← België

Arrest 145311 - - 02/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.311 Rolnummer: A. 63668/XII-706 Zaak: Arrest 145311 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 16:47 Fiche Arrest nr 145.311 van 2 juni 2005 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.311 van 2 juni 2005 in de zaak A. 63.668/XII-

  1. In zake : Eddy VAN HOEKS, wonende te Antwerpen, Van Gistelstraat 4 tegen :
  2. de STAD ANTWERPEN,
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy Van Hoeks op 15 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van, eensdeels, het besluit van de Vlaamse minister van Openbare werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, genomen op 17 maart 1995, waarbij het besluit wordt goedgekeurd van de burgemeester van de stad Antwerpen van 28 december 1994 houdende het opleggen van de tuchtstraf van de inhouding van wedde met 20 % voor de duur van twee weken aan verzoeker, en anderdeels, van het voormelde besluit van de burgemeester; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 9 december 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-706-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Govaerts, die verschijnt voor verzoeker en van advocaat P. Van Der Straten, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Op 23 maart 1994 stelt J. Engelen, adjunct-commissaris-inspecteur van politie van de stad Antwerpen “feitelijke tekortkomingen” vast in hoofde van verzoeker, hoofdinspecteur van politie eerste klasse. In zijn feitenverslag stelt hij onder meer : “Feiten - Bovengenoemde stelt op datum van 23 maart 1994 volgende feitelijke tekortkomingen vast van het in vak 3 genoemde personeelslid : 'Op 14.3.1994 verdween de minderjarige J.[...] uit de ouderlijke woning [...]. Feit werd behandeld door Hiek Van Hoeks Eddy op aangifte van de stiefvader D'.[...] met PV nr AN.042.21.300445/
  5. Deze minderjarige werd op 15.3.1994 door de Rijkswacht van Houthalen aangetroffen. Zij stelde Hiek Van Hoeks hiervan in kennis. Uit het door ons ingestelde onderzoek is gebleken dat Hiek Van Hoeks te 18u00, tijdens zijn wachtdienst 8u-20u, in burger (burgervest over uniform) met zijn persoonlijk voertuig en in gezelschap van P.[...] (/05.03.59), moeder van de minderjarige, naar Houthalen vertrok. Hij kwam daar toe omstreeks 20u30 (bevestigd door 1ste wachtmeester Geens RW Houthalen). Volgens de vrouw arriveerden zij terug in Antwerpen samen met haar zoon omstreeks 22u15u. Hiek Van Hoeks maakt geen melding in het boek officieren (zoals voorgeschreven) van zijn vertrek of nopens de omstandigheden ervan. Hij vermeldt niets over zijn terugkeer of einde van zijn dienst. Hij vroeg vooraf geen toelating aan zijn onmiddellijke overste onder wiens bevoegdheid hij wachtdienst verrichtte en liet onrechtstreeks de verantwoordelijkheid over aan zijn ondergeschikten”. 1.
  6. Na kennisname van dit “feitenverslag politiepersoneel” verstrekt verzoeker een omstandige verantwoording omtrent zijn gewraakt optreden, waarin hij, onder meer, de concrete feiten vermeldt die aanleiding hebben gegeven tot het opstellen van voormeld feitenverslag. XII-706-2/7 In die verantwoording wordt gesteld dat verzoeker omstreeks 14u20 door de rijkswacht van Houthalen in kennis werd gesteld dat de minderjarige zich op die rijkswachtpost bevond, dat de ouders van de minderjarige hiervan verwittigd werden, dat de moeder naar het politiecommissariaat kwam, dat de vader, vrachtwagenchauffeur, vooralsnog, niet te bereiken was, dat de moeder niet over vervoer beschikte om haar kind op te halen, dat verzoeker, alsdan, met de rijkswacht van Houthalen overeenkwam dat deze de minderjarige terug naar Antwerpen zou brengen -hetgeen overigens de normale gang van zaken zou blijken te zijn- en dat dit uiteindelijk niet mogelijk bleek, zodat verzoeker besliste zelf te zorgen voor het nodige vervoer omdat, enerzijds, de financiële draagkracht van de moeder ontoereikend was om haar kind per taxi af te halen en, anderzijds, een ophaling van die minderjarige, via het openbaar vervoer, dezelfde dag niet realiseerbaar was, dat, na zich er van vergewist te hebben dat de wachtdienst verzekerd werd door een collega, verzoeker zich met zijn persoonlijk voertuig en in gezelschap van de moeder van de betrokken minderjarige naar Houthalen begeven heeft en dat hij, na het vervullen van de nodige formaliteiten bij de rijkswachtbrigade van Houthalen, moeder en minderjarige thuis heeft gebracht. In die verantwoording stelt verzoeker onder meer ook nog dat hij de verantwoordelijkheid over zijn te vervullen wachtdienst niet overliet aan zijn ondergeschikten, vermits “vanaf 15.00 uur de wacht [werd] waargenomen door een andere Hiek met zijn assistent en [dat hij] integendeel juist verantwoordelijkheid [opnam] en hierbij zin voor initiatief [toonde]” en dat “bij [zijn] weten de nodige uren en omstandigheden [werden] genoteerd in [zijn] PV en in dit van de RW zodat deze wel degelijk ter kennis werden gebracht en konden worden gecontroleerd, er is dus geen inzicht geweest om [zich] hier[a]an te onttrekken”; Tenslotte tracht verzoeker in meergenoemde verantwoording uit te leggen dat hij zich op 15 maart 1994 “progressief” heeft opgesteld en heeft gekozen voor “adekwate politionele hulpverlening” in plaats van te opteren voor “een conservatieve bureaucratische” aanpak. 1.
  7. Op 2 mei 1994 schrijft R. Scheyvaerts, commissaris van politie, zone Zuid, aan de hoofdcommissaris dat “ondanks de overvloed aan argumenten en uitgekiende hypotheses het een feit [blijft] dat Hiek Van Hoeks het bureau verliet tijdens zijn dienst; zich in burger met zijn persoonlijk voertuig verplaatste in het gezelschap van een vrouw en hiervan geen enkele voorgeschreven melding maakte”. XII-706-3/7 Die commissaris stelt voorts dat verzoekers “optreden niet [behoort] tot zijn gerechtelijke verantwoordelijkheden of tot zijn administratief takenpakket, welke theorieën of cursussen er ook mogen bijgesleurd worden” en dat “dit erkennen als slachtofferhulp voor elke agent de mogelijkheid [creëert] om in de toekomst onder deze dekmantel van het commissariaat te verdwijnen”. Hij besluit met het voorstel “betrokkene te straffen met inhouding van 20% gedurende 15 dagen”, gelet op het feit dat verzoeker “als overste een voorbeeldfunctie te vervullen heeft en dat een slecht voorbeeld snel geïmiteerd wordt”. 1.
  8. Op 16 september 1994 sluit de hoofdcommissaris zich aan bij dit tuchtvoorstel. De tuchtfeiten worden in dit verslag als volgt samengevat : “Op 15 maart 1994 had betrokkene wachtdienst van 08.00u tot 20.00u in het bureel P/Z/SB. Te 18.00u verliet hij de wachtdienst. Betrokkene had zich in het aanwezigheidsregister uitgeschreven met vermelding : 'naar Atletenstraat 1 [P]'. In het register is verder van betrokkene geen melding terug te vinden. Ook zijn einde dienst staat niet ingeschreven, zoals voorzien in de onderrichting VOPA (Personeel - bundel 201 blz. 1 en 2). Volgens vaststeller reed betrokkene te 18.00u in burger in gezelschap van een vrouw met zijn persoonlijk voertuig naar de rijkswacht van Houthalen, om aldaar een verdwenen minderjarige zoon van die vrouw te gaan ophalen. Het basisstatuut artikel 20 bepaalt, dat een personeelslid enkel zijn persoonlijk voertuig voor dienstverplaatsingen mag gebruiken mits voorafgaandelijke toelating van het College van Burgemeester en Schepenen. Door deze dienstverlating onttrok betrokkene zich aan zijn taak die erin bestond, de wachtdienst mee te verzekeren in het bureel P/Z/SB van 08.00u tot 20.00u. Niettegenstaande de nota verschenen in de politiedagorders van 2/10/91 blz 14 waarin wordt gesteld, dat de hoofdinspecteur van eerste klasse werkt onder het gezag van de adjunct commissaris, heeft betrokkene nagelaten deze laatste van vernoemde activiteit in kennis te stellen”. 1.
  9. Voor de in het voormelde verslag aangegeven feiten wordt verzoeker op 14 november 1994 uitgenodigd om vóór de burgemeester tuchtrechtelijk te verschijnen, op 30 november
  10. Verzoeker verschijnt niet op dit verhoor. 1.
  11. Op 28 december 1994 legt de burgemeester verzoeker de tuchtstraf inhouding van wedde met 20% gedurende twee weken op. In zijn tuchtbeslissing die aan verzoeker op 29 december 1994 betekend wordt, overweegt de burgemeester onder meer dat “de feiten zoals beschreven in het verslag van de hoofdcommissaris bewezen zijn”, dat “deze feiten een tekortkoming aan de beroepsplicht uitmaken en bijgevolg overeenkomstig XII-706-4/7 artikel 282 van de nieuwe gemeentewet, in aanmerking komen voor tuchtrechtelijke bestraffing” en dat “de strafmaat, voorgesteld door de hoofdcommissaris in verhouding staat tot de feiten”. 1.
  12. Op 26 januari 1995 stelt verzoeker tegen die tuchtbeslissing beroep in bij de toeziende overheid. Op 17 maart 1995 keurt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden de tuchtbeslissing van de burgemeester goed. Die goedkeuringsbeslissing wordt verzoeker betekend op 21 maart 1995;
  13. De grond van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een derde middel betoogt hetgeen volgt : “Derde middel, afgeleid uit de schending van artikel 97 van de Grondwet doordat aan de hand van de feitelijke gegevens der zaak en de eventuele motieven om tot een tuchtrechtelijke bestraffing over te gaan, onbetwistbaar vaststaat dat het administratief dossier onvoldoende informatie bevat die aanleiding kan geven tot het opleggen van een zware straf, overeenkomstig artikel 284 van de nieuwe gemeentewet;”; Overwegende dat de eerste verwerende partij antwoordt dat dit middel onduidelijk is, aangezien niet blijkt of verzoeker betoogt dat uit het tuchtdossier onvoldoende de feiten worden bewezen, dan wel of de bewezen feiten verkeerd werden beoordeeld en een te zware sanctie werd opgelegd; dat de tweede verwerende partij het middel niet-ontvankelijk noemt omdat een schending van artikel 97 van de Grondwet te dezen absurd is en voorts het middel thans voor het eerst in de procedure, namelijk voor de Raad van State, wordt aangebracht; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt dupliceert : “Aangezien met betrekking tot de ontvankelijkheid van dit middel verzoeker verwijst naar de desbetreffende uiteenzetting in het kader van het tweede middel. Aangezien dat eerste verwerende partij erkent dat een zware tuchtstraf werd op[ge]legd na eensluidend advies van de hiërarchische oversten van verzoeker; XII-706-5/7 dat verzoeker benadrukt dat hij in eer en geweten heeft gehandeld en dat het verlaten van de dienst enkel en alleen om de minderjarige te gaan ophalen te Houthalen en het desbetreffende onderzoek verder afgehandeld te zien door de confrontatie tussen moeder en kind, kaderde in zijn functieuitvoering, en meer bepaald van officier van gerechtelijke politie; dat vandaar ook zijn naaste collega's voorafgaandelijk op de hoogte waren gebracht door verzoeker van zijn vertrek naar Houthalen en nadat hij overtuigd was dat de dien[s]t voldoende verzekerd was; dat bijgevolg het uitgangspunt om een zware straf op te leggen en de motivering ervan, namelijk : Hiek Van Hoeks weet dat hij als overste een voorbeeldfunctie te vervullen heeft en dat een slecht voorbeeld snel geïmmiteerd wordt in strijd is met de realiteit en alleszins dergelijke indruk bij de collega's niet heeft opgewekt toen hij kort voor het einde van zijn dienst, het kantoor verliet om slechts veel later dan 20.00 u. zijn dagtaak te beëindigen; dat inderdaad zowel de Rijkswacht als de moeder van de minderjarige zich positief hebben uitgelaten over het optreden van verzoeker en in realiteit ten overstaande van zijn collega's - ondergeschikten hij alleszins niet als een negatief voorbeeld is overgekomen; dat dergelijke tuchtrechtelijke maatregel verregaande gevolgen heeft voor de loopbaan van verzoeker, niet alleen op pecuniair vlak doch eveneens voor wat zijn bevorderingsmogelijkheden betreft. Aangezien er geen enkele reële aanleiding bestond; op grond van de feitelijke omstandigheden om een zware tuchtstraf op te leggen; dat bijgevolg de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel wegens machtsafwending dient nietig verklaard te worden”; Overwegende dat verzoekers middel niet uitblinkt in klaarheid; dat enkel duidelijk is dat hij daarin schending inroept van het evenredigheidsbeginsel in tuchtzaken; dat het middel dienvolgens enkel onder dat oogpunt als ontvankelijk wordt beschouwd en wordt onderzocht; Overwegende dat verzoeker op zijn minst de hem ten laste gelegde feiten niet ontkent waar het de dienstverlating betreft met een persoonlijk voertuig; dat hij in zijn betoog ook blijkt te aanvaarden dat hij een tuchtstraf verdient, zij het geen zware; dat, gelet op de in het geding zijnde niet betwiste feiten, de Raad van State niet vaststelt dat te dezen de tuchtoverheid bij het opleggen van de sanctie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan; dat daarmee niet gezegd wil zijn dat de tuchtoverheid voor de bedoelde feiten geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid lag; dat het immers nu eenmaal eigen is aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn die nochtans elk de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan; dat het middel niet wordt aangenomen; dat, aangezien enkel dat middel in het auditoraatsverslag is besproken, er reden is om de debatten te heropenen, XII-706-6/7 BESLUIT: Artikel
  14. De debatten worden heropend. Artikel
  15. Het door de auditeur generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt met een aanvullend onderzoek belast. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-706-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.311 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.141 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.