← België

Arrest 145313 - - 02/06/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.313 Rolnummer: Zaak: Arrest 145313 - - 02/06/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 16:48 Fiche Arrest nr 145.313 van 2 juni 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 145.313 van 2 juni 2005 in de zaken A. 79.130/XII-

  1. A. 83.515/XII-
  2. In zake : I. + II. Frans LAMBERT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Bekaert, kantoor houdende te Tielt, Hoogstraat 34 tegen : I. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1 II. de STAD TIELT, die woonplaats kiest bij advocaat S. Verbeke, kantoor houdende te 1200 Brussel, Woluwe Atrium, Neerveldstraat 101-
  3. tussenkomende partij : I. + II. Linda DE WIT, die woonplaats kiest bij advocaat I. Opdebeek, kantoor houdende te Aartselaar, Karel van de Woestijnelaan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans Lambert op 26 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 mei 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, waarbij het besluit van 6 november 1997 van de gemeenteraad van Tielt houdende zijn benoeming tot plaatselijke ontvanger wordt vernietigd. (A. 79.130/XII-1475); XII-1475-1/30 Gezien het verzoekschrift dat Frans Lambert op 14 april 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 maart 1999 van de gemeenteraad van Tielt, waarbij Linda De Wit tot plaatselijke ontvanger wordt benoemd. (A. 83.515/XII-1999); Gelet op het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998, verbeterd bij arrest nr. 77.629 van 15 december 1998, waarbij in de zaak A.79.130/XII-1475 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 8 januari 1999 ingediend door verzoeker in de zaak A. 79.130/XII-1475; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 april 1999 in de zaak A.79.130/XII-1475; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 23 november 1999 in de zaak A.83.515/XII-1999; Gelet op de beschikking van 19 april 1999 die de tussenkomst van Linda De Wit in de zaak A.79.130/XII-1475 toelaat; Gelet op de beschikking van 10 december 1999 die de tussenkomst van Linda De Wit in de zaak A.83.515/XII-1999 toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikkingen van 5 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1475-2/30 Gelet op de beschikking van 5 oktober 2004 waarbij de terechtzitting in de zaak A. 83.515/XII-1999 bepaald wordt op 21 december 2004; Gelet op het onbepaald uitstel in deze zaak; Gelet op de beschikkingen van 5 januari 2005 waarbij de terechtzitting in beide zaken bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Bekaert, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J.-J. Van Raemdonck, die loco advocaat I. Opdebeeck verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  5. De gegevens van de zaken. 1.
  6. Ingevolge de oppensioenstelling van de plaatselijke ontvanger beslist de gemeenteraad van Tielt op 6 maart 1997 de functie van plaatselijke ontvanger open te verklaren en bij aanwerving te laten begeven. Blijkens de aanwervingsvoorwaarden moeten de kandidaten slagen voor een “gewoon examen”. 1.
  7. Op 14 mei 1997 stelt de gemeenteraad het volgende examen- programma vast : - een proef om “de geestesrijpheid” van de kandidaten te testen, omvattende de volgende onderdelen : * een schriftelijk gedeelte bestaande uit het maken van een synthese van een voordracht op universitair niveau die handelt over een onderwerp van algemene aard en het becommentariëren van die voordracht (40 punten); * een conversatieproef over onderwerpen van algemene aard (20 punten); XII-1475-3/30 - een schriftelijke “bekwaamheidsproef” over de grondige kennis van de begroting en de gemeentelijke comptabiliteit, met inbegrip van de gemeentelijke fiscaliteit en de financiële technieken, en over de algemene begrippen met betrekking tot de gemeentewet, het administratief recht en het grondwettelijk recht (40 punten). Om te slagen moeten de kandidaten ten minste 50% van de punten behalen “op elke proef of onderdeel van proef” en ten minste 60% van de punten op het gehele examen. 1.
  8. De examenproeven worden georganiseerd op 2 en 5 juli
  9. Vier kandidaten, waaronder verzoeker, nemen eraan deel. Geen enkele van hen behaalt echter de vereiste 60% van de punten op het geheel van het examen. Verzoeker behaalt 54% van de punten. 1.
  10. Op 4 september 1997 neemt de gemeenteraad hiervan kennis en gelast hij het college van burgemeester en schepenen een nieuwe examenprocedure op te starten. 1.
  11. Op 11 en 18 oktober 1997 hebben daarvan de examenproeven plaats. Tien kandidaten nemen aan de proeven deel. Verzoeker is de enige kandidaat die ook reeds in juli 1997 aan de proeven heeft deelgenomen. Vier kandidaten slagen voor het gehele examen. Hun resultaten zijn de volgende : Kandidaat Synthese Kennis Conver- Totaal En satie Commentaar G. De Muynck 25/40 30/40 14/20 69/100 L. De Wit 28/40 25/40 16/20 69/100 M. Teerlynck 26/40 24/40 11/20 61/100 F. Lambert 26/40 22/40 12/20 60/100 1.
  12. Op 6 november 1997 beslist de gemeenteraad bij geheime stemming verzoeker met ingang van 1 december 1997 te benoemen tot plaatselijke ontvanger. XII-1475-4/30 1.
  13. Nadat Linda De Wit bij hem een bezwaar heeft ingediend tegen de benoeming van verzoeker, beslist de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen op 21 januari 1998 het benoemingsbesluit van 6 november 1997 van de gemeenteraad van Tielt te schorsen. 1.
  14. Op 2 april 1998 beslist de gemeenteraad zijn besluit van 6 november 1997 te handhaven. 1.
  15. Nadat Linda De Wit ook bij hem een bezwaar heeft ingediend tegen de benoeming van verzoeker, beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting op 28 mei 1998 het besluit van 6 november 1997 van de gemeenteraad van Tielt houdende de benoeming van verzoeker tot plaatselijke ontvanger te vernietigen. Het vernietigingsbesluit steunt op de volgende overwegingen : “(...) Overwegende dat, naar de geest en de economie van de genoemde wet van 29juli 1991, aan de niet benoemde kandidaten een zodanig inzicht in de motieven van de handeling moet worden verschaft, dat zij in staat zijn terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de handeling te verweren met de middelen die het recht hun verschaft; dat het geheim karakter van de stemming, de lokale overheid niet ontslaat van de verplichting in zijn beslissingen de feitelijke overwegingen te vermelden; dat genoemde overwegingen slechts in stand kunnen blijven voor zover ze afdoende zijn, d.w.z. draagkrachtig en pertinent; dat de draagkracht moet worden getoetst aan de criteria 'begrijpelijkheid en aanvaardbaarheid' met het oog op het recht, op de feiten en op het beleid; Overwegende dat bij de vergelijking van de uitslagen van de kandidaten blijkt dat 3 kandidaten een betere score behalen dan de heer Frans Lambert; dat de heer Demuynck en mevrouw De Wit zelfs 9% meer behalen dan de heer Lambert; Overwegende dat de gemeenteraad van Tielt stelt dat het hier gaat om een gewoon aanwervingsexamen zodat de raad zich naast de examenuitslag bij de benoeming mag laten leiden door andere elementen welke zij belangrijk acht; dat uit de rechtspraak van de Raad van State (arrest Liebaut, nr. 59.098 van 17 april 1996) blijkt dat wanneer de overheid, in het raam van een benoeming of een bevordering, een niet-vergelijkend examen organiseert en een beduidend puntenverschil bestaat tussen de diverse kandidaten, dit aan de kandidaat met de hoogste score grotere aanspraken op benoeming geeft en het in beginsel deze kandidaat is die moet worden benoemd; dat de gemeenteraad evenwel een andere kandidaat kan benoemen indien : 1/ dit gebeurt op grond van objectieve en ernstige criteria ontleend aan het belang van de dienst; 2/ een vergelijking van de diverse kandidaten aan de hand van deze criteria de voorsprong van de door het examen best gekwalificeerde kandidaat teniet doet; 3/ de criteria worden opgenomen in de formele motivering van het besluit; XII-1475-5/30 Overwegende dat de gemeenteraad van Tielt de criteria 'continuïteit', 'ervaring' en 'betrokkenheid met het socio-culturele leven' aanhaalt als objectieve en ernstige criteria die verantwoorden dat aan de op het eerste zicht grotere aanspraken van de niet-benoemde kandidaten kan worden voorbijgegaan; Overwegende dat de gemeenteraad van Tielt in zijn handhavingsbesluit bevestigt dat de continuïteit van het ambt in het belang van de dienst het best gewaarborgd wordt door een kandidaat welke vertrouwd is met de dienst, het team, de werkomgeving en werkmethodes met inbegrip van het computersysteem; dat ondanks het feit dat de dringende behoefte voor vervanging evengoed door het tijdelijk aanstellen van een waarnemend ontvanger tot de definitieve indiensttreding van een vast titularis kan worden voldaan, het stadsbestuur toch opteert voor een snelle definitieve benoeming van de ontvanger; Overwegende dat het beginsel van de continuïteit niet kan worden ingeroepen om zich te onttrekken aan de in het algemeen belang op het bestuur rustende verplichting om de meest bekwame kandidaat voor een bepaalde functie te benoemen (R.v.St., Lens, nr. 37.538 van 27 augustus 1991); dat wanneer het bestuur de keuze heeft tussen twee kandidaten met gelijkwaardige kwalificaties -op grond van het criterium van de continuïteit- kan worden geopteerd voor de kandidaat die reeds vertrouwd is met de betrokken dienst (R.v.St., Van Damme, nr. 59.064 van 15 april 1996); dat in casu geen sprake is van gelijkwaardige kwalificaties; Overwegende dat het beginsel van de continuïteit hier niet afdoende is; dat artikel 53 van de nieuwe gemeentewet voorziet in de aanstelling van een waarnemend ontvanger met dezelfde bevoegdheden als een plaatselijk ontvanger; dat in casu het continuïteitsbeginsel door de gemeenteraad van Tielt wordt misbruikt om het oordeel van de examencommissie naast zich neer te leggen; Overwegende dat het handhavingsbesluit stelt dat de ervaring die de heer Lambert in de dienst ontvangerij heeft opgedaan als relevante ervaring kan worden bestempeld; dat hier dient opgemerkt dat het ervaring betreft als onderbureauchef en niet als ontvanger; dat bovendien deze 'ervaring' niet tot uitdrukking komt bij het examen waarin de betrokkene met 60% nipt geslaagd is; dat over de eventuele ervaring van de overige kandidaten nauwelijks iets gezegd wordt; dat het raadsbesluit van 6 november 1997 enkel vermeldt dat kandidaat De Wit 'geen ervaring heeft met de openbare dienst in het algemeen en de dienst ontvangerij in het bijzonder'; dat er niet onderzocht is of mevrouw De Wit geen andere ervaring bezit die nuttig zou kunnen zijn voor de uitoefening van de functie van stadsontvanger; Overwegende dat het raadsbesluit niet vermeldt dat de kandidaten Demuynck en Teerlynck respectievelijk reeds het ambt van ontvanger van het OCMW van Tielt en gewestelijk ontvanger uitoefenen; Overwegende dat door de gebrekkige vergelijking van de ervaring van de verschillende kandidaten het raadsbesluit van 6 november 1997 strijdig is met het gelijkheidsbeginsel; Overwegende dat in het raadsbesluit van 6 november 1997 de volgende bepaling voorkomt : 'Gezien de grote betrokkenheid van de heer Lambert met de Tieltse socio-culturele leven ontegensprekelijk een voordeel geef'; dat de omzendbrief BA-94/02 van 23 maart 1994 houdende aanvullende toelichtingen en aanbevelingen voor de provinciale en gemeentelijke overheden met betrekking tot de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, een bestuur, in casu de gemeenteraad, de mogelijkheid biedt om op grond van een gebrekkige motivering een geschorst XII-1475-6/30 besluit te rechtvaardigen, door alsnog (zij het 'post factum') de motieven of de bijkomende motieven aan te voeren die tot de besluitvorming hebben geleid; dat in het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 houdende benoeming van de heer Lambert tot stadsontvanger, enkel melding gemaakt wordt van de grote betrokkenheid van de heer Lambert met het socio-culturele leven in Tielt, zonder daarbij te vertellen uit wat die grote betrokkenheid bestaat; dat in het handhavingsbesluit derhalve een motivering wordt aangedragen, waarvan niet blijkt dat ze effectief mede tot de besluitvorming heeft geleid en die bijgevolg niet als bijkomend motief voor de besluitvorming kan worden aangevoerd; Overwegende dat zelfs indien de gemeenteraadsleden wisten dat de heer Lambert lid was van de in het handhavingsbesluit opgesomde verenigingen en van zijn vroegere engagementen in de geciteerde sportverenigingen, dan nog dergelijk argument slechts in aanmerking kon worden genomen bij een gelijke examenuitslag, hetgeen in casu niet het geval is; Overwegende dat bovendien het criterium van de grote betrokkenheid met het socio-culturele leven van Tielt, indien het pertinent wil zijn, steeds gelijk moet worden toegepast op alle geslaagde kandidaten; dat mevrouw De Wit als inwoonster van de naburige gemeente Wingene ook de behoeften en noden van de plaatselijke bevolking kan kennen; dat de verdiensten op dit vlak van de andere kandidaten door het gemeentebestuur van Tielt niet onderzocht werden, wat strijdig is met het gelijkheidsbeginsel; Overwegende dat de gemeenteraad van Tielt geen objectieve en ernstige redenen aanhaalt, ontleend aan het belang van de dienst, om voorbij te gaan aan de grotere aanspraken op benoeming die twee andere kandidaten aan hun beduidend betere uitslag in het niet-vergelijkend examen konden ontlenen; Overwegende dat het raadsbesluit van 6 november 1997 houdende benoeming van de heer Frans Lambert tot stadsontvanger van Tielt strijdig is met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, met het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en met het algemeen belang,”. 1.
  16. Op 4 maart 1999 beslist de gemeenteraad van Tielt bij geheime stemming Linda De Wit tot plaatselijke ontvanger te benoemen. Het benoemingsbesluit berust meer bepaald op de volgende overwegingen : “Gelet op het Ministerieel Besluit dd. 28 05 98 van de heer Minister van Binnenlandse Aangelegenheden houdende vernietiging van het raadsbesluit dd. 06 11 97 houdende benoeming van de heer Frans Lambert tot stadsontvanger; Gelet op de verzoekschriften dd. 26 06 98 van de heer Frans Lambert bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit dd. 28 05 98 van de heer Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en vernietiging van hetzelfde besluit; Gelet op het Arrest van de Raad van State nr. 77277 dd. 01 12 98 houdende verwerping van het verzoek tot schorsing ingediend door de heer Frans Lambert; Gelet op de brief dd. 14 01 99 van de heer Gouverneur van West-Vlaanderen waarin het stadsbestuur wordt verzocht te voldoen aan de verplichting opgelegd door artikel 53 van de Nieuwe Gemeentewet en over te gaan tot benoeming van een stadsontvanger; XII-1475-7/30 Gelet op de functiebeschrijving en het profiel van stadsontvanger; Gelet op het proces-verbaal dd. 27 10 97 van de examenjury m.b.t. de examenverrichtingen dd. 11 10 97 en 18 10 97, waaruit blijkt dat navolgende kandidaten zijn geslaagd in het niet-vergelijkbaar examen, aangezien zij 50% van de punten behaalden op elke proef en 60% op het totaal der proeven :
  17. Schrif-
  18. Schriftelijk
  19. Mondeling Totaal telijk Kennis Onderwerpen Synthese en bepaalde algemene aard commentaar vakken De Muynck 25/40 30/40 14/20 69/100 Geert De Wit 28/40 25/40 16/20 69/100 Linda Teerlynck 26/40 24/40 11/20 61/100 Marc Lambert Frans 26/40 22/40 12/20 60/100 Gezien aldus bovenstaande vier kandidaten in aanmerking komen voor benoeming; Gelet op het feit dat uit de examenuitslag twee groepen van kandidaten te onderscheiden zijn nl. diegenen met de hoogste en dezelfde examenuitslag nl. dhr. Geert De Muynck en mev. Linda De Wit, beiden met 69% enerzijds en dhr. Marc Teerlynck (61%) en dhr. Frans Lambert (60%) anderzijds; Aangezien uit de examenuitslag tussen de twee eerste geslaagden en de andere twee geslaagden een beduidend puntenverschil blijkt; Aangezien de twee best gerangschikte kandidaten aldus grotere aanspraken op benoeming kunnen laten gelden dan de laagst gerangschikte kandidaten; Gelet op het verder onderzoek van titels en verdiensten; Aangezien uit de individuele kandidatuurstellingen welke bij het dossier werden gevoegd blijkt dat : - de heer De Muynck Geert het diploma van licentiaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen Oriëntatie Financiering met onderscheiding heeft behaald, alsook het diploma van Master in Business Administration; dat de heer De Muynck als relevante beroepservaring zijn tewerkstelling als OCMW-boekhouder (1976-1979) en deze van OCMW-ontvanger (vanaf 1980) kan laten gelden; Gelet echter dat sedert de invoering van de Nieuwe Gemeentelijke Boekhouding de technische boekhouding tussen het gemeentebestuur en het OCMW verschilt; - mevrouw De Wit Linda het diploma van licentiaat in de Toegepaste Economische Wetenschappen Oriëntatie Financiering met grote onderscheiding heeft behaald; dat mevrouw De Wit bij diverse bedrijven relevante ervaring heeft opgedaan inzake boekhouding, balansanalyse, controle en audit; - de heer Frans Lambert het diploma van licentiaat in de Wiskunde met onderscheiding heeft behaald, alsmede het diploma van de Administratieve afdeling van de School voor Bestuursrecht van West-Vlaanderen met grote onderscheiding ; dat de beer Frans Lambert sedert 1984 werkzaam is bij het stadsbestuur te Tielt en vanaf 1992 in de dienst ontvangerij als onderbureauchef, belast met de inventarisatie en de invoering van de Nieuwe Gemeentelijke Boekhouding; XII-1475-8/30 - de heer Marc Teerlynck het diploma van licentiaat in de Handels- en Financiële wetenschappen met onderscheiding heeft behaald alsmede het diploma van Master of Public Administration; dat de heer Teerlynck werkzaam is als gewestelijk ontvanger voor gemeente- en OCMW-besturen; Gelet op het feit dat alle kandidaten vertrouwd zijn met informatica; Overwegende dat uit de objectieve vergelijking van de kandidaten op het vlak van opleiding en beroepservaring blijkt dat geen elementen aanwezig zijn om de klaarblijkelijke betere uitslag van de kandidaten De Muynck en De Wit voor het niet-vergelijkbaar examen terzijde te schuiven; Overwegende dat uit de vergelijking blijkt dat de kandidaten De Muynck en De Wit van gelijke kwaliteit zijn; Aangezien de benoemende overheid tussen beide kandidaten een keuze kan maken; Gezien de raadsleden zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van alle elementen welke betrekking hebben op de benoeming van een kandidaat tot één van de hoogste administratieve ambten van de stad”. Dit besluit maakt het voorwerp uit van het beroep tot nietig- verklaring in de zaak A. 83.515/XII-1999;
  20. De samenvoeging. Overwegende dat uit de hierboven vermelde feiten moet worden afgeleid dat de zaken A. 79.130/XII-1475 en A. 83.515/XII-1999 dermate verknocht zijn, dat het voor de goede rechtsbedeling passend is dat ze worden samengevoegd;
  21. De grond van de zaak A. 79.130/XII-
  22. 3.
  23. Overwegende dat verzoeker in een eerste van zijn vijf middelen de schending aanvoert van artikel 53, §2, van de nieuwe gemeentewet; dat hij daarbij betoogt dat krachtens dat artikel het uitsluitend aan de gemeenteraad toekomt om een plaatselijke ontvanger te benoemen, het tot de beleidsvrijheid van de gemeentelijke overheid behoort om met het oog op de aanwerving van een plaatselijke ontvanger een niet-vergelijkend aanwervingsexamen te organiseren en vervolgens een keuze te maken onder de geslaagde kandidaten, waarbij de gemeenteraad niet gebonden is door de examenresultaten van de geslaagde kandidaten en bij het bepalen van zijn keuze een groter belang kan hechten aan andere criteria dan de uitslag van het examen; dat verzoeker voorts laat gelden dat het bestreden vernietigingsbesluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, afbreuk doet aan deze bevoegdheid van de gemeenteraad, vermits het de gemeenteraad dwingt de eerst XII-1475-9/30 gerangschikte kandidaat te benoemen en zodoende het niet-vergelijkend examen omvormt tot een vergelijkend examen, dat aldus de minister in de plaats treedt van de gemeente en daardoor de marginale toetsingsbevoegdheid overschrijdt die hem te dezen is toegewezen; dat hij in zijn memorie van wederantwoord nog stelt dat hij niet betwist dat de eerste verwerende partij het administratief toezicht vermag uit te oefenen op de beslissingen van de gemeentelijke overheid, maar dat hij in de onderhavige zaak moet vaststellen dat de eerste verwerende partij haar marginaal toetsingsrecht als toezichthoudende overheid ver te buiten is gegaan door in de plaats van de gemeentelijke overheid de kandidaten te beoordelen en te bepalen wie van hen ontvanger wordt; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie “aan de vijf middelen” nog de volgende argumentatie toevoegt : “De heer Minister acht blijkbaar het examensysteem van niet vergelijkend examen onbillijk. Indien de Minister dit systeem onbillijk achtte dan diende hij de gemeenteraadsbeslissing waarbij de benoemingsvoorwaarden werden vastgelegd, te vernietigen voordat er een examen werd georganiseerd. Het gaat niet op een zogenaamd onbillijk examensysteem van benoeming zonder de rangschikking in acht te nemen post factum te gaan rechttrekken door een vernietiging uit te spreken van de benoeming. Het gaat niet op de benoemingsvoorwaarden post factum te gaan wijzigen van een niet vergelijkend examen in een tussensoort namelijk een niet vergelijkend examen waarbij toch de rangschikking in zekere mate in acht genomen wordt. Indien de Minister het systeem van niet vergelijkend examen onbillijk acht dan dient hij een ontwerp van decreet in te dienen om een dergelijk examensysteem wettelijk te verbieden. Zolang dit niet gebeurd is, en dit examensysteem in de benoemingsvoorwaarden is opgenomen, kan er achteraf niet aan getornd worden middels een vernietigingsbeslissing”; Overwegende dat in het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 de Raad van State het middel niet ernstig bevonden heeft op grond van de volgende overweging : “3.
  24. Overwegende dat de verwerende partij met het bestreden besluit de bevoegdheid heeft gebruikt die het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten haar heeft toegekend om beslissingen van gemeentelijke overheden die de wet schenden of het algemeen belang schaden te vernietigen; dat zij zich op het standpunt heeft geplaatst dat uit het besluit houdende de benoeming van verzoeker niet blijkt dat er op grond van de objectieve vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten, gesteund op criteria die verband houden met het belang van de dienst, een reden was om voorbij te gaan aan de beduidend betere examenresultaten van de twee eerstgerangschikte kandidaten; dat dusdoende de minister geenszins in de plaats van het bestuur een keuze XII-1475-10/30 maakt onder de kandidaten, dat hij het bestuur ook niet dwingt een bepaalde kandidaat te benoemen en dat hij aan het examen geen ander karakter geeft, maar dat hij een binnen zijn bevoegdheid liggend rechtsgevolg verbindt aan de miskenning door de gemeenteraad van de in het gelijkheidsbeginsel besloten verplichting om de kandidaten voor een betrekking gelijk te behandelen en om aldus eerst hun verdiensten met betrekking tot de gestelde criteria onderling te vergelijken en vervolgens de benoeming van een kandidaat die in de uitslag van het specifiek voor de te verrichten benoeming georganiseerde examen een beduidend slechter resultaat heeft bekomen te steunen op pertinente criteria die verband houden met het belang van de dienst, waaraan de titels en de verdiensten van alle kandidaten getoetst zijn en die het besluit wettigen dat er deugdelijke redenen bestaan om aan de initieel grotere aanspraken van de best gerangschikte kandidaat voorbij te gaan; dat de beleidsvrijheid van de gemeentelijke overheden begrensd wordt door de uitoefening, door de toezichthoudende overheid, van haar wettelijke opdrachten; dat voor het innemen van een standpunt over de vraag of de gemeenteraad de wet geschonden heeft of het algemeen belang, zoals dat begrepen is in artikel 30, §§ 4 en 5, van het decreet van 28 april 1993, miskend heeft, de toezichthoudende overheid niet slechts over een marginaal toetsingsrecht beschikt; dat met het bestreden besluit de verwerende partij de keuzevrijheid van de gemeenteraad niet beperkt heeft maar dat zij er alleen op gewezen heeft dat die keuzevrijheid uitgeoefend moet worden binnen de grenzen van de wet en van het algemeen belang zoals zij daar op een niet kennelijk onredelijke wijze in de bestreden beslissing inhoud aan gegeven heeft;” dat hetgeen verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en laatste memorie nog aanvoert, aan de aangehaalde overwegingen van het arrest over de vordering tot schorsing geen afbreuk doet; dat om de aangehaalde overwegingen het eerste middel thans ongegrond moet worden bevonden; 3.
  25. Overwegende dat in een tweede middel “schending van het beginsel van behoorlijk bestuur namelijk de rechtszekerheidsnorm” wordt aangevoerd; dat volgens verzoeker het bestreden vernietigingsbesluit immers de “rechtszekerheidsnorm” schendt doordat het aan de kandidaten na het examen een bijkomende benoemingsvoorwaarde oplegt waarin aanvankelijk niet was voorzien, dat, om in aanmerking te komen voor een benoeming het namelijk niet langer volstaat dat de kandidaten slagen voor het examen, dat zij bovendien het beste examen- resultaat moeten hebben behaald, dat aldus wordt voorbij gegaan aan het “recht” dat verzoeker als geslaagde heeft op een benoeming, ook al is hij niet “de eerste” van het examen; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voorts nog betwist dat hij een recht op benoeming zou inroepen maar wel laat gelden dat hij als kandidaat voor een benoeming tot ontvanger ervan mocht uitgaan dat hij, indien hij zou slagen voor het niet-vergelijkend examen, op gelijke wijze als de andere kandidaten in aanmerking zou komen voor een benoeming, ongeacht zijn concreet examenresultaat; XII-1475-11/30 Overwegende dat in het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 de Raad van State het middel niet ernstig heeft bevonden op grond van de volgende overwegingen : “4.4.
  26. Overwegende dat een kandidaat voor een overheidsbetrekking uit het feit dat hij geslaagd is in een examen geen echt recht -in de zin dat het bestuur de absolute verplichting heeft om hem te benoemen- kan putten om benoemd te worden; dat het wel zo is dat in beginsel alle geslaagden in een niet-vergelijkend examen in aanmerking komen voor de benoeming; dat evenwel de keuzevrijheid van het bestuur uitgeoefend moet worden met inachtneming van de door artikel 33 en artikel 10 van de Grondwet in hoofde van het bestuur gevestigde rechtsverplichtingen om de meest bekwame kandidaat te kiezen en om bij die keuze de titels en de verdiensten van de kandidaten te toetsen aan de objectieve en pertinente criteria die het bestuur zich met het oog op het begeven van de functie heeft opgelegd; dat bij die toetsing het bestuur rekening moet houden met grotere aanspraken waarop kandidaten met verwijzing naar bepaalde objectieve criteria zich kunnen beroepen, zoals hun beduidend betere uitslag in het voor het begeven van die betrekking ingerichte examen, in welk geval die grotere aanspraken slechts terzijde kunnen gelaten worden wanneer uit een objectieve vergelijking van de kandidaturen ten aanzien van andere pertinente criteria blijkt dat een kandidaat met een beduidend minder gunstige examenuitslag toch betere kwaliteiten bezit die toelaten zijn merkbare achterstand in de examenuitslag over het hoofd te zien en, meer nog, de kandidaten die een merkbaar betere examenuitslag hebben behaald te passeren; 4.4.
  27. Overwegende dat bij de bespreking van het eerste middel uiteengezet is waarom de verwerende partij in het kader van de uitoefening van haar vernietigingstoezicht van oordeel kon zijn dat de gemeenteraad de grenzen van zijn beleidsvrijheid overschreden had; dat zodoende de verwerende partij helemaal geen bijkomende benoemingsvoorwaarde ingesteld heeft, dat zij enkel de grenzen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteraad, getekend door de artikelen 10 en 33 van de grondwet, geconcretiseerd heeft;” Overwegende dat omwille van de aangehaalde overwegingen het tweede middel thans ongegrond moet worden bevonden; 3.
  28. Overwegende dat verzoeker een derde middel afleidt uit “schending van het beginsel 'patere legem quam ipse fecisti'”; dat hij daarbij betoogt dat de administratieve overheden bij het nemen van individuele maatregelen gebonden zijn door hun reglementen, dat de minister aldus gebonden is door het besluit van 6 maart 1997 van de gemeenteraad van Tielt waarbij, met het oog op de aanwerving van een plaatselijke ontvanger, de organisatie van een niet-vergelijkend examen wordt vooropgesteld en dat de minister “door te eisen dat de eerste kandidaat gekozen wordt” afwijkt van het oorspronkelijke reglement, wat hij ingevolge het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” niet mag doen; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat de minister het gemeenteraadsbesluit XII-1475-12/30 van 6 maart 1997 naast zich heeft neergelegd, doordat hij “post factum” een voorwaarde waarin aanvankelijk niet was voorzien, namelijk “goed gerangschikt zijn als geslaagde”, aan het examenreglement heeft toegevoegd; Overwegende dat in het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 de Raad van State het middel niet ernstig heeft bevonden op grond van de volgende overweging : “5.
  29. Overwegende dat [...] de redenering van verzoeker [...] niet opgaat, met name omdat, zoals dat ook reeds bij de bespreking van de eerste twee middelen aan bod is gekomen, het bestreden besluit er niet van uitgegaan is dat de gemeenteraad bij het maken van zijn keuze gebonden was door het resultaat van het examen maar dat het wel aan de gemeenteraad verwijt bij het maken van zijn keuze geen rekening gehouden te hebben met het feit dat een beduidend betere examenuitslag een zichtbaar gegeven is dat aan de betrokkene grotere aanspraken op de benoeming verleent; dat het maken van zulk een verwijt kadert in de uitoefening van het administratief toezicht en geen verscherpte benoemingsvoorwaarde instelt;” dat omwille van dezelfde overwegingen te dezen het derde middel niet gegrond wordt bevonden; 3.
  30. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel betoogt dat het bestreden vernietigingsbesluit de motiveringsplicht schendt en verwijst naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en naar het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en de instellingen van de Vlaamse regering; dat hij van oordeel is dat de motieven die in het bestreden besluit zijn vermeld ter verantwoording van de vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 betreffende zijn benoeming tot plaatselijke ontvanger onjuist, niet pertinent en niet draagkrachtig zijn; dat verzoeker aldus in wezen de materiële motivering van het bestreden besluit ondeugdelijk vindt en wel als volgt :
  31. Vooreerst laat verzoeker gelden dat het vernietigingsbesluit ten onrechte ervan uitgaat dat tussen de twee eerst gerangschikte kandidaten van het examen en verzoeker een beduidend puntenverschil zou bestaan. Hij wijst erop dat hij uiteindelijk toch de vierde was van de tien kandidaten die aan het examen hebben deelgenomen en dat, wanneer men de examenresultaten meer in detail bekijkt per proef of onderdeel van een proef, het verschil in punten onmogelijk beduidend kan worden genoemd. Indien het puntenverschil onbeduidend is, dan dient XII-1475-13/30 volgens verzoeker niet te worden ingegaan op de criteria continuïteit, ervaring en betrokkenheid bij het socio-culturele leven.
  32. Vervolgens stelt verzoeker “ten overvloede” het standpunt in vraag dat de minister in zijn vernietigingsbesluit met betrekking tot de drie voornoemde criteria, die de gemeenteraad ertoe hebben gebracht verzoeker tot plaatselijke ontvanger te benoemen, heeft verwoord. Wat het criterium van de continuïteit betreft stelt verzoeker in hoofdzaak dat de gemeenteraad niet beoogde de voorkeur te geven aan een kandidaat die onmiddellijk moest kunnen worden benoemd gelet op de oppensioenstelling van de vroegere ontvanger op 1 december 1997, maar wel aan een kandidaat die vertrouwd was met de ontvangerij en onmiddellijk zonder inwerking, aanpassing of overgang de taak van ontvanger kon vervullen. Verzoeker was de enige kandidaat die aan dat criterium beantwoordde. Voorts behoort het volgens verzoeker tot de beoordelingsvrijheid van de gemeentelijke overheid om de noodzaak van een spoedige vervanging van de gepensioneerde ontvanger op te vangen door een definitieve benoeming dan wel door de aanstelling van een waarnemend ontvanger. Met betrekking tot het criterium van de ervaring argumenteert verzoeker dat de gemeenteraad zich heeft laten leiden door de ervaring die hij, in tegenstelling tot de andere geslaagde kandidaten, reeds had verworven in de ontvangerij van Tielt. Dat die ervaring niet werd opgedaan in de functie van ontvanger, zoals de minister opwerpt, doet niet ter zake omdat men geen ontvanger hoeft geweest te zijn om de ervaring op te doen die een ontvanger nodig heeft. Verzoeker relativeert verder dat zijn surplus aan ervaring niet tot uiting is gekomen in de uitslag van het examen. Hij merkt op dat hij geslaagd is dankzij zijn ervaring, dat ervaring méér inhoudt dan alleen maar theoretische bagage, dat een examen slechts een momentopname is en dat zijn resultaten tenslotte niet beduidend lager liggen dan die van de andere kandidaten. Verzoeker houdt voor dat het niet hoeft te verwonderen dat het vernietigde gemeenteraadsbesluit nauwelijks gewag maakte van de ervaring van de andere kandidaten. Het moest daar geen melding van maken omdat verzoeker de enige kandidaat was met “langdurige en intense ervaring” in de ontvangerij van Tielt. Inzake het criterium betreffende de betrokkenheid bij het socio-culturele leven in de stad Tielt betwist verzoeker ten stelligste het standpunt van de minister dat in het handhavingsbesluit motieven dienaangaande worden aangedragen waarvan niet blijkt dat ze op het ogenblik van de besluitvorming effectief mede tot het XII-1475-14/30 benoemingsbesluit hebben geleid. De gemeenteraadsleden waren van meet af aan op de hoogte van zijn “socio-culturele betrokkenheid” en hadden daarbij zijn concreet lidmaatschap van diverse verenigingen voor ogen. Volgens verzoeker gaat de minister ten onrechte ervan uit dat het criterium van het socio-culturele engagement en van het lidmaatschap van plaatselijke verenigingen slechts relevantie kan hebben in het geval meerdere kandidaten een gelijke examenuitslag hebben behaald. Verzoeker houdt voor dat de toepassing van het criterium ook ertoe kan leiden dat de voorsprong die andere kandidaten putten uit de examenresultaten, ongedaan wordt gemaakt. Verzoeker beweert dat de minister in het vernietigingsbesluit laat gelden dat de tussenkomende partij de behoeften en noden van de gemeente Wingene kent, maar verzoeker is van oordeel dat haar dat in geen enkel opzicht tot nut zou strekken als ontvanger van Tielt. Het was bovendien een gekend gegeven dat de overige geslaagde kandidaten buiten Tielt woonden en niet deelnamen aan het socio-culturele leven in Tielt. Daarvan moest in het benoemingsbesluit dan ook niet expliciet melding worden gemaakt.
  33. Ten slotte verwerpt verzoeker de vernietigingsgronden die door het bestreden besluit worden ingeroepen om tot de vernietiging van het benoemingsbesluit over te gaan. Verzoeker werpt dienaangaande vooreerst op dat het bestreden besluit weliswaar een schending vaststelt van de wet, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het algemeen belang, maar in zijn overwegingen alleen maar verduidelijkt waarom het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Voorts argumenteert verzoeker “ten overvloede” dat de aangevoerde schendingen van beginselen van behoorlijk bestuur “noch in rechte, noch in feite aanvaardbaar” zijn. Verzoeker betoogt dat het vernietigde gemeenteraadsbesluit wel degelijk uitdrukkelijk is gemotiveerd. De motieven van het benoemingsbesluit zijn pertinent en “verantwoorden de beslissing”. Het benoemingsbesluit is, volgens verzoeker, op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen, wijl de belangen van de betrokken kandidaten niet onnodig werden geschaad. Die belangen konden overigens niet worden geschaad, vermits alle kandidaten van meet af aan wisten dat ze aan een niet-vergelijkend examen deelnamen en dat bijgevolg niet noodzakelijk de eerste van het examen zou worden benoemd. XII-1475-15/30 Door de voorkeur te geven aan een kandidaat die reeds werkzaam is bij de dienst waar de betrekking te begeven is, heeft de gemeenteraad een beslissing genomen die binnen de grenzen blijft van de redelijkheid. De minister heeft in het bestreden besluit de inhoud van de beleidsbeslissing van de gemeenteraad beoordeeld in de plaats van de wijze waarop de gemeenteraad zijn beleidsvrijheid heeft uitgeoefend. De minister is aldus zijn marginale toetsingsbevoegdheid te buiten gegaan. Volgens verzoeker heeft de minister ten onrechte geoordeeld dat het benoemingsbesluit het gelijkheidsbeginsel schendt doordat het de ervaring van de kandidaten op een gebrekkige wijze heeft vergeleken. Verzoeker was de enige kandidaat die ervaring had in de ontvangerij van Tielt. Van de andere kandidaten was geweten dat ze die ervaring niet hadden, bijgevolg diende er ook geen melding van gemaakt. Verder wijst verzoeker erop dat de minister ten onrechte voorhoudt dat het criterium van de socio-culturele betrokkenheid bij het gemeenschapsleven in de gemeente Tielt niet is toegepast op kandidate De Wit. Deze kandidate is echter slechts betrokken bij het socio-culturele en verenigingsleven in de gemeente Wingene, wat niet relevant is voor de te begeven betrekking in de gemeente Tielt. Verzoeker betwist ten slotte dat het vernietigde benoemingsbesluit het algemeen belang zou schenden. De gemeentelijke overheid heeft volgens hem van de wetgever de vrijheid gekregen om zelf te beoordelen op welke wijze het algemeen belang het best wordt gediend; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat het criterium van “een beduidend verschil in punten” vaag is, herhaalt dat het verschil in punten tussen hem en de tussenkomende partij niet zo “beduidend” is wanneer de punten worden bekeken per onderdeel van het examen en dat bovendien verzoeker tot de vier geslaagde kandidaten behoorde, terwijl er zes niet geslaagd waren; dat hij met betrekking tot het criterium van de continuïteit beklemtoont dat daarmee niet wordt bedoeld dat de gemeenteraad niet kan wachten met de benoeming van een nieuwe ontvanger, maar wel dat hij de voorkeur geeft aan een kandidaat die vertrouwd is met de dienst van de ontvangerij, dat verzoeker sinds 1992 in dienst is en onderbureauchef was onder leiding van de stadsontvanger, dat hij vertrouwd is met de informatica, de collega's, de gemeentelijke overheid, dat hij zonder inwerking, aanpassing of overgang de taak van ontvanger zou kunnen vervullen; dat, wat het criterium van de ervaring betreft, verzoeker stelt dat het XII-1475-16/30 wezenlijk is dat die ervaring in de ontvangerij van Tielt is opgedaan, dat alleen hijzelf dergelijke ervaring heeft, dat, in tegenstelling tot wat de minister voorhoudt, de gemeenteraad bovendien de curricula van alle kandidaten heeft onderzocht en beoordeeld, dat het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 uitdrukkelijk vermeldt dat de individuele kandidaatstellingen bij het dossier werden gevoegd, dat de ervaring die de andere kandidaten elders hebben opgedaan niet opweegt tegen de ervaring van verzoeker in de ontvangerij van Tielt; dat verzoeker er nog aan toevoegt dat de gemeenteraad nooit de tewerkstelling bij het gemeentebestuur van Tielt als uitsluitingscriterium heeft gehanteerd, maar wel als “een pluspunt” dat bij de afweging van de titels en de verdiensten van de kandidaten in aanmerking kan worden genomen; dat met betrekking tot het criterium van de betrokkenheid bij het socio-culturele leven, verzoeker laat gelden dat het wel degelijk een pertinent criterium is, dat het niet voor het eerst in het handhavingsbesluit van 2 april 1998, maar reeds in het benoemingsbesluit van 6 november 1997 werd aangevoerd, dat de gemeenteraadsleden dankzij de curricula van de kandidaten wisten dat de andere kandidaten niet in Tielt woonden en dus “per definitie” niet betrokken waren bij het socio-culturele leven in Tielt en dat de tussenkomende partij zelf in een vraaggesprek met de krant heeft verklaard dat zij tot nu toe niet veel affiniteit met de stad Tielt heeft gehad; dat verzoeker ten slotte betwist dat in het bestreden vernietigingsbesluit zou zijn uitgelegd hoe het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel zouden zijn geschonden; dat het volgens hem overigens volstrekt onjuist is dat de gemeenteraad de criteria niet zorgvuldig zou hebben afgewogen en een in redelijkheid onaanvaardbare beslissing zou hebben genomen; Overwegende dat in het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 de Raad van State het middel niet ernstig heeft bevonden op grond van de volgende overwegingen : “6.4.
  34. Overwegende dat sub 4.4.
  35. uiteengezet is binnen welke grenzen een bestuur zijn discretionaire bevoegdheid op het vlak van het begeven van betrekkingen kan uitoefenen; dat aldus in de eerste plaats de vraag rijst of de examenuitslag de verwerende partij toeliet te stellen dat verzoeker beduidend slechtere resultaten had behaald dan andere kandidaten; Overwegende dat in de huidige stand van het geding de Raad van State de door de verwerende partij gemaakte beoordeling bijvalt; dat immers een verschil van 9% met de twee gunstigst gerangschikte kandidaten niet onbeduidend kan genoemd worden; dat het niet opgaat, zoals verzoeker doet, in een examen dat specifiek wordt ingericht voor het begeven van een bepaalde betrekking en dat aldus in zijn globaliteit erop gericht is de geschiktheid van de kandidaten te onderzoeken, de globale examenuitslag te minimaliseren en groter belang te hechten aan de uitslag die voor bepaalde onderdelen behaald zijn; dat het ook XII-1475-17/30 totaal irrelevant is te verwijzen naar de rangschikking van de kandidaten volgens de behaalde resultaten en de vierde plaats van verzoeker daarin omdat alle na hem gerangschikte kandidaten niet het vereiste minimum behaalden en omdat het hoe dan ook voor de hier onderzochte aangelegenheid niet van belang is hoeveel punten verzoeker behaald heeft, maar wel of niet andere kandidaten een betere score hebben behaald en hoeveel beter die score was; Overwegende derhalve dat de verwerende partij er terecht van uitgegaan is -minstens dat zij dan niet kennelijk onredelijk gehandeld heeft- dat, vergeleken met verzoeker, twee kandidaten een beduidend betere uitslag hadden behaald in het bekwaamheidsexamen en dat zij daaruit zichtbaar grotere aanspraken op de benoeming putten; 6.4.
  36. Overwegende dat dan de vraag rijst of de verwerende partij reden had om de door de gemeenteraad aangevoerde elementen om toch aan verzoeker de voorkeur te geven naast zich neer te leggen; Overwegende dat de gemeenteraad zich beroepen heeft op het element 'continuïteit’ en daarbij twee aspecten in overweging genomen heeft, enerzijds het feit dat, vergeleken met de twee best gerangschikte kandidaten, alleen verzoeker onmiddellijk in dienst kon treden en anderzijds het feit dat verzoeker vertrouwd is met het werk op de ontvangerij zodat een ‘vlotte overgang’ mogelijk is; dat evenwel het eerstgenoemde argument een louter feitelijke overweging betreft die volledig los staat van de vraag naar de geschiktheid van de kandidaten en die trouwens ondervangen kan worden door de aanwijzing van een waarnemend ontvanger; dat, wat het tweede argument betreft, het zoeken van een voordeel op korte termijn -met name de ‘vlotte overgang’- geen objectief gegeven vormt om een kandidaat met objectief bezien -want uit het examenresultaat blijkende- betere aanspraken definitief terzijde te schuiven; dat trouwens de gemeenteraad zelf, op het ogenblik dat hij besliste de betrekking van ontvanger bij aanwerving te laten begeven, het risico ingebouwd heeft dat personen vreemd aan het bestuur zouden meedingen naar de benoeming en dat de nieuw benoemde ontvanger aldus een zekere inrijtijd nodig zou hebben; dat in die omstandigheden de verwerende partij terecht heeft kunnen wijzen op de primauteit van de betere examenresultaten en op de mogelijkheid dat tijdelijke problemen opgelost kunnen worden met de aanstelling van een waarnemend ontvanger; Overwegende dat de gemeenteraad zich beroepen heeft op het element 'ervaring’ en dat hij verzoeker in dat verband vergeleken heeft met de tussenkomende partij wier gebrek aan ervaring als ontvanger en, ruimer zelfs, in de openbare dienst in het licht wordt gesteld; dat de minister terecht gewezen heeft op de gebrekkige vergelijking van ‘de ervaring’ van de verschillende kandidaten; dat inderdaad verzoeker geen ervaring als ontvanger bezit -hij heeft slechts als onderbureauchef op de ontvangerij gewerkt-, dat zijn ‘ervaring’ hem in ieder geval geen overwicht heeft bezorgd in de uitslag van het examen, en dat de gemeenteraad bij de vergelijking van de ervaring veeleer selectief tewerk gegaan lijkt te zijn aangezien hij geen acht geslagen heeft op de ervaring als ontvanger van twee beter gerangschikte laureaten en aangezien hij ook niet de minste aandacht besteed heeft aan de vraag of de tussenkomende partij toch geen ervaring zou bezitten die nuttig zou kunnen zijn voor het ambt van ontvanger; Overwegende dat de gemeenteraad zich beroepen heeft op het element ‘betrokkenheid bij het socio-culturele leven (in de gemeente)’ hetgeen hem als ‘een pluspunt’ en vervolgens in het handhavingsbesluit, tezamen met de opsomming van zijn verschillende lidmaatschappen, als een ‘ontegensprekelijk voordeel’ toegerekend is wegens de voordelen die persoonlijke contacten met de bevolking hebben, ook voor een gemeenteontvanger; dat bij die beoordeling XII-1475-18/30 van verzoeker de kwaliteiten van de andere kandidaten op datzelfde vlak op geen enkele wijze aan de orde zijn gesteld; dat die kandidaten er blijkbaar ook niet spontaan uitleg hebben bij gegeven, bijvoorbeeld in hun kandidaatstelling, en dat het gemeentebestuur er ook niet naar gevraagd heeft; dat aldus, daargelaten de vraag of het element in gevallen als het onderhavige als een pertinent criterium in aanmerking kan genomen worden -de gemeenteraad beoogde immers door de organisatie van een aanwervingsexamen een zo ruim mogelijke werving; het is niet meteen duidelijk welk voordeel het voor de gemeente kan zijn dat haar ontvanger bekend is met de concrete toestanden waarin de burgers verkeren; het profiel van de functie gaat aan die betrokkenheid volledig voorbij; niets belet dat op korte termijn ook anderen blijk geven van voldoende kennis om de burgers met de nodige soepelheid tegemoet te treden- het bewijs niet voorligt dat de verschillende kandidaten op dit onderscheidingscriterium vergeleken zijn kunnen worden of, zoals de minister in de bestreden beslissing heeft gesteld, dat het criterium niet gelijk op alle kandidaten is toegepast; 6.4.
  37. Overwegende dat uit een en ander volgt dat de verwerende partij terecht heeft kunnen besluiten dat voor de benoeming van verzoeker de gemeenteraad over onvoldoende gegevens beschikte om, in weerwil van de uitslag van het examen, vast te stellen dat verzoeker in andere objectieve en ter zake nuttige beoordelingscriteria die ook tot een concrete vergelijking hebben geleid, zoveel beter scoorde dat de grotere aanspraken van de twee kandidaten die merkelijk beter scoorden in het examen opzij konden gezet worden; dat de verwerende partij terecht heeft geoordeeld dat de benoeming van verzoeker het gelijkheidsbeginsel, en, zoals de Raad van State in het arrest LENS, nr. 37.538 van 27 augustus 1991 heeft gesteld, de daaraan ondergeschikte beginselen van behoorlijk bestuur en het motiveringsbeginsel, miskent;” dat omwille van deze overwegingen het vierde middel thans niet gegrond wordt bevonden, aangezien verzoekers argumenten aangebracht in zijn memorie van wederantwoord geen afbreuk vermogen te doen aan de voormelde overwegingen; 3.
  38. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de “schending van artikel 30 §4 en 5 van het decreet van 28 april 1993 houdende regeling voor het Vlaamse Gewest van het administratief toezicht op de gemeenten” inroept, erop wijzende dat de Vlaamse regering enkel een besluit kan vernietigen waarbij een gemeentelijke overheid de wet schendt of het algemeen belang schaadt, dat het algemeen belang geschaad wordt door besluiten die een schending inhouden van de beginselen van behoorlijk en goed bestuur, van het algemeen beleid of van het belang van de hogere overheid, dat in de onderhavige zaak de minister een gemeenteraadsbesluit vernietigd heeft dat geenszins strijdig is met het algemeen belang, dat de minister zich bij de uitoefening van zijn administratief toezicht op de benoeming van een plaatselijke ontvanger in de plaats heeft gesteld van de gemeentelijke overheid, zodat hij de bevoegdheid die hem is toegewezen bij het decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse gewest, van het XII-1475-19/30 administratief toezicht op de gemeenten, heeft overschreden; dat hij zich in zijn memorie van wederantwoord ertoe beperkt te volharden in het middel; Overwegende dat in het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 de Raad van State het middel niet ernstig heeft bevonden op grond van de volgende overweging : “7.
  39. Overwegende dat hoger is uiteengezet waarom de gemeenteraad met de benoeming van verzoeker het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en de daarmee verband houdende maar eraan ondergeschikte -en dus in besloten- beginselen van behoorlijk bestuur en het motiveringsbeginsel geschonden heeft; dat de minister in het kader van zijn algemene toezichtsbevoegdheid nagegaan heeft of de door de gemeenteraad gedane beoordeling overeenstemt met de bepalingen van de wet, te dezen de grondwet, zoals hij dit toegepast wil zien; dat de opstelling die de minister op dat vlak gehanteerd heeft niet kennelijk onredelijk is”; dat op grond van deze overweging het vijfde middel thans ongegrond moet worden bevonden; dat aldus geen van de middelen in de zaak gegrond is;
  40. De grond van de zaak A. 83.515/XII-
  41. 4.
  42. Overwegende dat verzoeker als eerste van zijn vier middelen “schending van de gemeenteraadsbeslissing van 6 november 1997” inroept; dat hij daarbij betoogt dat hij bij gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 werd benoemd tot plaatselijke ontvanger en dat dat besluit terug rechtsgeldig zal zijn zodra de Raad van State de vernietiging ervan bij besluit van 28 mei 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting zal hebben nietigverklaard; dat verzoeker daarbij nog verwijst naar het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” krachtens hetwelk “administratieve overheden [...] door hun eigen beslissingen gebonden [zijn]” en betoogt dat hij uit het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 dit recht put om als gemeenteontvanger benoemd te zijn en te blijven en dat dit recht wordt geschonden door het bestreden gemeenteraadsbesluit van 4 maart 1999 waarbij de tussenkomende partij tot plaatselijke ontvanger wordt benoemd; Overwegende dat, hiervoor, bij de bespreking van de zaak A. 79.130 is gebleken dat, naar het oordeel van de Raad van State, verzoeker geen enkel gegrond middel aanvoert tegen het besluit van 28 mei 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en XII-1475-20/30 Huisvesting, waarbij het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 houdende de benoeming van verzoeker tot plaatselijke ontvanger werd vernietigd; dat aldus de vernietiging van verzoekers benoeming door de gemeenteraad van 6 november 1997 definitief is en hij uit dat gemeenteraadsbesluit geen enkel recht meer kan putten; dat het eerste middel, dat juist gesteund is op de onwettigheid van het vernietigingsbesluit van 28 mei 1998, niet gegrond is; 4.
  43. Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit “schending van de gemeenteraadsbeslissing van 6 maart 1997 waarbij de functie van stadsontvanger wordt openverklaard bij aanwerving en vaststelling van de voorwaarden”; dat hij daarbij doet gelden dat de verwerende partij krachtens het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” gebonden is door het gemeenteraadsbesluit van 6 maart 1997 waarbij als aanwervingsvoorwaarde voor een benoeming tot plaatselijke ontvanger onder meer werd gesteld dat de kandidaten dienden te slagen voor een gewoon niet-vergelijkend examen, dat, doordat het bestreden besluit houdende de benoeming van de tussenkomende partij tot plaatselijke ontvanger “[eist] dat de tweede kandidaat gekozen wordt”, het afwijkt van het oorspronkelijke reglement waarin “duidelijk vooraf [was] bepaald dat er naar de plaats van de geslaagden niet zou gekeken worden”; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daar nog aan toevoegt dat, indien de examenresultaten van de kandidaten in aanmerking worden genomen, er geen sprake meer is van een niet-vergelijkend examen, maar wel van “een soort vergelijkend examen”, dat aldus eigenlijk een derde categorie van examens in het leven wordt geroepen, namelijk “het examen van 'de beter geslaagden' binnen de groep geslaagden”, dat in een dergelijk examen door het examenreglement echter niet was voorzien; dat verzoeker er nog op wijst dat waar de verwerende partij aanvoert dat de kandidaat met het grootste aantal punten heeft aangetoond over de beste kwaliteiten te beschikken, zij het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 tegenspreekt waarin werd overwogen dat een examen slechts een momentopname is en dat de raad zich bij een benoeming mag laten leiden door andere elementen die hij belangrijk acht; dat verzoeker ten slotte laat gelden dat de verwerende partij niet consequent haar eigen principes toepast, vermits zij anders Geert De Muynck, die het beste resultaat behaalde voor de kennisvakken, had moeten benoemen; dat verzoeker deze argumenten in zijn laatste memorie nogmaals herhaalt en concludeert dat “de rangschikking wel degelijk als criterium gehanteerd [wordt] tegen de benoemingsvoorwaarden in”; XII-1475-21/30 Overwegende dat uit het bestreden benoemingsbesluit geenszins blijkt dat de gemeenteraad bij het bepalen van zijn keuze onder de geslaagde kandidaten van het aanwervingsexamen, zich gebonden acht door de rangschikking van de kandidaten op grond van de punten die zij op het examen hebben behaald; dat de gemeenteraad thans terecht ervan uitgaat dat de eerste twee gerangschikte kandidaten van het examen beduidend meer punten hebben behaald dan de laatste twee gerangschikte, waaronder verzoeker, en dat zij daaruit grotere aanspraken op een benoeming kunnen putten, waaraan slechts voorbij kan worden gegaan wanneer uit een objectieve en zorgvuldige vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten op grond van pertinente criteria, namelijk criteria die verband houden met het belang van de dienst, blijkt dat er deugdelijke redenen zijn om de voorkeur te geven aan een kandidaat met een minder goede uitslag op het examen; dat de gemeenteraad in het bestreden benoemingsbesluit heeft vastgesteld dat een objectieve vergelijking van de titels en de verdiensten van de geslaagde kandidaten geen gegevens oplevert die de klaarblijkelijk betere uitslag van de eerste twee gerangschikte kandidaten teniet doen; dat aldus geen afbreuk wordt gedaan aan het niet-vergelijkend karakter van het aanwervingsexamen, zoals het was vastgesteld bij het gemeenteraadsbesluit van 6 maart 1997; dat het tweede middel niet gegrond is; 4.
  44. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de “schending van het beginsel van behoorlijk bestuur namelijk de rechtszekerheidsnorm” aanvoert, en daarbij in een eerste onderdeel doet gelden dat de “rechtszekerheidsnorm” is geschonden doordat de gemeenteraad met het bestreden besluit de tussenkomende partij tot plaatselijke ontvanger benoemt en verzoekers benoeming in die functie opheft, terwijl de gemeenteraad op 6 november 1997 zijn bevoegdheid al heeft uitgeput door verzoeker te benoemen; dat hij in een tweede onderdeel van het middel betoogt dat de rechtszekerheidsnorm is geschonden doordat het bestreden besluit aan de kandidaten na het examen een bijkomende benoemingsvoorwaarde oplegt waarin aanvankelijk niet was voorzien, dat het, om in aanmerking te komen voor een benoeming namelijk niet langer volstaat dat de kandidaten slagen voor het examen, dat zij bovendien het beste examenresultaat moeten hebben behaald en aldus voorbij wordt gegaan aan het “recht” dat verzoeker als geslaagde heeft op een benoeming, ook al is hij niet “de eerste of de tweede” van het examen; Overwegende dat, met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, het standpunt van de verwerende partij en van de tussenkomende partij dient XII-1475-22/30 te worden bijgevallen, dat het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 houdende de benoeming van verzoeker tot plaatselijke ontvanger door de verwerende partij hoegenaamd niet werd opgeheven, maar vernietigd werd bij besluit van 28 mei 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting en dat door die vernietiging de benoeming van verzoeker met terugwerkende kracht werd teniet gedaan; dat voorts, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, het kan volstaan vast te stellen dat verzoekers betoog geenszins afbreuk doet aan wat reeds duidelijk is uiteengezet in de overwegingen 4.4.
  45. en 4.4.
  46. van het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 van de Raad van State die hierboven bij de bespreking van het tweede middel in de zaak A. 79.130 zijn hernomen, en waarin wordt vastgesteld dat “de verwerende partij helemaal geen bijkomende benoemingsvoorwaarde ingesteld heeft, dat zij enkel de grenzen van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de gemeenteraad, getekend door de artikelen 10 en 33 van de grondwet, geconcretiseerd heeft”, overweging die betreffende het hier besproken middelonderdeel eveneens door de Raad van State tot de zijne wordt gemaakt; dat het derde middel niet gegrond is; 4.
  47. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel betoogt dat het bestreden besluit de motiveringsplicht schendt, verwijzend naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en naar het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuurs- documenten in de diensten en de instellingen van de Vlaamse regering; dat hij in het eerste onderdeel van het middel laat gelden dat het bestreden besluit niet uitdrukkelijk vermeldt waarom anders wordt beslist dan in het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 en in het tweede onderdeel, dat de motieven van het bestreden besluit niet aanvaardbaar, niet pertinent en niet draagkrachtig zijn; dat verzoeker aldus in wezen de materiële motivering van het bestreden besluit ondeugdelijk vindt, en wel als volgt :
  48. Hij betoogt vooreerst dat het bestreden besluit er ten onrechte van uitgaat dat er tussen de eerste twee gerangschikte kandidaten van het examen en verzoeker een beduidend puntenverschil zou bestaan. Hij stelt dat het besluit niet vermeldt dat hij de vierde was van de tien kandidaten die aan het examen hebben deelgenomen, noch dat hij geslaagd was, terwijl zes anderen dat niet waren. Bovendien kan, wanneer men de examenresultaten meer in detail bekijkt per proef XII-1475-23/30 of onderdeel van een proef, het verschil in punten onmogelijk beduidend worden genoemd. Voorts houdt verzoeker voor dat de gemeenteraad diende rekening te houden met de objectieve criteria die de raad zelf in zijn besluit van 6 november 1997 naar voor heeft geschoven. Dienaangaande laat hij gelden dat de gemeenteraad heeft bevestigd dat de continuïteit van het ambt in het belang van de dienst het best wordt gewaarborgd door een kandidaat die vertrouwd is met de dienst, het team en de werkmethodes, met inbegrip van het computersysteem.
  49. Met betrekking tot het criterium van de ervaring argumenteert verzoeker dat hij, in tegenstelling tot de andere geslaagde kandidaten, relevante ervaring heeft verworven in de ontvangerij van Tielt, waar hij verantwoordelijk was voor de invoering van de nieuwe gemeentelijke boekhouding en waar hij vertrouwd is met het personeel, de informatica, de werking van de dienst en de gemeentelijke overheid. Dat die ervaring niet werd opgedaan in de functie van ontvanger is niet belangrijk, omdat men geen ontvanger moet geweest zijn om de ervaring op te doen die een ontvanger nodig heeft. Ervaring is niet te meten op een examen dat slechts een momentopname is. De tussenkomende partij heeft helemaal geen ervaring op de ontvangerij van Tielt, noch elders in een gelijkaardige dienst.
  50. Wat het criterium van de betrokkenheid bij het socio-culturele leven in de stad Tielt betreft, voert verzoeker aan dat het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 waarbij hij tot plaatselijke ontvanger werd benoemd, heeft gewezen op zijn grote betrokkenheid bij het socio-culturele leven van de stad Tielt en dat het handhavingsbesluit van 2 april 1998 die betrokkenheid heeft geïllustreerd aan de hand van verzoekers lidmaatschap van Tieltse verenigingen. De persoonlijke kennis van de inwoners draagt er ongetwijfeld toe bij dat de functie op een efficiëntere en meer persoonlijke wijze kan worden uitgeoefend. De tussenkomende partij daarentegen heeft geen enkele betrokkenheid bij de stad Tielt en kent de noden en de behoeften van de inwoners niet. Volgens verzoeker maakt de toepassing van deze criteria de voorsprong van de andere kandidaten met hogere punten voor het examen ongedaan; XII-1475-24/30 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel nog betoogt dat de vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 niet wegneemt dat de gemeenteraad in dat besluit en ook in zijn handhavingsbesluit van 2 april 1998 een standpunt heeft ingenomen, waarvan hij in het thans bestreden besluit is afgeweken; dat volgens verzoeker de gemeenteraad motiveren moet waarom hij “een dergelijke ommekeer” maakt; dat, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, verzoeker vooreerst nog uiteenzet dat het puntenverschil tussen hem en de tussenkomende partij niet zo “beduidend” is wanneer de punten worden bekeken per onderdeel van het examen, dat bovendien niet uit het oog mag worden verloren dat hij tot de vier geslaagde kandidaten behoorde, terwijl er toch zes kandidaten niet geslaagd waren; dat hij met betrekking tot het criterium van de continuïteit aanvoert dat noch de tussenkomende partij, noch Geert De Muynck een onmiddellijke indiensttreding konden garanderen en dat de tussenkomende partij geen ervaring heeft met de openbare dienst in het algemeen en met de ontvangerij van Tielt in het bijzonder, waardoor een vlotte overgang wordt bemoeilijkt, terwijl hij daarentegen sinds 1992 werkzaam is in de ontvangerij van Tielt en “de grootste voldoening” gaf bij de uitoefening van zijn ambt, de dienst kent, de werkmethodes en de werkomgeving en dan ook de continuïteit kan garanderen; dat, wat het criterium van de ervaring betreft, verzoeker stelt dat het vanzelfsprekend een pluspunt is dat die ervaring in de ontvangerij van Tielt is verworven, dat, wanneer de verwerende partij de ervaring van de tussenkomende partij in privé-dienst verkiest boven verzoekers ervaring in de ontvangerij van Tielt, zij blijk geeft van willekeur en subjectiviteit; dat verzoeker voorts verwijst naar hetgeen met betrekking tot de ervaring van de kandidaten werd gesteld in het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 en in het handhavings- besluit van 2 april 1998; dat hij stelt dat het feit dat alle kandidaten vertrouwd zijn met informatica, nog niet betekent dat zij ook allen vertrouwd zijn met de specifieke informatica van de ontvangerij; dat verzoeker meent dat de verwerende partij haar handhavingsbesluit van 2 april 1998 tegenspreekt wanneer zij stelt dat verzoekers ervaring niet terug te vinden is in de examenuitslag, dat ervaring immers meer behelst dan de theoretische kennis die op een examen wordt getoetst, dat volgens de functieomschrijving van de ontvanger naast kennis ook een aantal vaardigheden en attitudes belangrijk zijn, dat een examen bovendien slechts een momentopname is, dat verzoeker overigens op de proef over de technische vakken maar drie punten minder behaalde dan de tussenkomende partij; dat ten slotte verzoeker aanvoert dat een grote betrokkenheid bij het socio-culturele leven ongetwijfeld een pluspunt is XII-1475-25/30 voor een ontvanger, dat de persoonlijke kennis van de inwoners er volgens hem toe bijdraagt dat de functie van ontvanger op een efficiëntere en meer persoonlijke manier kan worden uitgeoefend, voornamelijk op het vlak van “invorderingen en concrete toestanden van kohieren en lokale toestanden en personen”; Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat het gemeenteraadsbesluit van 6 november 1997 houdende de benoeming van verzoeker tot plaatselijke ontvanger, door de vernietiging ervan bij besluit van 28 mei 1998 van de toezichthoudende overheid retroactief uit de rechtsorde is verdwenen; dat het derhalve wordt geacht nooit te hebben bestaan; dat de gemeenteraad daardoor opnieuw ten volle bevoegd wordt om een beslissing betreffende de benoeming van een ontvanger te nemen; dat, wanneer de gemeenteraad dan een nieuwe beslissing neemt die, ter eerbiediging van het beginsel van het administratief toezicht, gesteund is op andere motieven dan degene die door de toezichthoudende overheid onwettig werden bevonden, hij evident niet dient te verantwoorden waarom hij de onwettig bevonden motieven niet heeft aangehouden, maar het volstaat dat hij uitdrukkelijk verwijst naar het vernietigingsbesluit van de toezichthoudende overheid, wat in het bestreden besluit van 4 maart 1999 is gebeurd; Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat, wanneer de overheid met het oog op de aanwerving in een betrekking een niet-vergelijkend examen organiseert, op haar niet de rechtsplicht rust om de kandidaat te benoemen die op het examen het hoogste aantal punten heeft behaald; dat integendeel in principe alle kandidaten die geslaagd zijn voor het examen, op gelijke wijze voor benoeming in aanmerking komen; dat bij het bepalen van haar keuze onder de geslaagde kandidaten de overheid het resultaat van het examen echter niet zonder meer mag negeren; dat zij aldus een kandidaat niet terzijde mag schuiven die een klaarblijkelijk betere uitslag heeft behaald en aldus ten overstaan van het bestuur het onomstootbare bewijs heeft geleverd dat hij, althans op de geteste vakken en bekwaamheden, de andere kandidaten duidelijk achter zich laat; dat de kandidaat die een merkelijk betere uitslag op het examen heeft behaald, zich in een betere uitgangspositie bevindt; dat hij meer aanspraken op de benoeming kan laten gelden en als het ware een voorsprong bezit op de andere kandidaten; dat, wanneer een kandidaat uit de examenresultaten aldus direct zichtbaar grotere aanspraken op een benoeming put, de overheid, met respect voor het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt, slechts aan zijn aanspraken voorbij mag gaan indien zij op grond XII-1475-26/30 van gegevens, die blijken uit een objectieve en zorgvuldige vergelijking van de titels en de verdiensten van alle kandidaten, op grond van pertinente criteria, namelijk criteria die verband houden met het belang van de dienst, tot de bevinding komt dat er deugdelijke redenen zijn om de voorkeur te geven aan een kandidaat met een minder goede uitslag op het examen; Overwegende dat te dezen vooreerst bezwaarlijk kan worden betwist dat, zoals het bestreden besluit vaststelt maar hetgeen verzoeker tot in zijn laatste memorie blijft tegenspreken, er een beduidend puntenverschil bestaat tussen de eerste twee gerangschikte kandidaten, waaronder de tussenkomende partij, en de laatste twee gerangschikte kandidaten, waaronder verzoeker; dat verzoeker immers 60% van de punten behaalde, wat net voldoende was om geslaagd te zijn; dat de tussenkomende partij en kandidaat Geert De Muynck 69% van de punten behaalden, dus 9% meer dan verzoeker; dat het feit dat er zes andere kandidaten niet slaagden niets aan deze vaststelling verandert; dat het argument van verzoeker dat het verschil in punten niet meer beduidend kan worden genoemd wanneer men de examenuitslag in detail bekijkt, niet opgaat; dat het vanzelfsprekend is dat een in globo duidelijk verschil in punten, kleiner wordt als men het ventileert over verschillende onderdelen; dat echter zelfs dan blijkt dat verzoeker op elk van de onderdelen klaarblijkelijk minder gunstige resultaten heeft behaald dan de tussenkomende partij : twee punten op de synthese en commentaar (of 65 % tegenover 70 %), drie punten op de schriftelijke proef over de kennisvakken (of 55 % tegenover 62,5 %), vier punten op de conversatieproef (of 60 % tegenover 80 %); XII-1475-27/30 Overwegende dat, overeenkomstig wat hiervoor als principe werd gesteld, de gemeenteraad aan de zichtbaar grotere aanspraken van de tussenkomende partij en van Geert De Muynck ten voordele van verzoeker had mogen voorbij gaan, indien een zorgvuldige en objectieve vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten op grond van pertinente criteria gegevens zou hebben aangebracht die daarvoor een deugdelijke reden zouden vormen; dat in het bestreden besluit na een vergelijking van de kandidaten op het vlak van hun opleiding en beroepservaring de conclusie wordt getrokken dat er geen dergelijke gegevens blijken; dat verzoeker daartegen aanvoert dat een vergelijking van de kandidaten op basis van de criteria continuïteit, ervaring en betrokkenheid bij het socio-culturele leven van de stad Tielt, de voorsprong die de tussenkomende partij haalt uit haar betere examenuitslag teniet doet; dat dit betoog echter niet overtuigt; Overwegende dat, met betrekking tot het criterium van de continuïteit, in het arrest nr. 77.277 van 1 december 1998 van de Raad van State reeds werd overwogen dat “het zoeken van een voordeel op korte termijn -met name de 'vlotte overgang'- geen objectief gegeven vormt om een kandidaat met objectief bezien -want uit het examenresultaat blijkende- betere aanspraken definitief ter zijde te schuiven”; dat de Raad van State die vaststelling opnieuw laat gelden; Overwegende dat ook de toepassing van het criterium van de ervaring geen gegevens oplevert die de voorsprong van de tussenkomende partij teniet doet; dat het loutere feit dat verzoeker al enige jaren tot ieders voldoening als onderbureauchef in de ontvangerij heeft gewerkt en kennis heeft van de dienst en van al wat daarmee samenhangt, namelijk personeel, infrastructuur en werkmethodes, hem nog niet tot de meest bekwame kandidaat-ontvanger maakt, te meer daar de resultaten van het georganiseerde examen, dat precies tot doel heeft die bekwaamheid te testen, in een andere richting wijzen; dat het bovendien inherent is aan een benoeming bij aanwerving dat ook buitenstaanders die niet bekend zijn bij het betrokken bestuur in aanmerking komen en vanzelfsprekend bij een eventuele benoeming een redelijke tijd nodig zullen hebben om zich aan te passen en in te werken, wat geen enkele afbreuk doet aan hun bekwaamheid als dusdanig; dat bovendien uit het bestreden besluit blijkt dat ook de tussenkomende partij “relevante ervaring heeft opgedaan inzake boekhouding, balansanalyse, controle en audit”; dat dergelijke ervaring, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker in zijn laatste memorie beweert, ook voor de functie van een gemeentelijke ontvanger relevant is; XII-1475-28/30 Overwegende ten slotte dat het standpunt van verzoeker betreffende zijn betrokkenheid bij het socio-culturele leven in Tielt niet wordt bijgevallen, aangezien het profiel van de plaatselijke ontvanger dat door de gemeentelijke overheid werd vooropgesteld, geen gewag maakt van “plaatselijke betrokkenheid” onder de vaardigheden en attitudes die van de plaatselijke ontvanger worden verwacht; dat voorts niet valt in te zien om welke reden “de buitenstaander” die tot plaatselijke ontvanger wordt benoemd, door de uitvoering van de werkzaamheden van ontvanger niet het overzicht van en het inzicht in de plaatselijke situaties zou kunnen verwerven waarvan verzoeker beweert dat ze zo nuttig zijn voor de goede ambtsuitoefening; dat derhalve alleszins niet mag worden aangenomen dat verzoekers betrokkenheid bij het socio-culturele leven in Tielt de zichtbaar grotere aanspraken die de tussenkomende partij put uit beduidend betere examenuitslagen, vermag teniet te doen; dat het vierde middel evenmin gegrond is; dat geen van de vier middelen in de zaak gegrond is, BESLUIT: Artikel
  51. De zaken nrs. A.79.130/XII-1475 en A.83.515/XII-1999 worden gevoegd. Artikel
  52. De beroepen worden verworpen. Artikel
  53. De kosten van de vordering tot schorsing in de zaak A. 79.130/XII-1475 en van de beroepen, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-1475-29/30 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1475-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.313 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.