongebied met bijzondere bepalingen, woongebied, landelijk woongebied; -ten zuiden : woongebied met bijzondere bepalingen, woongebied, landelijk woongebied; -ten oosten : woongebied met bijzondere bepalingen, woongebied, landelijk woongebied; -ten westen : woongebied met bijzondere bepalingen, woongebied, landelijk woongebied, gebied voor dagrecreatie. Er is geen Algemeen Plan van Aanleg. Er is geen Bijzonder Plan van Aanleg. Een kopie van het gewestplan is bijgevoegd zodat u beschikt over de beschrijving van de bestemmingen zoals beschreven in art. 21 van het Vlarem. In een woonzone is een menging van wonen, detailhandel en kleinschalige ambachtelijke activiteiten aangewezen. VII-18.208-3/15 De uitbating wordt, gelet op de verenigbaarheid met de bepalingen van artikel 5, 6 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen in zoverre alle hinder tot de normaal te dragen burenhinder kan beperkt blijven, gunstig geadviseerd". b. De Vlaamse Milieumaatschappij verleent op 30 november 1998 gunstig advies voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering mits voldaan wordt aan de van toepassing zijnde Vlaremvoorwaarden. c. In het advies van 30 november 1998 van de afdeling Milieuvergunningen wordt voorgesteld om de vergunning te verlenen tot 31 december 2000 "met het oog op herlocalisatie". In dat advies wordt onder meer het volgende vermeld : "VERSLAG ONDERZOEK : (...). Het geluid en de trillingen veroorzaakt door de machines in de werkplaats zal grotendeels geabsorbeerd worden door de muren en het dak van dit gebouw. Nochtans omwille van de constructie van (het) gebouw, blijkt (dat) de temperatuur in de zomer er zodanig hoog kan oplopen dat het noodzakelijk blijkt met open poort te werken. Onder deze omstandigheden zullen noch de Vlarem-normen voor geluidshinder gerespecteerd worden en zal noch de buurt gevrijwaard blijven van geluidshinder bij het uitvoeren van bijvoorbeeld slijp- of zaagwerken. Mogelijke oplossingen zijn het vernieuwen van het dak (reeds min of meer gepland door de eigenaar) waarbij een degelijke isolatie wordt aangebracht of het plaatsen van een goed werkende airconditioning of een combinatie van beide mogelijkheden. (...). De verenigbaarheid van het bedrijf met de woonomgeving is niet vanzelfspre- kend. (...). EVALUATIE VAN DE AANSPRAKEN EN BEZWAREN BEROEPSIN- DIENER(S) : (...). (...). Gezien de aard van de aktiviteit is enkel lawaaihinder een potentiële bron van hinder. De mogelijkheden om deze hinder tot een minimum te beperken, binnen de grenzen van het toelaatbare zijn mits enige investeringen en de juiste attitudes terzake haalbaar. (...). ADVIES : (...). Overwegende dat om de buurt in de toekomst te vrijwaren van de potentiële en reële ongemakken afkomstig van de inrichting, een dergelijke vergunningster- mijn (bedoeld wordt een termijn van 20 jaar; eigen toevoeging) een te zware hypotheek legt op de verdere leefbaarheid van de directe omgeving; Overwegende dat gesteld kan worden dat de hinder op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, zelfs mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, niet volledig tot een aanvaardbaar niveau (kan) worden beperkt; dat het vanuit sociaal-economisch oogpunt dan ook noodzakelijk is de exploitant de gelegenheid te geven de bestaande inrichting te herlocaliseren naar een geschikte vestigingsplaats; (...).". VII-18.208-4/15 d. Door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 13 januari 1999 voorgesteld om het beroep niet in te willigen en het beroepen besluit te bevestigen. 1.5. Met een besluit van 11 februari 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant wordt het beroep van de verzoekster tegen het besluit van 28 september 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle ongegrond verklaard en wordt het beroepen besluit integraal bevestigd. Dit besluit wordt door het voorliggend annulatieberoep bestreden en luidt als volgt : "(...) Gelet op het gunstige advies d.d. 27/11/1998 van de Afdeling Stedenbouw- kundige Vergunningen (ASV); Gelet op het advies d.d. 30/11/1998 van de Afdeling Milieuvergunningen : gunstig voor een beperkte termijn tot 31/12/2000, met het oog op herlocalisatie; Gelet op het gunstige advies d.d. 30/11/1998 van de Vlaamse Milieumaat- schappij (VMM); Gelet op het advies d.d. 13/01/1999 van de provinciale milieuvergunnings- commissie (PMVC) luidende als volgt :

  1. a)het beroep ingediend door Jan Houthuys, advocaat, Parklaan 10 te 1500 Halle namens Louise Cowé, Ninoofsesteenweg 138 te 1500 Halle tegen de vergunning d.d. 28/09/1998 door het College van burgemeester en schepenen van en te Halle verleend aan de b.v.b.a. Pass-Tech, Ninoofsesteenweg 132 te 1500 Halle voor het uitbaten van een werkplaats voor metaalbewerking gelegen op het bovengenoemde adres, niet in te willigen;
  2. b)de beslissing van het CBS van Halle d.d. 28/09/1998 te bevestigen. Gestelde aanspraken in het beroepschrift : 1) Hier wordt de uitbating vergund van een metaalsmederij in volle woongebied en dit in een gebouw dat stedenbouwkundig werd vergund als 'bergplaats' gelegen achteraan een appartementsgebouw en met talloze woonhuizen er vlak naast en omheen. 2) Verzoekster ondervindt een aanmerkelijke stank- en lawaaihinder met stofneerslag van de vergunde uitbating. 3) Verzoeksters woning en tuin is gelegen naast de vergunde uitbating. Voor haar betekent deze uitbating derhalve een niet te dragen verzwaring en verstoring; Evaluatie : 1) De door beroeper aangehaalde term 'metaalsmederij' is foutief. Het betreft immers een gewone werkplaats voor metaalbewerking met freesmachines, draaibanken e.d. Of het gebouw werd vergund als 'bergplaats' is niet duidelijk. Verzoekster vermeldt in een bijlage aan het beroepschrift een notariële akte van 16 juli 1921 waarin zou gezegd zijn dat er 'geen kaashuis of magazijn van vodden of van benen' mocht komen. Een 'bergplaats' van een andere soort zou dus niet uitgesloten zijn. Overigens heeft de exploitant, volgens de huurovereenkomst het gebouw gehuurd als atelier voor studie en mechanische verspaning. Voor onderhavige aanvraag is geen bouwvergunning vereist. 2) De tweede stelling i.v.m. het voorkomen van stank- en lawaaihinder met stofneerslag wordt geenszins bewezen. Gezien de aard van de activiteit is enkel VII-18.208-5/15 lawaaihinder een potentiële bron van hinder. De mogelijkheden om deze hinder tot een minimum te beperken, binnen de grenzen van het toelaatbare, zijn mits enige investeringen en de juiste attitudes terzake haalbaar. 3) Wanneer de door het College opgelegde vergunningsvoorwaarden nageleefd worden, kan de uitbating geschieden zonder overmatige hinder voor de omgeving; Gelet op de ligging van de inrichting in een woongebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vastgesteld bij koninklijk besluit van 07/03/1977, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn art. 5 en 6 van het KB van 28 december 1972 betreffende inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; Overwegende dat de werkplaats voor metaalbewerking volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. d.d. 07/03/77) gelegen is in een woongebied met bijzondere bepalingen m.b.t. bouwhoogte (aantal woonlagen); dat in een woonzone een verweving van wonen, detailhandel en kleinschalige ambachtelijke activiteiten aangewezen is; dat de inrichting gelegen is aan de drukke Ninoofsesteenweg op ongeveer één kilometer van het centrum van Halle; dat krachtens artikel 5.1.0. van het K.B. d.d. 28/12/72 betreffende de toepassing van gewestplannen, inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied kunnen toegestaan worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, dat zij m.a.w. bestaanbaar moeten zijn met de bestemming woongebied en dat zij verenigbaar moeten zijn met de onmiddellijke omgeving en gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de AMV het unanieme advies van de PMVC onderschrijft : De AMV stelde een herlocalisatietermijn voor omdat 'verenigbaarheid van het bedrijf met de woonomgeving niet vanzelfsprekend is'. Het betreft hier echter een nieuwe uitbating. Ofwel blijkt uit het onderzoek dat de uitbating verenigbaar en bestaanbaar is met de omgeving en kan een volledige vergunningstermijn van 20 jaar toegestaan worden ofwel is ze onverenigbaar en onbestaanbaar met de omgeving en kan de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komen en dient ze onmiddellijk geweigerd te worden. Een tussenoplossing is er niet . De aanvraag kan in haar huidige kleine schaal ter plaatse vergund worden. Bij een toekomstige substantiële uitbreidingsaanvraag van drijfkracht en tewerkstel- ling zou de uitbating aan een nieuw onderzoek naar de verenigbaarheid en bestaanbaarheid met de omgeving moeten onderworpen worden; Overwegende dat de werkplaats uitgebaat wordt door 4 werknemers; dat de metaalbewerkingsmachines een totaal vermogen van 38,9 Kw hebben, verdeeld over 12 toestellen met vermogens variërend tussen 1 tot 8 kW; dat niet alle toestellen tegelijk in werking kunnen zijn, gelet op het beperkte aantal werknemers; dat daarnaast nog een compressor van 7,8 Kw aanwezig is; dat het hier dus een kleinschalige inrichting betreft; Overwegende dat het atelier (+/- 10 m x 15
  3. m)waarbinnen de werkzaamhe- den plaatsvinden bestaat uit bakstenen muren en een platen dak (gipsplaten langs binnen) dat zich in vrij slechte staat bevond; dat de exploitant het dak aanpaste en dubbelwandig isoleerde; Overwegende dat het gebouw gelegen is achter een appartementsgebouw bestaande uit 3 verdiepingen, met dien verstande dat zich nog een ruimte bevindt tussen het atelier en het appartement op het gelijkvloers; dat ook met de woningen links en rechts geen gemeenschappelijke muur met het atelier bestaat; dat tussen de woning van de beroepindiener en het atelier een tuin gelegen is van VII-18.208-6/15 ongeveer 5 m breed; dat de machines niettemin op trillingsvrije voeten geplaatst worden; Overwegende dat het bedrijfje gespecialiseerd is in precisie frees-, slijp- en boorwerk van kleine onderdelen; Overwegende dat de hoeveelheid opgeslagen materialen, smeerproducten en afvalstoffen zeer beperkt is; Overwegende dat het geluid en de trillingen veroorzaakt door de machines in de werkplaats grotendeels zullen geabsorbeerd worden door de muren en het dak van het gebouw; dat de door de exploitant voorziene isolatie en dubbelwan- dig maken van het dak er toe zal bijdragen dat de temperatuur in de zomer in het atelier niet overmatig zal oplopen zodat met open deuren zou moeten gewerkt worden; dat zodoende de buurt zal gevrijwaard blijven van overmatige geluidshinder bij het uitvoeren van bijvoorbeeld slijp- of zaagwerken; Overwegende dat de werkplaats wordt verwarmd met een aardgaskachel, waarvan de schouw in het dak werd geplaatst; dat dit de enige vorm van luchtemissie is; dat er tevens geen andere vormen van hinder aanwezig zijn; Overwegende dat uit dit alles blijkt dat enerzijds kan gesteld worden dat de uitbating van de werkplaats voor metaalbewerking een ambacht of klein bedrijf is, die naar aard en omvang bestaanbaar is met de bestemming woongebied, en anderzijds dat de uitbating van de werkplaats verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de hinder voor de omgeving door het naleven van de voorwaarden opgelegd door het CBS van Halle en door de door de exploitant voorziene maatregelen, tot een aanvaardbaar niveau zal beperkt blijven; BESLUIT : ENIG ARTIKEL §1. Het beroep ingediend door Jan Houthuys, advocaat Parklaan 10 te 1500 Halle namens Louise Cowé, Ninoofsesteenweg 138 te 1500 Halle tegen de vergunning d.d. 28/09/1998 door het College van burgemeester en schepenen van en te Halle verleend aan b.v.b.a. Pass-Tech, Ninoofsesteenweg 132 te 1500 Halle voor het uitbaten van een werkplaats voor metaalbewerking gelegen op het bovengenoemde adres, wordt niet ingewilligd. §2. De beslissing van het CBS van Halle d.d. 28/09/1998 wordt bevestigd. Leuven, 11 februari 1999"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat de verzoekster als eerste middel de schending aanvoert van artikel 42, § 1, 7/, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat door de verzoekster wordt betoogd dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat voor de vergunde activiteiten geen bouwvergunning vereist is, terwijl zulks wel het geval is krachtens de geschonden geachte bepaling waarbij een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning wordt vereist voor de wijziging van het gebruik van een vergund gebouw, dat de vergunde activiteiten namelijk zouden plaatsvinden in een bestaand gebouw dat thans gebruikt wordt als bergplaats horende bij een appartementsgebouw en de exploitatie van een werkplaats voor metaalbewerking op de onmiddellijke omgeving een negatieve VII-18.208-7/15 ruimtelijke weerslag zou hebben die "veel drastischer is dan deze die het gevolg is van een gebruik van de bergplaats volgens de bestemming die in dit begrip is vervat"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord op het eerste middel als volgt repliceert : "Uit de uiteenzetting omtrent dit middel volgt dat de verzoekende partij van oordeel is dat voor het vergunde gebruik een bouwvergunning noodzakelijk was i.v.m. wat zij noemt 'een bestemmingswijziging'. Deze problematiek kwam ook reeds aan bod tijdens de behandeling van het beroep, waar dit middel als volgt omschreven werd : 'Inderdaad wordt hier de uitbating van een metaalsmederij in volle woon- gebied terwijl dit gebouw stedenbouwkundig vergund werd als 'bergplaats', gelegen achteraan een appartementsgebouw en met talloze woonhuizen er vlak naast en omheen'. In het huidig verzoekschrift wordt dit argument herhaald en wordt in de toelichting van het middel slechts zeer summier verwezen enerzijds naar de hoofdfunctie van het gebouw, en anderzijds naar de negatieve ruimtelijke weerslag op de onmiddellijke omgeving. Enige andere verduidelijking wordt er niet gegeven, terwijl nochtans op bovenstaande argumentatie op afdoende wijze in de bestreden beslissing geantwoord werd. Volledigheidshalve kan voor het overige verwezen worden naar de desbetref- fende wettelijke bepalingen, enerzijds het geciteerde artikel 42 § 1,7/ van de Wet op de Stedenbouw, dat voorziet dat een vergunning vereist is voor : 'het gebruik van vergunde woningen, gebouwenwijzigingen, voorzover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering vastgelegde lijst’ En verder dat : 'deze lijst zal opgesteld worden, rekeninghoudend met volgende criteria : - de bestemmingen van de gewestplannen - de ruimtelijke weerslag op de onmiddellijke omgeving - de hoofdfunctie van het gebouw' Uit geen enkel element van het middel of het dossier, blijkt echter dat dit artikel ook in casu van toepassing zou zijn, wel integendeel. De hierboven geciteerde (gecoördineerde) tekst betreft inderdaad de vergunningplichtige gebruiksaanwijzigingen (ook reeds vroeger voorzien), en waaromtrent de Vlaamse Executieve op 17 juni 1984 een besluit heeft uitgevaardigd, waarbij, zoals in de tekst voorzien, inderdaad sommige gebruikswijzigingen vergunningsplichtig gemaakt werden. Dit is in het bijzonder het geval zoals voorzien in artikel 1, wanneer in een woonzone een nieuw gebruik bestaat uit : 'een dancing, het opslaan van schroot, houten wrakken en afvalproducten, het te koop of in ruil aanbieden van goederen of diensten binnen een ruimte groter dan 300 m²'. In de overige artikels van hetzelfde besluit wordt naar een soortgelijke gebruikswijziging verwezen wanneer het gaat om een gebouw gelegen in andere gebieden. Wat er ook van zij, zoals in de bestreden beslissing toegelicht, werd het gebouw volgens verzoeker in 1921 vergund als bergplaats, terwijl het volgens de huurovereenkomst gaat over een atelier voor studie en mechanische verspaning. Het is derhalve duidelijk dat er geen aanleiding bestaat tot een vergunnings- plichtige bestemmingswijziging van het gebouw. VII-18.208-8/15 Het bestaande gebouw heeft trouwens thans reeds een bestemming van niet- wonen, waaraan de huidige aanvraag dus niets verandert. Volledigheidshalve dient erop gewezen te worden dat de in de vergunning voorziene aanbreng van geluids- of isolerende panelen/dak binnen het gebouw evenmin vergunningsplichtig is"; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekster in de memorie van wederant- woord repliceert dat het gebouw dat eertijds als bergplaats horende bij een appartementsgebouw werd vergund "onmogelijk als een geschikte inplantingsplaats voor de bedrijvigheid van de b.v.b.a. PAS-TECH kan fungeren", dat de overheid die indertijd de bouwvergunning heeft verleend de negatieve ruimtelijke weerslag van een ander gebruik dan als bergplaats niet heeft ingeschat, dat op grond van de artikelen 78 en 79 van de Stedenbouwwet en de latere wijzigingen van die bepalingen "onmogelijk gesteld kan worden dat alleen de gebruikswijzigingen zoals aangeduid door de verwerende partij vergunningsplichtig zijn" en dat door het verlenen van een bouwvergunning voor een "bergplaats" de vestiging van een bedrijf in dat gebouw uitdrukkelijk is uitgesloten zodat een nieuwe stedenbouwkundige vergunning vereist is wanneer tot een ander dan voormeld gebruik wordt overgegaan; 2.1.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie naar haar memorie van antwoord verwijst; 2.1.5. Overwegende dat het verkregen hebben door de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning in principe niet is vereist voor het verlenen van een milieuvergunning; dat de verzoekster niet aanvoert, en evenmin blijkt, dat de bestreden milieuvergunning werd verleend op grond van een regeling waarbij het voorhanden zijn van een voorafgaande stedenbouwkundige vergunning een voorwaarde vormt om tot het verlenen van de milieuvergunning te kunnen overgaan; dat aldus het ontbreken van een stedenbouwkundige vergunning voor de bestem- mingswijziging van het betrokken gebouw -daargelaten de vraag of in casu een stedenbouwkundige vergunning vereist was- de thans bestreden milieuvergunning niet onwettig vermag te maken; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekster een tweede middel aanvoert dat afgeleid is uit de schending van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewest- plannen en gewestplannen (Inrichtingsbesluit); dat in het verzoekschrift wordt betoogd dat met het bestreden besluit vergunning verleend werd voor een inrichting die "gelet op de hinder voortkomende van stank, lawaai en stofneerslag (...) niet VII-18.208-9/15 bestaanbaar is met de bestemming woongebied en zeker onverenigbaar is met de onmiddellijke omgeving"; dat het betoog wordt voortgezet als volgt : "De inrichting is ingeplant in een gebied met zeer hoge bouwdichtheid. Als aanpalende buur ondervindt verzoekster een voortdurende hinder van stofneer- slag op haar groententuin, evenals stank- en lawaaihinder. In het kader van het onderzoek dat heeft geleid tot de bestreden beslissing adviseerde de afdeling milieuvergunningen reeds een herlocalisatietermijn tot 31/12/2000 'omdat verenigbaarheid van het bedrijf met de woonomgeving niet vanzelfsprekend is'. Het bedrijf is gelocaliseerd in een als bergplaats vergunde ruimte achter een appartementsgebouw, zodat in elk geval elke bedrijfsmatige activiteit een overlast met zich meebrengt voor de onmiddellijke omgeving"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert : "Ook dit middel wordt slechts zeer summier toegelicht. Klaarblijkelijk gaat het om de vermeende planologische onverenigbaarheid. De bestreden beslissing heeft terzake echter voldoende oog gehad voor deze problematiek en heeft als volgt gemotiveerd : 'Overwegende dat de werkplaats voor metaalbewerking volgens het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. dd. 7 maart 1977) gelegen is in een woongebied met bijzondere bepalingen m.b.t. bouwhoogte (aantal woonla- gen); dat in een woonzone een verweving van wonen, detailhandel en kleinschalige ambachtelijke activiteiten aangewezen is; dat de inrichting gelegen is aan de drukke Ninoofsesteenweg op ongeveer één kilometer van het centrum van Halle; dat krachtens artikel 5.1.0. van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de toepassing van de gewestplannen, inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied kunnen toegestaan worden, onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, dat zij m.a.w. bestaanbaar moeten zijn met de bestemming woongebied en dat zij verenigbaar moeten zijn met de onmiddellijke omgeving en gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'; (zie ook verder) Verzoekende partij wijst in haar verzoekschrift ook naar het advies van de AMV die een herlocalisatietermijn adviseerde tot 31 december 2000 omdat : 'verenigbaarheid van het bedrijf met de woonomgeving niet vanzelfsprekend is' Verzoekende partij gaat echter voorbij aan de bespreking en het unaniem advies van de PVMC en de desbetreffende motivering in de nota van de Bestendige Deputatie, overgenomen in de bestreden beslissing als volgt : 'Overwegende dat de AMV het unaniem advies van de PMVC onderschrijft : de AMV stelde een herlocalisatietermijn voor omdat verenigbaarheid van het bedrijf met de woonomgeving niet vanzelfsprekend is. Het betreft hier echter een nieuwe uitbating. Ofwel blijkt uit het onderzoek dat de uitbating verenigbaar en bestaanbaar is met de omgeving en kan een volledige vergunningstermijn van 20 jaar toegestaan worden, ofwel is ze onverenigbaar en onbestaanbaar met de omgeving en kan de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking komen en dient ze onmiddellijk geweigerd te worden. VII-18.208-10/15 Een tussenoplossing is er niet. De aanvraag kan in haar huidige kleine schaal ter plaatse vergund worden. Bij een toekomstige substantiële uitbreidingsaanvraag van drijfkracht en tewerkstelling zou de uitbating aan een nieuw onderzoek naar de verenigbaar- heid en bestaanbaarheid met de omgeving moeten onderworpen worden'. De bestreden beslissing gaat bovendien verder met een uitvoerige motivering over de verenigbaarheid en de bestaanbaarheid : 'Overwegende dat de werkplaats uitgebaat wordt door 4 werknemers; dat de metaalbewerkingsmachines een totaal vermogen van 38,9 Kw hebben, verdeeld over 12 toestellen met vermogens variërend tussen 1 tot 8 kW; dat niet alle toestellen tegelijk in werking kunnen zijn; gelet op het beperkte aantal werknemers; dat daarnaast nog een compressor van 7,8 Kw aanwezig is; dat het hier dus een kleinschalige inrichting betreft; Overwegende dat het atelier (+/- 10 m x 15
  4. m)waarbinnen de werkzaamhe- den plaatsvinden bestaat uit bakstenen muren en een platen dak (gipsplaten langs binnen) dat zich in vrij slechte staat bevond; dat de exploitant het dak aanpaste en dubbelwandig isoleerde; Overwegende dat het gebouw gelegen is achter een appartementsgebouw bestaande uit 3 verdiepingen, met dien verstande dat zich nog een ruimte bevindt tussen het atelier en het appartement op het gelijkvloers; dat ook met de woningen links en rechts geen gemeenschappelijke muur met het atelier bestaat; dat tussen de woning van de beroepsindiener en het atelier een tuin gelegen is van ongeveer 5 m breed; dat de machines niettemin op trillingsvrije voeten geplaatst worden; Overwegende dat het bedrijfje gespecialiseerd is in precisie frees-, slijp en boorwerk van kleine onderdelen; Overwegende dat de hoeveelheid opgeslagen materialen, smeerproducten en afvalstoffen zeer beperkt is; Overwegende dat het geluid en de trillingen veroorzaakt door de machines in de werkplaats grotendeels zullen geabsorbeerd worden door de muren en het dak van het gebouw; dat de door de exploitant voorziene isolatie en dubbelwandig maken van het dak er toe zal bijdragen dat de temperatuur in de zomer in het atelier niet overmatig zal oplopen zodat met open deuren zou moeten gewerkt worden; dat zodoende de buurt zal gevrijwaard blijven van overmatige geluidshinder bij het uitvoeren van bijvoorbeeld slijp- of zaagwerken; Overwegende dat de werkplaats wordt verwarmd met een aardgaskachel, waarvan de schouw in het dak werd geplaatst; dat dit de enige vorm van luchtemissie is; dat er tevens geen andere vormen van hinder aanwezig zijn; Overwegende dat uit dit alles blijkt dat enerzijds kan gesteld worden dat de uitbating van de werkplaats voor metaalbewerking een ambacht of klein bedrijf is, die naar aard en omvang bestaanbaar is met de bestemming woongebied, en anderzijds dat de uitbating van de werkplaats verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat de hinder voor de omgeving door het naleven van de voorwaarden opgelegd door het CBS van Halle en door de door de exploitant voorziene maatregelen, tot een aanvaardbaar niveau zal beperkt blijven'; Daarnaast worden thans door de verzoekende partij slechts allerlei bewering- en of veronderstellingen geopperd, die onjuist of niet relevant zijn. In de bestreden beslissing wordt toegelicht dat klaarblijkelijk de enige vorm van hinder geluid zal zijn, reden waarom ook voldoende maatregelen voorzien werden inzake geluidsisolatie, terwijl er anderzijds geen emissies naar de lucht zijn en de 'stofneerslag op de groenten' waarover verzoekende partij zich beklaagt, hoogstwaarschijnlijk niet van deze uitbating afkomstig kan zijn, temeer daar zelfs geen schouw voorzien is. VII-18.208-11/15 Men kan derhalve evengoed vooropstellen of de nabijheid van de stoffige en drukke Ninoofsesteenweg terzake niet meer impact heeft op de omgeving"; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekster in de memorie van wederant- woord herhaalt dat uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 30 november 1998 blijkt dat de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving geenszins zo evident is als de bestreden beslissing laat uitschijnen; 2.2.4. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie naar haar memorie van antwoord verwijst; 2.2.5.1. Overwegende dat luidens het bestreden besluit de vergunde inrichting volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een woongebied met bijzondere bepalingen met betrekking tot de bouwhoogte (aantal bouwlagen); dat, aangezien voor het betrokken woongebied geen nadere aanwijzingen gelden als bedoeld in artikel 6 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972, deze bepaling ook niet geschonden kan zijn; dat het middel dus enkel onderzocht hoeft te worden in zoverre de schending van artikel 5 van dat besluit wordt aangevoerd; 2.2.5.2. Overwegende dat artikel 5.1.0. van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 als volgt luidt : "De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving."; dat dit impliceert dat inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf enkel in een woongebied toegestaan kunnen worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de taken van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat bij het beoordelen van de bestaanbaarheid rekening dient te worden gehouden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van VII-18.208-12/15 ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bijvoorbeeld louter residentiële villawijk, of woonpark); dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving, uitgegaan dient te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddel- lijke omgeving die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven; dat uit artikel 5.1.0. van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 voortvloeit dat in de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, voldoende tot uiting moet komen dat aan de dubbele voorwaarde van bestaanbaarheid en verenigbaarheid is voldaan; 2.2.5.3. Overwegende dat met betrekking tot de voorwaarde van de bestaanbaarheid, in het bestreden besluit overwogen wordt dat, rekening houdend met het aantal werknemers (namelijk vier) en het aantal en het respectievelijk vermogen van de gebruikte metaalbewerkingsmachines die, gelet op het beperkt aantal werknemers niet allemaal tegelijk in werking kunnen zijn, het een “kleinschali- ge inrichting betreft” en dat de werkzaamheden zullen plaatsvinden in een atelier van ongeveer 10 meter op 15 meter; dat in het bestreden besluit voorts wordt vermeld dat het bedrijf gespecialiseerd is in "precisie frees-, slijp- en boorwerk van kleine onderdelen" en dat de "hoeveelheid opgeslagen materialen, smeerproducten en afvalstoffen zeer beperkt is"; dat ten slotte nog wordt overwogen dat "het geluid en de trillingen veroorzaakt door de machines in de werkplaats grotendeels zullen geabsorbeerd worden door de muren en het dak van het gebouw" en dat "de buurt zal gevrijwaard blijven van overmatige geluidshinder bij het uitvoeren van bijvoor- beeld slijp- of zaagwerken"; dat aldus blijkt dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met concrete gegevens betreffende de aard en de omvang van het betrokken bedrijf; dat op grond van de opgegeven motieven, niet gesteld kan worden dat de conclusie dat het gaat om een "kleinschalige" inrichting, die in het betrokken woongebied aanvaard kan worden, kennelijk onredelijk zou zijn; 2.2.5.4. Overwegende dat, wat betreft de beoordeling van de verenigbaar- heid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving, in de bestreden beslissing vermeld wordt dat de inrichting gelegen is "aan de drukke Ninoofsesteenweg op ongeveer één kilometer van het centrum van Halle", dat het gebouw waarin de werkplaats wordt ondergebracht gesitueerd is "achter een appartementsgebouw VII-18.208-13/15 bestaande uit drie verdiepingen, met dien verstande dat zich nog een ruimte bevindt tussen het atelier en het appartement op het gelijkvloers", dat "ook met de woningen links en rechts geen gemeenschappelijke muur met het atelier bestaat" en dat tussen de woning van de verzoekster en het atelier een tuin gelegen is van ongeveer 5 meter breed; dat het bestreden besluit bovendien de mogelijke hinderlijke gevolgen van de inrichting voor de onmiddellijke omgeving analyseert; dat aldus blijkt dat de verwerende partij voldoende oog heeft gehad voor de kenmerken van de onmiddellij- ke omgeving en de verenigbaarheid van de inrichting met die onmiddellijke omgeving; dat uit het advies van de afdeling Milieuvergunningen waarin wordt gesteld dat de verenigbaarheid van het bedrijf met de woonomgeving "niet vanzelfsprekend" is, niet blijkt dat dit adviesverlenend orgaan van oordeel was dat het bedrijf absoluut onverenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat bovendien dit advies gebaseerd is op de vaststelling dat hoge temperaturen in de zomer de exploitant ertoe zullen aanzetten om met open poort te werken met geluidshinder voor de buurt tot gevolg; dat in voornoemd advies echter tegelijk wordt aangegeven dat een mogelijke oplossing voor die problematiek bestaat in het aanbrengen van een degelijke dakisolatie; dat in het bestreden besluit precies wordt gesteld dat de exploitant "het dak aanpaste en dubbelwandig isoleerde"; dat de verzoekster niet aannemelijk maakt dat de beoordeling in het bestreden besluit van de stedenbouwkundige verenigbaar- heid met de onmiddellijke omgeving kennelijk onredelijk is; dat het tweede middel eveneens ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekster. VII-18.208-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.208-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.