id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.310 Rolnummer: A. 158429/VII-33263 Zaak: Arrest 145310 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 16:46 Fiche Arrest nr 145.310 van 2 juni 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.310 van 2 juni 2005 in de zaak A. 158.429/VII-33.263. In zake : Philippe SONCK, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Grote Hertstraat 12 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de n.v. MORTI, die woonplaats kiest bij Advocaat P. LACHAERT, kantoor houdende te MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Philippe SONCK op 18 december 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : 1. het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 oktober 2004 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze van 22 april 2003, waarmee aan de n.v. MORTI de milieuvergunning wordt verleend voor twee jaar op proef voor de exploitatie van een bedrijf voor constructiewerken in de agro-, industrie-, en woningbouw en tot 31 december 2003 voor de schrijnwerkerij, gelegen aan de Engelhoekstraat 1 te 9800 Deinze; 2. het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 4 november 2004 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze van 1 juni 2004, waarmee aan de n.v. MORTI de milieuvergunning wordt geweigerd voor het veranderen van een inrichting gelegen aan de Engelhoekstraat 1 te 9800 Deinze; VII-33.263-1/12 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 15 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ph. VAN WESEMAEL die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoeker, van Bestuurssecretaris F. COCRIAMONT, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. LACHAERT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de n.v. MORTI, aanvrager van de vergunning, met een op 30 december 2004 ingediend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij de aanvrager en titularis is van de bestreden vergunning; dat er dit verzoek kan worden ingewilligd; 2. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 2.1. De tussenkomende partij baat aan de Engelhoekstraat 1 te Deinze een aannemingsbedrijf van algemene bouwwerken uit. Dit bedrijf omvat een werkplaats en een opslagplaats. Het ligt, volgens het bij koninklijk besluit van 14 VII-33.263-2/12 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone, ten dele in woongebied en ten dele in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verzoeker is gebuur van het bedrijf. 2.2. Op 5 april 1995 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze een milieuvergunningsaanvraag in, enerzijds voor het hernieuwen van de lopende vergunning, anderzijds voor het uitbreiden van de inrichting. 2.3. Deze vergunning wordt op 4 juli 1995 verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze. 2.4. Tegen dat besluit wordt beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen, onder meer door verzoeker. 2.5. Met een besluit van 21 december 1995 wordt het beroep verworpen en het beroepen collegebesluit bevestigd. 2.6. Met het arrest nr. 60.147 van 13 juni 1996 schorst de Raad van State, op vordering van huidige verzoeker, de tenuitvoerlegging van dit besluit. 2.7. Op 6 februari 1997 wordt een nieuw besluit genomen. 2.8. De tenuitvoerlegging van dit besluit wordt door de Raad van State geschorst bij arrest nr. 73.538 van 7 mei 1998, en vernietigd bij arrest nr. 83.332 van 4 november 1999. 2.9. Op 13 december 2000 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een inrichting voor constructiewerken voor toepassing in de agro-, industrie- en woningbouw. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze verleent op 15 mei 2001 de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar, behalve voor de verfspuitinrichting, waarvoor een proefvergunning voor een jaar wordt afgeleverd. Na beroep van drie buurtbewoners, waaronder verzoeker, wordt het grootste deel van de gevraagde vergunning verleend voor een proefperiode van twee jaar. VII-33.263-3/12 2.10. Dit besluit wordt door de Raad van State op vordering van verzoeker vernietigd bij arrest nr. 108.542 van 27 juni 2002. 2.11. Op 3 februari 2003 dient de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze "voor het exploiteren van een inrichting voor constructiewerken voor toepassing in de agro-, industrie- en woningbouw". Op 22 april 2003 verleent het stadsbestuur de milieuvergunning. 2.12. Op 20 mei 2003 tekent verzoeker administratief beroep aan tegen deze vergunning. 2.13. Op 9 oktober 2003 wordt dit beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. De milieuvergunning wordt verleend voor een termijn van twee jaar. Dit besluit wordt door de Raad van State op vordering van verzoeker vernietigd bij arrest nr. 130.563 van 22 april 2004. 2.14. De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie keurt bij besluit van 14 april 2004 een bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - 1/2 MORTI NV" van de stad Deinze goed. De tenuitvoerlegging van dit besluit wordt door de Raad van State op vordering van verzoeker geschorst bij arrest nr. 141.287 van 25 februari 2005. 2.15. Op 2 februari 2004 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van de op 9 oktober 2003 verleende milieuvergunningen. Gelet op het annulatie-arrest van 22 april 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze op 1 juni 2004 de vraag tot verandering. De tussenkomende partij tekent hiertegen administratief beroep aan. 2.16. In het kader van de adviesprocedure voor de na het vernietigingsarrest nr. 130.563 van 22 april 2004 te nemen beslissing adviseert de afdeling Milieuvergunningen ongunstig, omdat de hinder voor de nabijgelegen woningen (in woongebied) te groot wordt geacht en adviseert de Provinciale Milieuvergunningscommissie ongunstig op grond van volgende motieven : VII-33.263-4/12 - de commissie heeft steeds verwezen naar het arrest van de Raad van State waarin het bedrijf onbestaanbaar met de woonomgeving wordt geacht; - het bijzonder plan van aanleg is aangevochten bij de Raad van State; - de bufferzone kan niet gerealiseerd worden; - het bedrijf kan verder verhuizen naar zijn vestiging in Drongen; - er vinden nog steeds hinderlijke activiteiten plaats. 2.17. Op 14 oktober 2004 beslist de verwerende partij opnieuw over het administratief beroep dat aanleiding had gegeven tot het annulatie-arrest van 22 april 2004. De gevraagde milieuvergunning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar met oog op herlocalisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. In de motivering is onder meer te lezen : "Overwegende dat de Raad van State in het arrest van 4 november 1999 m.b.t. de n.v. MORTI het volgende oordeelde : dient vastgesteld dat het kwestieuze bedrijf onbestaanbaar is met het betrokken woongebied'; Overwegende dat, gelet op het bovenstaande, nl. - dat het bedrijf de bedoeling heeft om tegen eind 2009 alle productie- activiteiten naar de vestiging te Drongen te verhuizen; - dat er momenteel een goedgekeurd sectoraal BPA is; - dat er bij de opmaak van het BPA duidelijk afgesproken werd dat de voorziene bufferzone moet gerealiseerd worden; dat delen van de gebouwen en van de verharding hiervoor worden weggenomen; - dat de vereiste stedenbouwkundige vergunningsaanvraag om het bedrijf in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde BPA zonevreemde bedrijven - 1/2 MORTI n.v.' bij het College van Burgemeester en Schepenen is ingediend; - dat zich bovendien geen noemenswaardige milieuhygiënische problemen meer stellen; dat er enkel m.b.t. het aspect geluidshinder van de transportbewegingen onzekerheid is; dat hiervoor een akoestische studie wordt opgelegd; Overwegende dat derhalve kan gesteld worden dat de aard en de omvang van het bedrijf worden gewijzigd; dat ook de intrinsieke hinderlijkheid tot een aanvaardbaar minimum kan worden beperkt; dat het aldus aangewezen is een vergunning te verlenen voor een beperkt(
- e)termijn van 5 jaar m.o.o. herlokalisatie; (...)". 2.18. Op 4 november 2004 beslist de verwerende partij over het administratief beroep dat de tussenkomende partij had ingesteld tegen de weigeringsbeslissing van 1 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen : de gevraagde verandering wordt vergund. VII-33.263-5/12 Dit is de tweede bestreden beslissing. Deze betreft een beperkte uitbreiding van de lozing van afvalwater, airco-toestellen, en beperkte opslag van benzine, mazout en afvalolie; 3. Beoordeling 3.1.1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker voorafgaand stelt dat de bestreden beslissingen onwettig zijn omdat ze hun grond vinden in een onwettige "verkavelingsvergunning" (bedoeld wordt waarschijnlijk het bijzonder plan van aanleg) die op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten beschouwing moet worden gelaten; 3.1.3. Overwegende dat verzoeker een eerste middel inroept dat als volgt is gesteld : "Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, uit de schending van artikel 2 §1 van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, uit de schending van het KB van 14 september 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, uit de schending van de artikelen 5.1.0 en 15.4.6.1 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, uit de schending van het gezag van gewijsde van de arresten 83.332 van 4 november 1999, nr. 108.542 van 27 juni 2002 en nr. 130.563 van 22 april 2004 van de Raad van State, uit de schending van artikel 50, 3/, b, van het Vlarem I-besluit, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen, uit de schending van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wegens het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag, en met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. Doordat de bestreden besluiten de milieuvergunning verlenen aan de NV Morti, waarbij op geen enkele wijze wordt rekening gehouden met de argumentatie van beroeper en de ongunstige adviezen van de verschillende instanties, laat staan dat deze op enige wijze zouden worden weerlegd. En doordat de verschillende adviesverlenende instanties in hun ongunstige adviezen alle hebben gewezen op de onbestaanbaarheid van de inrichting in haar VII-33.263-6/12 huidige toestand met de residentiële woonomgeving, en dat door de inrichting de ruimtelijke draagkracht wordt overschreden. En doordat de bestreden besluiten deze argumentatie terzijde schuiven met de enkele verwijzing naar de bestemmingen vastgelegd door een onwettig sectoraal BPA NV Morti van de stad Deinze, zoals goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 april 2004. Terwijl de Bestendige Deputatie zelf in de bestreden besluiten bevestigt dat het bedrijf zowel door haar omvang, de hinderlijke aard van haar activiteiten (metaalbewerking, bouwbedrijf, zwaar verkeer), als het aantal tewerkgestelde personen (ongeveer 120 werknemers) niet meer kan beschouwd worden als een klein ambachtelijk bedrijf dat inpasbaar is in een rustige woonbuurt. En terwijl in casu het homogeen residentieel karakter van de Engelhoekstraat niet kan worden betwist, gezien de NV Morti het enige bedrijf is dat is ingeplant in deze rustige woonbuurt, en dit ook in de bestreden besluiten wordt bevestigd. En terwijl, niettegenstaande de vergunningverlenende overheid zelf in haar overwegingen de onverenigbaarheid van de bedrijfsactiviteiten vaststelt met de onmiddellijke omgeving en uitdrukkelijk verwijst naar eerdere rechtspraak van de Raad van state m.b.t. de inrichting, zij toch de vergunningen verleent. En terwijl het provinciebestuur geen enkele motivatie besteedt aan het weerleggen van de ongunstige adviezen en de bezwaren van beroeper, maar na een aantal algemene en overwegend negatieve overwegingen eenvoudigweg besluit dat En terwijl zulke motivering uiteraard nietszeggend is. En terwijl zodoende moet worden vastgesteld dat ondanks de negatieve adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en de PMVC, die beide hebben gewezen op de onbestaanbaarheid van de inrichting en van de aanvraag met het betreffende woongebied en de concrete argumentatie die ook beroeper dienaangaande ontwikkeld had in zijn administratief beroep, deze adviezen en argumentatie nergens besproken, laat staan weerlegd worden. En terwijl integendeel ook het provinciebestuur wijst op de onbestaanbaarheid van de inrichting en haar activiteiten met de gewestplanbestemming, zodat de conclusie van het bestreden besluit dan ook regelrecht ingaat tegen zowat alle beginselen van behoorlijk bestuur. En terwijl daarenboven het bestreden besluit volledig ingaat tegen vorige besluiten van de Bestendige Deputatie over dezelfde inrichting en dezelfde activiteiten (cf. het advies van de afdeling Milieuvergunningen : En terwijl zowel het provinciebestuur als de Raad van State immers in het verleden reeds meermaals de onbestaanbaarheid van de inrichting met het woongebied hebben vastgesteld. En terwijl beroeper samen met de adviesverlenende instanties moet vaststellen dat de aanvraag waarvoor vergunning wordt verleend in weinig of niets verschilt van de aanvragen in het verleden, zodat de last en de hinder voor het omliggend woongebied onveranderd is gebleven. En terwijl ook de overwegingen in de bestreden besluiten dat de NV Morti zich heeft voorgenomen om uiterlijk eind 2009 de productieactiviteiten te herlocaliseren naar Drongen, geen afbreuk doen aan de vaststellingen dat de VII-33.263-7/12 inrichting nu reeds onherstelbare hinder veroorzaakt voor de omwonenden en niet bestaanbaar is met de residentiële woonomgeving. En terwijl een dergelijke houding in hoofde van de vergunningverlenende overheid dan ook moet worden beschouwd als een zware tekortkoming op het vlak van behoorlijk bestuur, te meer daar zij bij het verlenen van de vergunning haar eigen vaststellingen met de voeten treedt en het provinciebestuur zich zelfs de moeite niet getroost om enige motivering in het besluit in te lassen die het verlenen van de vergunning probeert te verantwoorden"; Overwegende dat de verwerende partij een aantal passages uit de motivering citeert en stelt "dat er ook gunstige adviezen waren"; Overwegende dat de tussenkomende partij uiteenzet waarom er volgens haar geen strijdigheid is met de gewestplanbestemming; dat zij stelt dat de adviezen niet bindend zijn, dat de vraag of een bedrijf ambacht of kleinbedrijf is een appreciatiekwestie is en dat het gedeelte agrarisch gebied door het bijzonder plan van aanleg ambachtelijke zone is geworden; dat zij daaruit afleidt wat volgt : "Daaruit volgt dat er op stedenbouwkundig -planologisch- vlak geen discussie meer kan zijn. Inderdaad, de planologische afweging van zowel de bestaanbaarheid als de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening is én door de Stad DEINZE én door de provinciale planologische ambtenaar én door de Minister geschied. (...) Nu is het BPA Overwegende dat uit het arrest nr. 141.287 van 25 februari 2005, waarbij de schorsing werd bevolen van het bijzonder plan van aanleg "Zonevreemde bedrijven-1/2 Morti N.V." prima facie blijkt dat dit bijzonder plan van aanleg onwettig was; dat het dan ook niet kan worden betrokken bij de beoordeling van de wettigheid van de thans bestreden beslissingen; dat niet wordt aangetoond dat de inrichting, waarvoor vergunning wordt gevraagd, wezenlijk verschilt van deze welke het voorwerp uitmaakte van de bij arrest nr. 83.332 van 4 november 1999 vernietigde vergunning; dat een verwijzing in de bestreden beslissingen naar mogelijke verbeteringen in de toekomst terzake niet volstaat; dat de Raad van State immers de vergunning moet beoordelen zoals ze wordt gevraagd en niet deze welke eventueel over enkele jaren zal worden gevraagd; dat de Raad van State reeds in de arresten, opgesomd in de feitelijke uiteenzetting, heeft geoordeeld dat de inrichting onbestaanbaar was met de gewestplanbestemming van het gebied; dat te dezen de bestreden beslissingen geen beoordeling van die verenigbaarheid bevatten, hoewel in VII-33.263-8/12 de geciteerde arresten van de Raad van State en in de aan de beroepsbeslissingen voorafgaande adviezen uitdrukkelijk op dit aspect werd gewezen; dat het middel ernstig is; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel de volgende uiteenzetting geeft : "(...) Zoals hierboven reeds werd aangehaald, is verzoeker eigenaar van een woning aan de Engelhoekstraat 23. De eigendom van verzoeker is gelegen in het woongebied van het gewestplan Gentse en Kanaalzone en paalt vlak aan de bedrijfsgebouwen van de inrichting van de NV Morti. (...) De woning van verzoeker is op minder dan 100 meter gelegen van de ingang en de overige bedrijfsgebouwen van de bedrijfssite van de NV Morti. Vanuit zijn tuin achteraan zijn woning kijkt verzoeker dus uit op de bedrijfsgebouwen en wordt hij ook geconfronteerd met de geluidshinder van de draaiende machines, de voertuigen en luchtschouwen op en van het bedrijf. (...) Het voortdurend laden en lossen van vrachtwagens met vorkheftrucks, het heen en weer rijden met materialen, het zagen en verfspuiten (tot voor kort in open lucht, thans in een cabine, doch nog steeds gepaard gaande met de nodige geluids- en vooral geurhinder), het functioneren van de schrijnwerkerij met open poorten, de verlichting van het bedrijfsterrein door middel van felle spots tot zeer laat 's avonds en vanaf de vroege uurtjes 's morgens, vormen evenvele bronnen van voortdurende hinder voor verzoeker. Uit de uitgebrachte adviezen, alsmede uit vroegere uitspraken van de Raad van State aangaande de inrichting moge duidelijk de verpletterende impact van het bedrijf van de N.V. MORTI op de buurt en de landelijke omgeving blijken. (...) Van aan de inrichting vertrekken de arbeiders naar de verschillende werven. Dit begint dagelijks reeds vanaf 5:30 uur 's morgens en gaat uiteraard gepaard met luidruchtige activiteiten zoals het laden van de verschillende materialen. Dit heeft uiteraard een negatieve invloed op de nachtrust van verzoeker en zijn gezin, nu zij dagelijks vóór dag en dauw worden gewekt door de aankomende en vertrekkende arbeiders en het verslepen en laden van het (bouw)materiaal. Ook thans weer wordt deze hinder bevestigd door de adviezen van zowel de afdeling Milieuvergunningen als de Provinciale Milieuvergunningscommissie. Ook gedurende de dag is er uiteraard veel bedrijvigheid op de site, komende van de metaalbewerking en de spuitcabine. Ook dit zorgt op zijn beurt voor de nodige lawaai- en geurhinder, zoals wordt bevestigd in het ongunstig advies dd. 17 juli 2003 van de provinciale milieudeskundige, dat de argumentatie van verzoeker in het administratief beroep tegen de laatste milieuvergunning, verleend door het stadsbestuur van Deinze, aangaande de geluidshinder van de verfspuitcabine en de transportbewegingen gegrond bevindt. Het feit dat de NV Morti n.a.v. de hoorzitting voor de Provinciale Milieuvergunningscommissie de belofte heeft gedaan tegen eind 2009 de productieactiviteiten te verhuizen naar Drongen, verandert niets aan deze hinder. VII-33.263-9/12 (...) Hierdoor wordt verzoeker dag in dag uit, van 's morgens zeer vroeg tot (...)"; Overwegende dat volgens de verwerende partij verzoeker zijn nadeel vooral ziet in het ontbreken van een bufferzone en in de bepalingen van het bijzonder plan van aanleg; dat zij stelt dat wel degelijk een bufferzone kan en zal worden aangelegd, en dat nadelen voortvloeiend uit het bijzonder plan van aanleg niet aan de bestreden beslissingen kunnen worden aangerekend; Overwegende dat de tussenkomende partij het volgende stelt : "Met de meeste klem wordt betwist dat de verdere exploitatie en uitbreiding van het bedrijf NV MORTI een grote negatieve impact op de leefomgeving van de buurt heeft. De hinder (die) door het bedrijf NV MORTI wordt teweeggebracht, is zeer beperkt"; dat zij er op wijst dat het bedrijf reeds aanwezig was toen verzoeker zijn woning kocht, en dat deze jarenlang geen klachten heeft geuit, ook al is de hinder vroeger groter geweest; Overwegende dat de door verzoeker gegeven uiteenzetting overtuigt; dat verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat de exploitatie van de inrichting hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent; dat de bewering van de tussenkomende partij als zouden er ter plaatse geen productie-activiteiten zijn reeds wordt tegengesproken door het feit dat de aanvraag eveneens houtbewerkingsmachines met een vermogen van 80,34 kW en metaalbewerkingsmachines met een vermogen van 156 kW omvat; dat de Raad van State reeds tweemaal in een schorsingsprocedure betreffende een milieuvergunning voor deze inrichting het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft aanvaard in hoofde van verzoeker; dat sindsdien de inrichting niet betekenisvol is gewijzigd, terwijl, gelet op de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bijzonder plan van aanleg, ook de bestemmingsvoorschriften nog steeds dezelfde zijn; VII-33.263-10/12 Overwegende dat is voldaan aan de twee in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde voorwaarden, zodat de schorsing kan worden bevolen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. MORTI in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van : 1. het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 oktober 2004 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze van 22 april 2003, waarmee aan de n.v. MORTI de milieuvergunning wordt verleend voor twee jaar op proef voor de exploitatie van een bedrijf voor constructiewerken in de agro-, industrie-, en woningbouw en tot 31 december 2003 voor de schrijnwerkerij, gelegen aan de Engelhoekstraat 1 te 9800 Deinze; 2. het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 4 november 2004 inzake het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze van 1 juni 2004, waarmee aan de n.v. MORTI de milieuvergunning wordt geweigerd voor het veranderen van een inrichting gelegen aan de Engelhoekstraat 1 te 9800 Deinze. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de geschorste besluiten. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-33.263-11/12 De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni tweeduizend en vijf, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-33.263-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.310 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.216 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div